Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL4881

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
AWB 08-2923
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO2701, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex. 19.1 WRO ten behoeve van het vervangen van drie windmolens door twee windturbines. Goede ruimtelijke onderbouwing, een onevenredige belangenafweging. Afwijken van welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 / 2923

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2010

in de zaak van:

Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer,

gevestigd te Castricum,

eiseres,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Waterland,

gemachtigde: mr. M.J. Drijftholt, werkzaam bij Legoal Juristen,

verweerder 1,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder 2,

derde partij,

Coöperatie Windenergie Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: verweerder 1) aan de derde partij (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vervangen van drie windmolens door twee windturbines op de strekdam De Nes te Marken.

Bij besluit van 5 juli 2007 is door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: verweerder 2) de voor de vrijstelling vereiste verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 23 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder 1 het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder 1 verwezen naar het advies van 14 januari 2008 van de adviescommissie.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 10 maart 2008, aangevuld bij brief van 21 april 2008, beroep ingesteld.

Verweerder 1 heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 mei 2009. Namens eiseres is verschenen [naam], secretaris van de stichting. Verweerder 1 is verschenen bij gemachtigde mr. M.J. Drijftholt. Namens de derde partij zijn verschenen [naam] en dhr. [naam].

Bij beslissing van 9 juni 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde verweerder 2 als verweerder in het geding te betrekken en de gelegenheid te bieden een verweerschrift in te dienen. Tevens is verweerder 1 verzocht om nadere informatie te verstrekken.

Bij brief van 9 juni 2009 heeft verweerder 1 de gevraagde informatie verstrekt. Bij brief van 30 juni 2009 heeft verweerder 2 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft, na toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:64, vierde lid, van de Awb, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 De grond waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan “Markermeer” en is daarin bestemd voor “Verkeers- en waterstaatsdoeleinden”. Op de plankaart wordt de betreffende grond nader aangeduid met de bestemming “windmolens”.

Ingevolge artikel 5, lid A, onder 12, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor verkeers- en waterstaatsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder windmolens, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “windmolens”.

Ingevolge artikel 5, lid B, onder 2, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zal de hoogte van een windmolen ten hoogste 40 meter bedragen.

2.2 Ingevolge artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (1 juli 2008) van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals deze wet luidde voor 1 juli 2008, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Onbestreden is dat de gemeenteraad van Waterland de bedoelde bevoegdheid heeft gedelegeerd aan verweerder 1.

2.3 Ingevolge artikel 55, aanhef en onder a, van de WRO zoals die luidde ten tijde van belang wordt voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht als één besluit aangemerkt de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft.

2.4 Het bouwplan voorziet in het oprichten van twee windturbines met een maximale rotortiphoogte van 100 meter en is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft verweerder 1, na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar vanverweerder 2, vrijstelling verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO en tevens bouwvergunning afgegeven. Eiseres kan zich met deze besluiten niet verenigen.

2.5 De rechtbank overweegt het volgende.

2.6 In het rapport “Ruimtelijke onderbouwing voor 2 windturbines in de mw-klasse bij de Nes”, opgesteld door Ecofys B.V. (hierna: Ecofys) en het rapport “Vervanging windturbines aan de Nes, Ruimtelijke inpasbaarheid”, opgesteld door vergunninghouder, wordt de ruimtelijke onderbouwing bij het project gegeven. Kort en zakelijk samengevat komt daarin naar voren dat het project past binnen het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Onderdeel van het rapport van Ecofys is het rapport “Grotere windturbines op de strekdam in het Markermeer bij de Nes, Effecten op vogels en effecten in relatie tot natuurwetgeving” van het Bureau Waardenburg B.V. (hierna: Waardenburg). Hierin komt naar voren dat de effecten van de windturbines op vogels en beschermde natuur planten- en dierensoorten zeer beperkt zijn.

2.7 Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder 1 zwaar leunt op de rapporten van Ecofys en Waardenburg en verzuimd heeft een zelfstandige afweging te maken. Verder voert eiseres in dit verband aan dat de rapporten teksten bevatten die letterlijk zijn overgenomen uit het rapport van vergunninghouder. Voor zover eiseres bedoelt dat verweerder 1 het project zelf van een goede ruimtelijke onderbouwing had moeten voorzien, kan deze grond niet slagen. Uit de WRO volgt immers niet dat het bestuursorgaan hiertoe gehouden is. Nu vergunninghouder voor de ruimtelijke onderbouwing heeft verwezen naar zijn eigen rapport en de rapporten van Ecofys en Waardenburg, heeft verweerder bij de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing deze rapporten terecht tot uitgangspunt genomen. Dat teksten uit het rapport van vergunninghouder tevens voorkomen in de andere twee rapporten maakt niet dat het project een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Onder andere uit de reactienota die is opgesteld naar aanleiding van de zienswijzen die zijn ontvangen in verband met de voorgenomen vrijstelling blijkt dat verweerder 1 deze ruimtelijke onderbouwing niet klakkeloos heeft overgenomen, maar een zelfstandige afweging heeft gemaakt.

2.8 Eiseres betwist dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat het rapport van Waardenburg voorbij gaat aan de cumulatieve effecten van het project op het ecosysteem Markermeer en Gouwzee. Het rapport geeft volgens eiseres geen enkele indicatie dat kennis is genomen van het van belang zijnde document “Ecologie en Ruimte: gebruik door vogels en mensen in de SBZ’s IJmeer, Markermeer en IJsselmeer”. Voorts wijst eiseres erop dat Waardenburg in het rapport “Uitbreiding van de recreatievaart in het IJsselmeergebied tot 2030 in relatie tot de aanwijzingen als Natura 2000-gebied”, zelf heeft aangegeven dat windparken verstorende elementen zijn.

