Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL3605

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
09/951
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Vaste kostenvergoeding voldoen niet aan voorwaarden voor vrije vergoedingen. Vertsrekte kleding en vergoede parkeerkosten terecht aangemerkt als loon. Pleitbaar standpunt levert geen avas op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/20.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/951

Uitspraakdatum: 3 februari 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: A (B B.V.),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: LH) met aanslagnummer [nummer] en dagtekening 17 oktober 2007, opgelegd ten bedrage van € 20.305, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete van 10% en een bedrag van € 2.929 aan heffingsrente.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 december 2008 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij beroepschrift van 14 januari 2009, ontvangen bij de rechtbank Den Haag op 16 januari 2009, beroep ingesteld. Het beroepschrift is op de voet van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden aan deze rechtbank.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009. Namens eiseres is daar haar gemachtigde verschenen, tot bijstand vergezeld van C. Namens verweerder is verschenen mr. D. Zowel eiseres als verweerder heeft een pleitnota voorgedragen en zij hebben exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres exploiteert een interieurinrichting- en styling adviesbureau. In het kader van deze activiteiten verzorgt eiseres de inrichting van stands op beurzen en televisiesets en treedt E op bij beurzen en televisieprogramma’s op het gebied van interieur en styling.

2.2. Eiseres heeft in de jaren 2002 tot en met 2005 vaste maandelijkse kostenvergoedingen aan haar werknemers verstrekt. Daarnaast heeft eiseres kosten vergoed op declaratiebasis en zijn door werknemers van eiseres kosten van eiseres voorgeschoten die vervolgens door eiseres aan deze werknemers zijn terugbetaald (intermediaire kosten). Naast deze kostenvergoedingen wordt door eiseres aan haar werknemers een reiskostenvergoeding verstrekt.

2.3. In de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van eiseres is opgenomen dat de vaste kostenvergoeding wordt verstrekt ten behoeve van algemene kosten en kleine uitgaven, welke zich niet voor gespecificeerde declaratie lenen. Gedurende de periode dat de werknemer geen arbeid verricht wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of wegens op non-activiteitstelling, kan de werknemer geen aanspraak maken op de kostenvergoeding.

2.4. Vanaf 6 september 2006 heeft verweerder op grond van door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen verstrekt mandaat, bij eiseres een looncontrole uitgevoerd. Van de bevindingen van deze looncontrole is door verweerder een rapport opgemaakt met dagtekening 31 juli 2007. Naar aanleiding van deze looncontrole heeft verweerder de door eiseres aan haar werknemers verstrekte vaste kostenvergoeding deels als ‘bovenmatig’ aangemerkt. Daarnaast zijn van de gedeclareerde kosten, de door eiseres vergoede kosten voor kleding en schoeisel en parkeerkosten aangemerkt als loon. In het rapport is ter zake het volgende opgenomen:

“De werkgever heeft de volgende (vaste) kostenvergoeding(en) verstrekt:

- algemene kosten vergoeding en

- reiskostenvergoeding.

De volgende onkosten vergoedingen zijn verstrekt;

- Mevrouw F - functie account manager uit dienst 30 januari 2004.

In de arbeidsovereenkomst staat onder artikel 6 - onkosten het volgende.

1. Werkgever zal maandelijks de door de werknemer in het belang van werkgever gemaakte onkosten vergoeden op basis van door de werknemer ingediende gespecificeerde declaraties en bescheiden, een en ander indien en voorzien voor het maken van deze onkosten de voorafgaande toestemming van de werkgever is verkregen.

2. Daarnaast betaalt werkgever maandelijks een bedrag van € 113,45 netto ter vergoeding van algemene onkosten en kleine uitgaven, welke zich niet voor gespecificeerde declaraties lenen. Dit bedrag kan ten allen tijde door werkgever worden aangepast.

Aangetroffen declaraties.

Declaratie februari / maart 2003. Gedeclareerd worden onder andere een fotorolletje ad € 2,29 kiosk RAI ad € 12,60 parkeerkaarten RAI ad € 10,00 en € 20,00 catering ad € 11,20 houtsnippers ad € 21,38 een vest ad € 99,95 en een broek ad € 69,95. Het vest en de broek kunnen niet als werkkleding worden aangemerkt en vormen derhalve loon.

De parkeer kosten zijn naast de maximaal onbelaste kilometervergoeding onbelast betaald.

Vergoedingen voor reiskosten die naast de maximaal onbelaste kilometervergoeding worden betaald zijn loon.

