Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5010

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
442138 CV EXPL 09-11746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Tegen geopposeerden is een dwangbevel uitgevaardigd tot afdracht aan opposante, Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metalektro, van achterstallige pensioenpremies. Opposante vordert vernietiging van het verstekvonnis waarin op vordering van geopposeerden een verklaring voor recht is gegeven dat het (voormalig) bedrijf van geopposeerden niet verplicht hoeft deel te nemen aan de Stichting Pensioenfonds Metaal Elektro en dat de aan haar opgelegde aanslag ter zake van achterstallige pensioenpremies ten onrechte is opgelegd en dient te worden herzien.

Nu geopposeerden niet binnen de termijn zoals voorgeschreven in artikel 21 lid 5 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 tegen het dwangbevel in verzet zijn gekomen, heeft het dwangbevel formele rechtskracht gekregen, die niet kan worden aangetast door een uitspraak van de kantonrechter. De kantonrechter vernietigt het verstekvonnis en, opnieuw rechtdoende, wijst de oorspronkelijke vordering af bij gebreke van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 67
AR-Updates.nl 2010-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 442138/CV EXPL 09-11746

datum uitspraak: 10 februari 2009

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

de stichting STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE METALEKTRO

te Amsterdam

opposante

hierna te noemen Stichting Bedrijfspensioenfonds

gemachtigde mr. R.A.A. Duk

tegen

1. [geopposeerde]

2. [geopposeerde]

te Teuge

geopposeerden

hierna te noemen [geopposeerde]

gemachtigde mr. E.F.F. van Essen

De procedure

Stichting Bedrijfspensioenfonds heeft [geopposeerde] gedagvaard op 8 oktober 2009 met mededeling dat zij in verzet komt tegen het verstekvonnis van 2 september 2009.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen, heeft [geopposeerde] schriftelijk op de verzetdagvaarding gereageerd, waarna Stichting Bedrijfspensioenfonds nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

1. [geopposeerde] heeft tot 31 december 2007 een onderneming geëxploiteerd, genoemd Star Airservice v.o.f. (hierna: Star). Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 31 december 2007 hield Star zich bezig met ‘Reparatie van luchtvaartuigen, verkoop van onderdelen, verzorgen van rondvluchten, dealershows’.

2. In een door Star opgesteld bedrijfsprofiel is als ‘core business’van Star vermeld: “reparatie en onderhoud van:

• Eénmotorige vliegtuigen

• Tweemotorige vliegtuigen

• Helikopters

• Avionica

• Balanceren propellers & helikopters

• Interieurvernieuwing & linnenbekleding”

3. Krachtens het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 2002 (hierna: de verplichtstelling) is met ingang van 1 januari 2003 het deelnemen in Stichting Bedrijfspensioenfonds verplicht gesteld voor werknemers in dienst van een werkgever in de Metalektro.

4. Ingevolge artikel 2 lid 3 van de verplichtstelling behoren tot de Metalektro “[...] ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak een of meer van de volgende bedrijven worden uitgeoefend: a. [...] c. het vervaardigen of herstellen van vliegtuigen.”

5. Op 14 december 2006 heeft de Raad van Overleg Metalektro (hierna: ROM) aan Star bericht dat zij onder de verplichtstelling viel en gehouden was tot afdracht van pensioenpremies aan Stichting Bedrijfspensioenfonds.

6. Tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds en Star respectievelijk [geopposeerde] is discussie ontstaan over de verschuldigdheid van Star tot afdracht van pensioenpremies, omdat Star respectievelijk [geopposeerde] zich op het standpunt stelde dat Star niet onder de werkingssfeer van de cao voor de Metalektro viel.

7. Bij brief van 11 september 2008 heeft ROM aan de toenmalige gemachtigde van [geopposeerde] medegedeeld “dat wij geen aanleiding zien om ons standpunt te herzien, dat Star Airservices V.O.F., op grond van haar bedrijfsactiviteiten van rechtswege voor CAO’s en pensioenen behoort tot de Metalektro”.

