Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL4447

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
09/314, 09/315, 09/316, 09/317 en 09/318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OB. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de plaats van dienst de omschrijving in de onderliggende overeenkomsten tussen de adviseur profsporters en de BVO’s tot uitgangspunt genomen, zodat de dienst dient te worden omschreven als de bemiddeling bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen de speler en de BVO. De rechtbank is, hoewel de onderhavige diensten geen betrekking hebben op intracommunautaire transacties met goederen (volgens het arrest Lipjes van het HvJ EG), van oordeel dat de plaats van de bemiddelingsdiensten van eiseres moet worden bepaald aan de hand van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB. De plaats van dienst is de plaats waar de arbeid wordt verricht, in dit geval Engeland en Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 09/314, 09/315, 09/316, 09/317 en 09/318

Uitspraakdatum: 16 februari 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Y, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over de jaren 2003 tot en met 2007 vijf naheffingsaanslagen (aanslagnummers [nummers]) omzetbelasting opgelegd en bij afzonderlijke beschikkingen is heffingsrente berekend.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 19 december 2008 de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.4. Eiseres heeft bij brief van 11 december 2009 nog een aanvulling op het beroepschrift gegeven. Deze brief is in afschrift doorgezonden naar verweerder.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde [naam]. Namens verweerder is verschenen [naam], vergezeld van [namen]. De gemachtigde van eiseres heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is op [datum] opgericht. Volgens haar statuten heeft eiseres, voor zover hier van belang, ten doel:

“- het bij voorkeur tegen (uur)vergoeding adviseren en het (op permanente basis) begeleiden van beoefenaren van de profsport, onder meer op juridisch en fiscaal gebied, en in het bijzonder van de beoefenaren van de (betaalde) voetbalsport;

- het bij voorkeur tegen transparante vergoedingen bemiddelen bij de totstandkoming van (arbeids)overeenkomsten voor zover deze direct of indirect verband houden met de profsport en in het bijzonder voor zover deze verband houden met de (betaalde) voetbalsport, alles in de ruimste zin van het woord. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door het inhuren van professionele adviseurs en van andere op het gebied van de (prof)sport deskundige personen;

(…)”

2.2. Eiseres heeft met betrekking tot de transfer van voetballer A(hierna: A) naar B (gevestigd in Q, hierna: B) op [datum] met deze voetbalclub een overeenkomst gesloten onder meer inhoudende:

“Für die Vermittlung des Spielers A erhält Herr Vink für das 1. und 2. Vertragsjahr eine Provision van je € [bedrag].

Diese ist für die Saison [jaren] zahlbar am [datum]. Für die Saison [jaren] am [datum].

Sollte der Spieler auch in der Saison [jaren] für den B tätig sein, so erhält [naam] weitere € [bedrag] am [datum].”

2.3. Op [datum] heeft eiseres ter zake van de transfer van voetballer C (hierna: C) naar D (gevestigd in R) een overeenkomst gesloten met deze voetbalclub met onder meer de volgende inhoud:

“The Club confirm that they will pay to the Agent the sum of Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) in respect of his fee for scouting and acting as an intermediary in respect of the signing of the Player subject to the following terms of conditions:

1. Conditional upon the conformation by The Football Association and The F.A. Premier League that the Player has been duly registered with them as a player with the Club.

2. Payable in the following instalments following the Club receiving notification that the condition in Clause 1 above has taken place

Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) within 14 days of registration of the Player;

And provided that the Club still retains the Player’s registration on the payment date:

Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) on [datum];

Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) on [datum];

Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) on [datum];

Euros [bedrag] plus VAT (if applicable) on [datum].”

2.4. Eiseres heeft op de desbetreffende facturen aan beide voetbalclubs geen omzetbelasting in rekening gebracht.

2.5. Op 12 maart 2008 is een boekenonderzoek aangevangen bij eiseres over de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007. In het onderzoeksrapport d.d.18 juli 2008 zijn de volgende, in beroep in geschil zijnde correcties omzetbelasting opgenomen:

Jaar 2003

naam factuurbedrag spelersdeel correctie

B(A) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

Jaar 2004

D (C) € [bedrag] € [bedrag] €[bedrag]

B (A) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

D (C) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

Totaal € [bedrag]

Jaar 2005

B (A) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

D (C) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

Totaal € [bedrag]

Jaar 2006

D (C) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

Jaar 2007

D (C) € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag]

2.6. Tussen het fiscaal platform van de KNVB en verweerder is een afspraak gemaakt omtrent de facturering door gelicentieerde spelersmakelaars (de zogeheten staffelregeling). Deze afspraak is toegezonden bij brief van 12 september 2007 aan alle in Nederland gevestigde gelicentieerde spelersmakelaars. Deze staffel luidt op 1 januari 2007 als volgt:

Vergoeding Toerekenen aan speler Toerekenen aan Betaald Voetbalorganisaties (BVO)

= € 50.000 60% 40%

= € 50.001 = € 250.000 40% 60%

= € 250.001 20% 80%

2.7. Verweerder heeft de staffelregeling in het geval van eiseres toegepast en alleen het aan de speler toerekenbare percentage in de naheffingsaanslag betrokken.

Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of ter zake van de onder 2.5 vetgedrukte bedragen hier te lande omzetbelasting is verschuldigd, hetgeen verweerder stelt en eiseres bestrijdt.

3.2. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil de kwalificatie van de door eiseres verrichte werkzaamheden ter zake van de transfer van C naar D, respectievelijk A naar B en daarmee samenhangend de plaats van de door eiseres verrichte diensten.

3.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door eiseres aan B en D verleende werkzaamheden primair kwalificeren als diensten in de zin van artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) en subsidiair als diensten in de zin van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB. De opdrachtgever is in beide gevallen de buitenlandse betaald voetbalorganisatie (hierna: BVO). De plaats van dienst is derhalve niet in Nederland gelegen, zodat geen omzetbelasting is verschuldigd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

3.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres zich juridisch met beide voetbalclubs heeft verbonden om de werkzaamheden als zaakwaarnemer uit te (doen) voeren. Het bemiddelen bij de overgang van een speler van de ene naar de andere club behoort tot de normale activiteiten van zaakwaarnemers. Dat eiseres voor een deel van de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden een derde heeft ingeschakeld, te weten E, is voor de kwalificatie van de prestatie van eiseres niet relevant. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2002, nr. 37.389, is de plaats van dienst in Nederland gelegen en is eiseres omzetbelasting verschuldigd. Het enkel uitbesteden van de feitelijke uitvoering aan een andere in Nederland gevestigde ondernemer kan niet tot een wijziging van de plaats van dienst leiden terwijl de aard van de prestatie en het verbruik bij de afnemer identiek zijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Aard van de dienst

4.1. Bij de vaststelling van de plaats van dienst is de aard van de verrichte diensten doorslaggevend. In de tussen eiseres en de desbetreffende BVO gesloten overeenkomsten worden de diensten omschreven als “die Vermittlung des Spielers” respectievelijk “scouting and acting as an intermediary”. Partijen hebben desgevraagd geen nadere informatie over de inhoud en de omvang van de verleende diensten kunnen verstrekken, mede omdat de diensten zijn uitbesteed aan een derde, E. Deze derde en eiseres hebben de tussen hen gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd. De rechtbank zal derhalve de omschrijving in de overeenkomsten tussen eiseres en de BVO’s tot uitgangspunt nemen bij de vaststelling van de plaats van dienst, zodat de dienst dient te worden omschreven als de bemiddeling bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen de speler en de BVO. Indien en voor zover eiseres scoutingwerkzaamheden heeft verricht, worden deze geacht ondergeschikt te zijn aan en te zijn opgegaan in de bemiddeling.

Artikel 6, lid 1, Wet OB

4.2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de plaats van de onderhavige dienst moet worden bepaald aan de hand van artikel 6, lid 1, Wet OB. Deze stelling wordt niet gevolgd. Weliswaar heeft de Hoge Raad in de uitspraak van 6 september 2002, nr. 37.389, ten aanzien van de prestaties van zaakwaarnemers geoordeeld dat deze op grond van artikel 6, lid 1, Wet OB in Nederland worden verricht, maar dit oordeel is gebaseerd op tussen de zaakwaarnemer en de buitenlandse voetbalclubs gesloten consultancy- en managementcontracten, waarin een zo grote diversiteit van verrichtingen was te onderkennen dat die activiteiten aanzienlijk meer behelsden dan enkel advisering (artikel 6, lid 2, onderdeel d, Wet OB) of bemiddeling (artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB). Van een dergelijke diversiteit van verrichtingen is in het geval van eiseres geen sprake nu in de onderhavige contracten enkel wordt gesproken van “die Vermittlung des Spielers” of “scouting and acting as an intermediary”. Dat meer werkzaamheden zijn verricht, is gesteld noch gebleken.

Artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet OB

4.3. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de plaats van dienst moet worden bepaald aan de hand van artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet OB. Met deze bepaling is uitvoering gegeven aan artikel 9, lid 2, sub e, derde gedachtestreepje, Zesde richtlijn. Ten aanzien van deze bepaling heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) in zijn arrest van 16 september 1997, C-145/96 (Von Hoffmann) geoordeeld dat deze bepaling betrekking heeft op de diensten die hoofdzakelijk en gewoonlijk door de daarin genoemde beroepsbeoefenaren worden verricht en dat van een in deze bepaling bedoelde andere soortgelijke dienst sprake is indien een dienst hetzelfde doel heeft als een van die diensten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de dienst van eiseres een dienst is welke hoofdzakelijk en gewoonlijk door de in artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet OB genoemde beroepsbeoefenaren wordt verricht. Het beroep van “bemiddelaar bij het sluiten van (arbeids)contracten” wordt in voornoemde bepaling niet genoemd. Evenmin kan worden gezegd dat de dienst van eiseres hetzelfde doel heeft als een dienst welke hoofdzakelijk en gewoonlijk in het kader van de in artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet OB genoemde beroepen wordt verricht. Dat een beëdigd advocaat op grond van artikel 1, lid 2, onderdeel b, reglement spelersmakelaars als bemiddelaar mag optreden zonder gelicentieerd spelersmakelaar te zijn, maakt dit niet anders. De werkzaamheden van een spelersmakelaar behoren niet tot de activiteiten die een advocaat hoofdzakelijk en gewoonlijk verricht. Gelet op het vorenstaande behoort bedoelde dienst, nu deze evenmin is aan te merken als het verwerken of verschaffen van informatie, niet tot de in artikel 6, lid 2, onderdeel d, onder 3, Wet OB bedoelde diensten.

Artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB

4.4.1. Zoals hiervoor onder 4.1 overwogen dient de dienst van eiseres te worden omschreven als de bemiddeling bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen de speler en de BVO. In het arrest van 27 mei 2004, C-68/03 (Lipjes) heeft het HvJ EG geoordeeld dat artikel 28ter, E, lid 3, Zesde richtlijn, op welke bepaling artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB is gebaseerd, slechts betrekking heeft op de bemiddeling bij de intracommunautaire transacties met goederen. Dit oordeel heeft het HvJ EG gebaseerd op de omstandigheid dat artikel 28ter onderdeel uitmaakt van hoofdstuk XVIbis met het opschrift “Overgangsregeling voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten”. De rechtbank is, hoewel de onderhavige diensten geen betrekking hebben op intracommunautaire transacties met goederen, van oordeel dat de plaats van de bemiddelingsdiensten van eiseres moet worden bepaald aan de hand van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB, en overweegt hiertoe het volgende.

4.4.2. De rechtbank stelt voorop dat zij als nationale rechter het nationale recht zoveel mogelijk conform de richtlijn, dat wil zeggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, dient uit te leggen. In beginsel brengt deze plicht mee dat de rechtbank artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB dient uit te leggen in overeenstemming met de betekenis die het HvJ EG in het arrest Lipjes aan de corresponderende bepaling in de Zesde richtlijn heeft gegeven. Deze plicht bestaat echter niet indien richtlijnconforme interpretatie zou leiden tot een uitleg contra legem of een interpretatie die zover afstaat van de wettekst dat daardoor de situatie zou ontstaan dat belanghebbenden onvoldoende in staat kunnen worden geacht om hun rechten te kennen. Het is de laatstgenoemde uitzondering die aan een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB in de weg staat. Ten eerste omdat de context, op grond waarvan het HvJ EG in de zaak Lipjes een tot intracommunautaire handelstransacties beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 28ter, E, lid 3, Zesde richtlijn, ontbreekt in de Wet OB. Ten tweede omdat noch uit de wettekst noch uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB beperkt zou zijn tot intracommunautaire handelstransacties. Gelet op het voorgaande mocht eiseres dan ook menen dat haar diensten onder de reikwijdte van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB vielen temeer nu in de huidige btw-richtlijn, die op 1 januari 2007 in werking is getreden, het door het HvJ EG als leidraad genomen onderscheid tussen het intracommunautaire handelsverkeer en het overige verkeer is vervallen.

4.5. Verweerder heeft een beroep gedaan op de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 25 augustus 2000, nr. 96/02415. Die uitspraak heeft echter betrekking op een tijdvak waarin artikel 6a, lid 3, Wet OB nog niet was ingevoerd en kan daarom niet als leidraad dienen voor de onderhavige zaak.

4.6. Op grond van artikel 6a, lid 3, onderdeel c, Wet OB dient voor de plaatsbepaling van de in geding zijnde diensten aangesloten te worden bij de plaats van de dienst waarbij bemiddeld wordt, zijnde de totstandkoming van de onder 2.2 en 2.3 genoemde arbeidscontracten. Voor die plaatsbepaling zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de plaats waar de arbeid wordt verricht, Engeland respectievelijk Duitsland, en het recht dat van toepassing is op deze arbeidscontracten, zijnde dat van Engeland respectievelijk Duitsland. Derhalve zijn ook de in geding zijnde diensten in deze lidstaten verricht en niet, zoals verweerder stelt, in Nederland. Het gelijk is dan ook aan eiseres.

4.7. Gelet op het vorenstaande is met betrekking tot de in geschil zijnde vraag het gelijk aan de zijde van eiseres. De beroepen dienen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Voorwaarde voor veroordeling in proceskosten is immers dat er door de gemachtigde, in casu de bestuurder van eiseres, aantoonbaar en daadwerkelijk kosten in rekening zijn gebracht. Dit is gesteld noch gebleken. Alsdan is geen sprake van door een derde beroepsmatig verrichte rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vernietigt de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente voor de jaren [jaartallen]

-vermindert de overige naheffingsaanslagen met respectievelijk € [bedrag] ([jaartal]), € [bedrag] ([jaartal]) en € [bedrag] ([jaartal]) en gelast dat de beschikkingen heffingsrente voor deze jaren dienovereenkomstig worden verminderd;

-gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. C.J. Hummel, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.