Naast de maximaal onbelaste kilometervergoeding is er middels het declaratie formulier over de maand februari 2003 een parkeerboete gedeclareerd en onbelast vergoed. Geldboeten kunnen niet onbelast aan de werknemer worden vergoed.

Mevrouw F is arbeidsongeschikt gedurende de periode 16 oktober 2001 tot en met 4 februari 2002, derhalve januari 2002 als geheel bovenmatig aan te merken.

In 2002 heeft mevrouw F in plaats van op 4 dagen per week gedurende 3 dagen per week gewerkt, waarbij wel het loon is aangepast maar niet de onbelaste vergoeding.

Als bovenmatig aan te merken over 2002 en 2003 per jaar netto € 1.200,00.

- Mevrouw G - functie commercieel administratief medewerkster.

Vergoeding van algemene kosten en kleine uitgaven € 113,45 per maand. Vanaf mei 2004 is de vergoeding € 125,00 netto per maand en met ingang van september 2005 is er sprake van een vierdaagse werkweek waarbij het salaris naar beneden wordt bijgesteld. De onbelaste vergoeding blijft echter ongewijzigd.

In de arbeidsovereenkomst van 1 okt 2001 staat onder andere onder onkosten; de werkgever betaalt maandelijks een bedrag van dfl 250,-- netto ter vergoeding van algemene kosten en kleine uitgaven, welke zich niet voor gespecificeerde declaraties lenen. Dit bedrag kan te allen tijde door werkgever worden aangepast.

In mei 2004 mei wordt de vergoeding verhoogd van € 113,45 naar € 125,00.

Met ingang van september 2005 gaat mevrouw G 17,33 dagen per maand (4 dagen per week ) werken in plaats van 5 dagen per week, waarbij wel het loon is aangepast maar niet de onbelaste vergoeding.

Als bovenmatig aan te merken over de jaren 2002 tot en met 2005 per jaar netto € 1.200,00.

Mevrouw H € 113,45 per maand met een arbeidspatroon van 1 dag per week. In mei 2004 wordt de vergoeding opgetrokken naar € 125,00. Mevrouw H heeft het max premieloon in de gecontroleerde jaren reeds bereikt.

- I produktie assistent.

Uit dienst op 22 maart 2002.

Gedeclareerd onder andere in 2002 een pizza ad € 10,50 nota van de chinees ad € 10,00 en de mobiele telefoonnota. Vergoeding nagenoeg geheel ( 90 % ) als bovenmatig aan te merken.

- Mevrouw J € 113,45 per maand 4 dagen per week. In mei 2004 wordt de vergoeding

opgetrokken naar € 200,00.

Aangetroffen declaraties.

De declaratie 7 september 2002 tot en met 16 oktober 2002. Gedeclareerd worden onder andere parkeergeld ad € 3,00 en € 7,50 autowasserette ad € 7,50 twice woonmall ad € 3,10 en € 3,00 een Libelle (tijdschrift) ad € 3,75 en Rosenberg tijdschriften ad € 23,60 new Delhi ad € 7,20 schoenen ad € 129,95 en mode kleding ad € 309,85.

De declaratie van 4 januari 2003 tot en met 4 maart 2003. Gedeclareerd worden onder andere

parkeergelden ad € 2,00, € 2,80, € 3,00 autowassen ad € 8,00 catering RAI ad € 12,50 brasserie woonmall ad € 15,10 en BCC videobanden ad € 11,95.

Declaratie 7 maart 2003 tot en met 29 maart 2003. Gedeclareerd worden onder andere parkeergeld ad €7,00 Blokker kaarsen ad € 2,79 AH boodschappen ad € 13,15 catering RAI ad € 5,40 foto’s ad € 16,70 Sandwichshop ad € 25 kleding ad € 204,90 en schoenen ad € 225,00.

Declaratie 8 oktober 2003 tot en met 26 november 2003. Gedeclareerd worden onder andere

autowassen ad € 8,50 Douglas relatiegeschenk ad € 120,37 en Bart Smit relatiegeschenk ad € 44,95.

Declaratie juli-augustus 2004. Gedeclareerd worden onder andere autowassen ad € 8,00 en

abonnement Tiscali ad 19,94 per maand.

Declaratie maart/april 2005. Gedeclareerd worden ander andere kantoorartikelen ad € 6,40 lunch ad

€ 8,75 en een printer ad € 104,99.

Declaratie april/mei 2005. Gedeclareerd worden ander andere kantoorartikelen ad € 41,70

parkeergeld ad € 6,00 en autowassen ad € 10,50.