2.9 In de door verweerder overgelegde nadere reactie van Waardenburg staat aangegeven dat het effect van twee grote turbines vergelijkbaar is met dat van drie kleine windmolens, dat de verstorende effecten tot enkele honderden meters kunnen reiken en dat het aantal rustende en pleisterende vogels op de locatie aan de Nes klein is. Er is aldus geen effect te verwachten van de nieuwe opstelling ten opzichte van de oude opstelling en het aantal betrokken vogels is klein. Het door eiseres aangehaalde rapport doet daar volgens Waardenburg niet aan af, omdat het daarin het plaatsen van 20 turbines in een gebied met grote aantallen rustende en pleisterende vogels betrof. Ook het door eiseres genoemde rapport inzake de uitbreiding van de recreatievaart in het IJsselmeergebied leidt volgens Waardenburg niet tot een andere conclusie. Hierin komt naar voren dat ingrepen met een groot ruimtebeslag opgeteld een negatief effect kunnen hebben en dat de ontwikkeling in de IJsselmeervisserij sterk bepalend zal zijn voor visetende en duikende vogelsoorten. Het gaat hier echter om een beperkt ruimtebeslag, aldus Waardenburg. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk dat de effecten van de windturbines op vogels en beschermde natuur planten- en dierensoorten beperkt zijn. De grond dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt onvoldoende is, kan derhalve niet slagen.

2.10 Met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing heeft eiseres verder aangevoerd dat daarin ten onrechte wordt overwogen dat het project aansluit bij het in de Nota Ruimte geformuleerde beleid ten aanzien van windturbines. Daarin is immers aangegeven dat windturbines langs nieuwe strakke dijken kunnen worden geplaatst, mits deze niet leiden tot een omheining. De locatie aan de Nes valt daar duidelijk niet onder, aldus eiseres. Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. Anders dan eiseres stelt schrijft de Nota Ruimte niet voor dat windturbines uitsluitend langs nieuwe strakke dijken kunnen worden geplaatst, maar geeft het de voorwaarde waaronder plaatsing langs nieuwe dijken is toegestaan, namelijk in het geval dat dit niet leidt tot een omheining. Het is derhalve niet op grond van de Nota Ruimte uitgesloten dat er windturbines worden geplaatst op een locatie als hier aan de orde.

2.11 Eiseres stelt voorts dat de turbines te dicht op elkaar worden geplaatst, waardoor er sterke wervelingen zullen optreden achter de noordelijke turbine en vogels dat deel van de Gouwzee zullen mijden. Tevens wijst eiseres erop dat invloed van windmolens op de CO2-uitstoot in werkelijkheid veel minder is dan wordt aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze stellingen onvoldoende onderbouwd en heeft in verweerder hierin geen aanleiding hoeven zien de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te weigeren.

2.12 Eiseres heeft in bezwaar en beroep tevens het besluit van verweerder 2 om ten behoeve van het project een verklaring van geen bezwaar af te geven, aangevochten. Volgens eiseres betrekt verweerder 2 zijn eigen beleid, zoals neergelegd in het streekplan en de windkansenkaart, niet in zijn afweging. In reactie hierop heeft verweerder 2 aangegeven dat de locatiekeuze in deze procedure niet aan de orde is, nu het gaat om vervanging van windturbines en het bestemmingsplan zich niet tegen het plaatsen van windturbines verzet. Daarbij wordt nog opgemerkt dat op de windkansenkaart voorkeurslocaties zijn aangegeven, maar dat de mogelijkheid tot het plaatsen van windturbines nergens in de provincie Noord-Holland is uitgesloten. Verder verwijst verweerder 2 naar het Streekplan Noord-Holland Zuid, waarin staat dat wordt meegewerkt aan plaatsing van grote turbines. Ondanks de toename in hoogte acht verweerder 2 de opschaling van de turbines aanvaardbaar, omdat de effecten op de omgeving niet zullen toenemen, nu het aantal turbines wordt teruggebracht van drie naar twee. Gelet hierop heeft verweerder 2 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.

2.13 Eiseres heeft tot slot aangegeven dat zij zich geheel aansluit bij het negatieve welstandsadvies van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie), waarin staat dat de plaatsing van twee solitaire molens met een hoogte van circa 100 meter een vervreemdend effect in het landschap geeft. In artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet is bepaald dat een bouwvergunning wordt geweigerd, indien het uiterlijk van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 9 januari 2008 in zaaknr. 200703534; www.raadvanstate.nl) volgt dat onder meer met een beroep op maatschappelijke, milieuhygiënische en economische belangen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van een welstandsadvies. Nu verweerder 1 in dit verband heeft aangegeven dat de twee te plaatsen turbines een significante toename in de levering van duurzame energie met zich meebrengen, omdat zij een aanzienlijk hoger vermogen hebben dan de drie huidige turbines, en dat hiermee tevens gevolg wordt gegeven aan de klimaatdoelstellingen van het kabinet, is de rechtbank van oordeel dat verweerder 1 in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het welstandsadvies.

2.14 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. A.J. Medze en mr. L. Beijen, rechters, en op 25 januari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.