Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5225

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
AWB 08 - 8078
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerster heeft verzoek om schadevergoeding op basis van aanvullende adviezen van de adviescommissie afgewezen. Verweerster heeft wederom onvoldoende vergewist van de door de adviescommissie gemaakte berekeningen. De berekeningen lijken onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door schadevergoeding vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 / 8078

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2010

in de zaak van:

[naam eiser] en [naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. W. Lever, advocaat te Leiden,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerster

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2004 heeft verweerster op grond van de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol aan eisers een schadevergoeding toegekend van € 39.000,-. Daarbij heeft zij verwezen naar het advies van de Adviescommissie Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de adviescommissie).

Bij besluit van 7 december 2005 heeft verweerster het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2006 heeft de rechtbank het hiertegen ingediende beroepschrift gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Bij besluit van 24 november 2008 heeft verweerster het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerster verwezen naar de aanvullende adviezen van 23 mei 2007, 8 oktober 2007 en 17 juli 2008 van de adviescommissie.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 30 december 2008, aangevuld bij brief van 29 januari 2009, beroep ingesteld.

Verweerster heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 januari 2010. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.P.M. van Ravels en mr. O.M. te Rijdt, beiden werkzaam bij het Schadeschap Luchthaven Schiphol. Verder is verschenen [naam], directeur van Van Groenigen Makelaardij.

2. Overwegingen

2.1 Verweerster heeft het verzoek om schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van

€ 39.000,-. Daarbij heeft zij, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 19 november 2004, verzonden op 29 november 2004, de verkoopwaarde van het woonhuis van eiser daags voor de peildatum van 29 april 1999 vastgesteld op € 299.500,-.

2.2 In haar uitspraak van 20 december 2006 heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar van 7 december 2005 vernietigd, omdat zij van oordeel was dat verweerster zich bij de totstandkoming van haar beslissing onvoldoende heeft vergewist van de juistheid van de kennelijk door de adviescommissie geselecteerde gegevens en de – in het algemeen en per object – gemaakte berekeningen. De adviescommissie had in haar advies geen met cijfermateriaal ondersteunde rekenkundige onderbouwing gegeven aan de aldus door haar bepaalde waarde van eisers onroerend goed, maar slechts het bedrag van de uitkomst genoemd. De vergelijkingstransacties, aan de hand waarvan zij een basisgrondprijs heeft gedestilleerd per vierkante meter van de percelen en per kubieke meter van de gebouwen, waren niet met name of kadasteraanduiding vermeld, evenmin als het aantal woningen en/of binnen welk kadastraal gebied deze waren gelegen. Ook waren de bedragen van de door haar berekende basisgrondprijzen niet vermeld.

2.3 In het kader van de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar heeft verweerster de adviescommissie verzocht nader advies uit te brengen, hetgeen is geschied op 23 mei 2007. Nadat eisers in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren, heeft de adviescommissie op 8 oktober 2007 haar definitieve advies gegeven. Op 17 juli 2008 heeft de adviescommissie nogmaals een nader advies uitgebracht. In het bestreden besluit stelt verweerster zich op het standpunt dat de adviescommissie met het uitbrengen van de nadere adviezen thans heeft voldaan aan de door de rechtbank gestelde eisen. Verweerster heeft het bezwaarschrift van eisers wederom ongegrond verklaard.

2.4 Eisers kunnen zich met dit besluit niet verenigen. Zij stellen dat met het uitbrengen van de nadere adviezen nog steeds niet is voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel. In dit verband wijzen eisers erop dat de door de adviescommissie vastgestelde verkoopwaarde van € 299.500,- niet juist kan zijn, aangezien de WOZ-waarde in 1999 € 433.360,- bedroeg en twee taxateurs de waarde van de woning op de peildatum onafhankelijk van elkaar hebben getaxeerd op € 420.000,- respectievelijk € 400.000,-.

2.5 Het beroep van eisers slaagt. De rechtbank is van oordeel dat verweerster zich wederom onvoldoende heeft vergewist van de door de adviescommissie gemaakte berekeningen. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat de adviescommissie onvoldoende uitleg heeft gegeven met betrekking tot de lijst met transacties, waaruit de basisprijzen per vierkante meter grond en per kubieke meter opstal zijn herleid. In het advies van 8 oktober 2007 is aangegeven dat deze prijzen neerkomen op ƒ 460,- per m² voor de grond en ƒ 575,- per m³ voor de opstal. Uitgaande van de door de adviescommissie gevolgde berekening, waarbij de aan de gronden toegerekende bedragen enerzijds en de aan de opstallen toegerekende bedragen anderzijds bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door het totaal aantal vierkante meters respectievelijk kubieke meters, dient de basisprijs voor grond ƒ 460,17 per m² te bedragen en de basisprijs voor de opstal ƒ 515,31 per m³. De door de adviescommissie genoemde basisprijs van ƒ 575,- per m³ is derhalve niet juist. Verweerster heeft nagelaten de adviescommissie op dit punt om opheldering te vragen.