Declaratie december 2005. Gedeclareerd worden ander andere de kosten Tiscali ad € 19,94 per maand, gedeclareerd worden de maanden februari tot en met december. Mevrouw J heeft het max premieloon in de gecontroleerde jaren reeds bereikt.

- De heer K een vergoeding van € 181,51 ( hfl 400,00 ) per maand.

De heer K is ziek vanaf 11 februari 2003 en is daarna slechts op basis van arbeidstherapie werkzaam. Vergoeding nagenoeg geheel ( 90 % ) als bovenmatig aan te merken.

- Mevrouw L - officemanager vergoeding € 50,00 per maand in dienst 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005. Vergoeding nagenoeg geheel ( 90 % ) als bovenmatig aan te merken.

- Mevrouw M - officemanager vergoeding € 50,00 per maand.

Gedeclareerd € 10,00 met als omschrijving mobiele telefoon. Vergoeding nagenoeg geheel (90 %) als bovenmatig aan te merken.

Naast bovenstaande declaraties worden in de kas uitgaven aangetroffen die niet op naam staan en betrekking hebben op ander andere vakliteratuur, tijdschriften, relatiegeschenken ( bloemen ) autowassen, parkeerkosten, kantoorartikelen, aanschaf werkmateriaal, representatie, lunch en dinerkosten.”

2.5. Bij brief van 6 september 2007 heeft verweerder het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag en het opleggen van boetes aan eiseres medegedeeld. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Uit de door u overgelegde stukken blijkt dat aan een aantal werknemers een vast maandelijks bedrag is toegekend als ‘vergoeding voor algemene onkosten en kleine uitgaven’. Een dergelijke omschrijving is echter ontoereikend om te kunnen stellen dat de vergoeding is gespecificeerd naar aard en omvang. Nu niet kan worden opgemaakt voor welke kostensoorten of kostencategorieën en tot welke bedragen de vergoeding is bestemd, zal ik aansluiten bij de conclusie van de controlerend ambtenaar en de vergoeding nagenoeg geheel (dus voor 90%) als bovenmatig aanmerken. De vergoeding dient in zoverre als loon te worden aangemerkt. Hieronder heb ik per werknemer de hoogte van de bovenmatige vergoeding vermeld, waarbij voor zover van toepassing rekening is gehouden met tussentijdse verhogingen van de kostenvergoeding, datum van indiensttreding en datum van uitdiensttreding

2002 Bovenmatige vergoeding

- Mevrouw F € 1.200

- Mevrouw G € 1.200

- Mevrouw H € 1.200

- Mevrouw I € 244

- Mevrouw J € 1.200

- De heer K € 1.960

2003

- Mevrouw F € 1.200

- Mevrouw G € 1.200

- Mevrouw H € 1.200

- Mevrouw J € 1.200

- De heer K € 1.960

2004

- Mevrouw F € 100 (uit dienst per 30 januari 2004)

- Mevrouw G € 1.380 (vergoeding vanaf mei 2004 € 125 per maand)

- Mevrouw H € 1.380 (vergoeding vanaf mei 2004 € 125 per maand)

- Mevrouw J € 1.848 (vergoeding vanaf mei 2004 € 200 per maand)

- De heer K € 1.960

- Mevrouw L € 405 (in dienst per 1 april 2004)

2005

- Mevrouw G € 1.350

- Mevrouw H € 1.350

- Mevrouw J € 2.160

- De heer K € 1.960

- Mevrouw L € 135 (uit dienst per 31 maart 2005)

- Mevrouw M € 360 (in dienst per 1 mei 2005)

Gedeclareerde kosten

Uit de verschillende declaratieformulieren valt op te maken dat ook de kosten voor de aanschaf van kleding (en schoeisel) zijn vergoed. Nu niet gebleken is dat deze kleding in fiscale zin is aan te merken als werkkleding dient de vergoeding te worden belast als loon.

2002 Te belasten vergoeding kleding

- Mevrouw J € 439

2003

- Mevrouw J € 429

- Mevrouw F € 169

Voorts is gebleken dat aan mevrouw F parkeerkosten zijn vergoed, ondanks het feit dat reeds de maximaal onbelaste kilometervergoeding (€ 0,28 per kilometer) was betaald. Vergoedingen voor reiskosten die naast de maximaal onbelaste kilometervergoeding worden betaald zijn loon.

2003 Te belasten parkeerkosten

- Mevrouw F € 30

Boete

Tevens ben ik voornemens een verzuimboete op te leggen. Deze boete is gebaseerd op artikel 67c van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen en §24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 en bedraagt 10% van de verschuldigde belasting (met een maximum van € 4.537). Er is namelijk niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaald, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Nu de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting betrekking heeft op tijdvakken die in meer kalenderjaren vallen, zal de verzuimboete per kalenderjaar worden opgelegd.