8. Op 12 september 2008 heeft Stichting Bedrijfspensioenfonds een dwangbevel tegen [geopposeerde] uitgevaardigd tot afdracht van € 81.745,00 ter zake van achterstallige pensioenpremies over 2007, inclusief verhoging. Op 25 november 2008 heeft Stichting Bedrijfspensioenfonds dit dwangbevel aan [geopposeerde] betekend.

9. Bij brief van 9 december 2008 heeft het gerechtsdeurwaarders kantoor Tijhuis & Partners, gemachtigde van de Stichting Bedrijfspensioenfonds, aan de gemachtigde van [geopposeerde] geschreven, voor zover hier van belang: “Onze opdrachtgever dringt aan op nadere executiemaatregelen. Op dit moment zien wij geen aanleiding om het dossier nog langer aan te houden. Derhalve zullen wij het dossier weer oppakken.”

10. [geopposeerde] heeft geen betalingen aan Stichting Bedrijfspensioenfonds verricht.

11. Op 19 december 2008 heeft Stichting Bedrijfspensioenfonds executoriaal beslag gelegd ten laste van [geopposeerde] onder de Coöperatieve Rabobank Apeldoorn en Omgeving U.A te Eerbeek.

Het verstekvonnis

Bij het verstekvonnis heeft de kantonrechter overeenkomstig de vordering van [geopposeerde]

1) een verklaring voor recht gegeven dat Star niet verplicht hoeft deel te nemen in de CAO Metaal Elektro en dat de aanslag ten onrechte is opgelegd en dient te worden herzien, meer in het bijzonder hij niet behoeft deel te nemen aan de Stichting Pensioenfonds Metaal Elektro en

2) Stichting Bedrijfspensioenfonds veroordeeld tot betaling van € 750,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van Stichting Bedrijfspensioenfonds in de proceskosten.

De vordering in oppositie

Stichting Bedrijfspensioenfonds vordert kort gezegd nietigverklaring van het verstekvonnis en afwijzing van de oorspronkelijke vordering. Stichting Bedrijfspensioenfonds voert daartoe het volgende aan.

[geopposeerde] is niet binnen de daarvoor geldende termijn van 30 dagen na betekening van het dwangbevel in verzet gekomen, zoals voorgeschreven in artikel 21 lid 5 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: wet Bpf). Dit heeft tot gevolg dat het dwangbevel formele rechtskracht heeft gekregen en dat de vraag of de aanslag terecht of onterecht is opgelegd, niet meer aan de orde is. Bij de gevorderde verklaring voor recht dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, heeft [geopposeerde] geen belang meer, nu de aanslag, ongeacht de beslissing van de kantonrechter op de vordering, onherroepelijk is verschuldigd.

Ook bij de gevorderde verklaring voor recht dat Star niet verplicht hoeft deel te nemen in de CAO Metaal Elektro, meer in het bijzonder aan de Stichting Pensioenfonds Metaal Elektro, heeft [geopposeerde] geen belang, nu het dwangbevel alleen betrekking heeft op 2007 en Star na 31 december 2007 is ontbonden.

Slechts voor het geval dat het voorgaand verweer geen doel treft, voert Stichting Bedrijfspensioenfonds, kort samengevat en voor zover van belang, het volgende aan.

Voor de indeling van een bedrijf in de cao voor de Metalelektro is maatgevend met welke activiteiten dat bedrijf zich in hoofdzaak bezig houdt. Dit is in het geval van Star het onderhoud en de reparatie van vliegtuigen. Daaraan besteedden de medewerkers van Star het grootste deel van hun arbeidstijd; slechts een enkeling hield zich bezig met de verhuur van vliegtuigen of de verkoop van door Star vertegenwoordigde producten.

Het verweer in oppositie

[geopposeerde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

[geopposeerde] betwist dat het dwangbevel ten gevolge van de overschrijding van de verzettermijn formele rechtskracht heeft verkregen.