2.6 In het advies van 8 oktober 2007 is verder aangegeven dat op de vastgestelde basisprijzen een korting dient te worden toegepast, omdat het merendeel van de transacties heeft plaatsgevonden na de peildatum van 29 april 1999 en de prijzen van woningen in die tijd sterk stijgende waren. De basisprijzen zijn daarom bijgesteld naar ƒ 450,- per m² grond en ƒ 525,- per m³ opstal. Uit het advies van 23 mei 2007 blijkt vervolgens dat bij de waardebepaling van de opstal van eisers, vanwege de aard van het object, de indeling en de beschikbare inhoud, een lagere prijs dan de basisprijs van ƒ 525,- is gehanteerd, te weten ƒ 450,- per m³ voor het voorhuis en ƒ 350,- m³ voor het achterhuis. In het advies wordt echter niet gemotiveerd waarom het achterhuis ƒ 100,- per m³ lager wordt gewaardeerd dan het voorhuis en ook ter zitting heeft gemachtigde van verweerster hiervoor geen afdoende verklaring kunnen geven. Voorts is in het advies noch ter zitting een nadere toelichting gegeven ten aanzien van wat dient te worden verstaan onder ‘de aard van het object, de indeling en de beschikbare inhoud’. De rechtbank is van oordeel dat verweerster ook op dit punt de adviescommissie om nadere uitleg had moeten vragen.

2.7 Gelet op het vorenstaande had verweerster zich niet zonder meer op het advies mogen baseren. Dit klemt temeer nu er een aanmerkelijk verschil bestaat van meer dan

€ 100.000,- tussen de waardebepaling door de adviescommissie enerzijds en de waardebepaling door de twee taxateurs en de WOZ-waarde van de woning in het jaar 1999 anderzijds.

2.8 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9 De rechtbank zal verweerster niet opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen, nu verweerster zich voor de motivering van dit besluit wederom zal moeten wenden tot de adviescommissie, die zich in het advies van 23 mei onder punt 8 op het standpunt stelt dat bij iedere taxatie van onroerende zaken de intuïtie van de taxateurs een rol speelt. De adviescommissie meent dat de eerdere uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 december 2006, door een nauwkeurige en gedetailleerde motivering van de waardebepaling te verlangen, op gespannen voet staat met de jurisprudentie van de Hoge Raad in onteigeningszaken. Gelet op dit standpunt gaat de rechtbank er vanuit dat de adviescommissie niet ten vierde male aan verweerster advies zal willen uitbrengen dan wel dat dit advies niet in relevante mate zal afwijken van de eerdere adviezen. Onder deze omstandigheden gaat het te ver verweerder nogmaals in de gelegenheid te stellen een voldoende gemotiveerd besluit te nemen.

2.10 De rechtbank zal dan ook met gebruikmaking van de bevoegdheid gegeven in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 23 december 2004 herroepen en zelf de hoogte van de schadevergoeding vaststellen. Gelet op de door eiser overgelegde taxaties stelt de rechtbank de waarde van de woning daags voor de peildatum vast op een bedrag van € 410.000,-. De rechtbank baseert deze vaststelling op de voor 1999 vastgestelde WOZ-waarde voor de in het geding zijnde woning en de door eiser ingebrachte taxaties. Tussen partijen is niet in geschil dat de omvang van de schadevergoeding dertien procent bedraagt van de waarde van de woning daags voor de peildatum. Dit betekent dat de schadevergoeding dient te worden vastgesteld op het bedrag van € 53.300,-.

2.11 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerster. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in beroep één punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij een wegingsfactor één in aanmerking is genomen. De waarde van één punt bedraagt

€ 322,-.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 24 november 2008;

3.3 herroept het besluit van 23 december 2004;

3.4 bepaalt dat aan eiser een schadevergoeding wordt toegekend van € 53.300,-;

3.5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.6 veroordeelt verweerster in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,-, te betalen aan eisers;

3.7 gelast dat verweerster het door eisers betaalde griffierecht van € 145 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse Van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. G. Guinau en mr. W.J.A.M. van Brussel, rechters, en op 15 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.