[geopposeerde] kan niet worden gevolgd in dit verweer. Daarmee zou immers het gesloten systeem van rechtsmiddelen dat aan de wet ten grondslag ligt, op ontoelaatbare wijze worden uitgehold. [geopposeerde] had tegen het dwangbevel van 12 september 2008 kunnen opkomen op de door de wet aangewezen wijze, namelijk door binnen 30 dagen na betekening van het dwangbevel daartegen in verzet te komen. Nu [geopposeerde] dat heeft nagelaten, heeft door het verstrijken van de termijn zonder dat het rechtsmiddel is aangewend, het dwangbevel

- dat ingevolge lid 4 van artikel 21 wet Bpf een executoriale titel oplevert - rechtskracht verkregen. Daarmee is de rechtstoestand tussen partijen komen vast te staan. Een uitspraak in de onderhavige procedure kan daarin geen verandering brengen. Bij de gevorderde verklaring voor recht dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, heeft [geopposeerde] dan ook geen belang, zodat het gedeelte van de oorspronkelijke vordering dat hierop betrekking heeft, zal worden afgewezen.

Voor zover [geopposeerde] heeft beoogd door middel van deze procedure in verzet te komen tegen het dwangbevel, geldt dat ook dit leidt tot afwijzing van de vordering. In dat geval moet immers geoordeeld worden dat [geopposeerde] niet binnen 30 dagen na betekening van het dwangbevel, en derhalve niet tijdig in verzet is gekomen. [geopposeerde] heeft nog aangevoerd dat er sprake is van een “verschoonbare termijnoverschrijding” doch ook dit standpunt gaat niet op. Vast staat dat [geopposeerde] reeds op 25 november 2008 op de hoogte was van de inhoud van het dwangbevel. Dat de volgende dag contact is geweest met de deurwaarder en dat deze “de indruk heeft gewekt”dat “indien en voor zover er voldoende gegevens zouden worden overgelegd” er niet tot executie zou worden overgegaan, is onvoldoende om aan te nemen dat [geopposeerde] niet meer gebonden was aan de wettelijke termijn van 30 dagen.

Bovendien moet worden aangenomen dat het [geopposeerde] in ieder geval sinds de brief van 9 december 2008 duidelijk was dat de Stichting Bedrijfspensioenfonds de executie wenste door te zetten. Een dagvaarding op 12 augustus 2009 - derhalve meer dan acht maanden nadien - kan dan uiteraard niet als tijdig verzet worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat de aanspraak van Stichting Bedrijfspensioenfonds ter zake van door [geopposeerde] verschuldigde pensioenbijdragen slechts ziet op het jaar 2007. Nu Star per

31 december 2007 is ontbonden en haar bedrijfsactiviteiten naar een andere onderneming zijn overgegaan, komt ook aan de gevorderde verklaring voor recht dat Star niet behoeft deel te nemen aan de cao Metalelektro en meer in het bijzonder aan Stichting Bedrijfspensioenfonds het belang te ontvallen. Ook dit gedeelte van de oorspronkelijke vordering wordt derhalve afgewezen.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot vernietiging van het verstekvonnis zal worden toegewezen.

De proceskosten in de verstek- en de verzetprocedure komen voor rekening van [geopposeerde] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld, behalve de kosten van het verzetexploot , die voor rekening van Stichting Bedrijfspensioenfonds dienen te blijven.

De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in oppositie:

- vernietigt het verstekvonnis;

en, opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering van [geopposeerde] af;

- veroordeelt [geopposeerde] tot betaling van de proceskosten in de verzetprocedure, die aan de kant van Stichting Bedrijfspensioenfonds tot en met vandaag worden begroot op € 400,00 aan gemachtigdensalaris, waarbij wordt bepaald dat de kosten van het verzetexploot voor rekening van Stichting Bedrijfspensioenfonds blijven.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.