Op grond van de in de bijlage vermelde gegevens wordt de boete als volgt:

2002 10% x €5.055 = € 505

2003 10% x €5.141 = € 514

2004 10% x €4.891 = € 489

2005 10% x €5.218 = € 521

Totaal € 2.029”

2.6. Overeenkomstig hetgeen onder 2.5 is opgenomen heeft verweerder de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vastgesteld.

2.7. Bij brief van 1 september 2008 heeft eiseres diverse kopieën van administratieve bescheiden en gegevens aan verweerder gezonden. Onder deze stukken bevinden zich diverse arbeidsovereenkomsten, diverse kilometer- en declaratieformulieren, een specificatie van de vaste maandelijkse kostenvergoeding van mevrouw J en mevrouw H en een handgeschreven opsomming van uitgaven met kopieën van bonnen van deze twee werknemers.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is het antwoord op de vragen in geding of de door eiseres aan haar werknemers toegekende vaste kostenvergoedingen als vaste vrije vergoeding als bedoeld in artikel 15d van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) kunnen worden aangemerkt, of de vergoeding van kleding en parkeerkosten terecht is aangemerkt als loon en of sprake is van een pleitbaar standpunt van de zijde van eiseres.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en boetebeschikking.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Vaste vergoedingen

4.1.1. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet LB (tekst vanaf 2001) behoren niet tot het loon: vergoedingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens hoofdstuk IIA van die wet gestelde normeringen en beperkingen (vrije vergoedingen).

4.1.2. Artikel 15, aanhef en onderdeel a, Wet LB bepaalt dat sprake is van vrije vergoedingen voor zover de vergoedingen kunnen worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

4.1.3. Artikel 15d, Wet LB vermeldt dat vaste vergoedingen slechts als vrije vergoedingen kunnen worden aangemerkt voor zover is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels zijn opgenomen in artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001).

4.1.4. Artikel 47 URLB 2001 stelt als voorwaarden dat de vaste vergoeding per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten is gespecificeerd, alsmede dat daaraan – op verzoek van de inspecteur – een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

4.1.5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat een kostenvergoeding terecht onbelast is verstrekt op eiseres rust en dat in beginsel voorafgaand aan de verstrekking van een vaste vergoeding de kosten per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten dienen te worden gespecificeerd (vergelijk HR 7 maart 2008, nr. 41 623, V-N 2008/15.18).

4.1.6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres slechts van haar werknemers J en H een specificatie van de verstrekte vaste vergoeding heeft overgelegd. Ter zitting heeft eiseres dienaangaande ook verklaard dat voor de vaste vergoedingen die aan de overige werknemers zijn verstrekt geen specificaties zijn opgemaakt naar aard en veronderstelde omvang van de kosten en dat deze vergoedingen zijn verstrekt op basis van de onderbouwing van de vaste vergoeding van de werknemers J en H. Een dergelijke onderbouwing en specificatie van een vaste vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De vaste vergoedingen van vorenbedoelde werknemers, anders dan de twee met name genoemde, zijn derhalve in het geheel niet gespecificeerd naar aard en veronderstelde omvang van de kosten.

4.1.7. De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde specificaties voor haar werknemers J en H niet blijkt dat zij, alvorens tot het verstrekken van de onbelaste vergoeding is overgegaan, een specificatie naar aard en veronderstelde omvang heeft opgesteld. Deze in artikel 47 URLB 2001 genoemde specificatie dient vóóraf en op eigen initiatief van de inhoudingsplichtige te worden opgemaakt, uiterlijk op het moment waarop deze vergoeding voor het eerst aan de werknemer wordt uitbetaald. Dit geldt ook wanneer verweerder niet om het in hetzelfde artikel bedoelde steekproefsgewijze onderzoek heeft verzocht. Uit de door eiseres overgelegde specificaties, die gezamenlijk op één pagina zijn opgenomen, blijkt – bij gebreke van een dagtekening – op geen enkele wijze dat deze vóór de eerste verstrekking van de vergoeding aan deze twee werknemers is opgemaakt. Voorts heeft verweerder de desbetreffende specificaties tijdens de controle niet in de administratie van eiseres aangetroffen en bevatten de specificaties een hoger bedrag aan vaste vergoeding dan feitelijk aan de beide werknemers is uitbetaald.

4.1.8. Eiseres heeft derhalve niet voldaan aan de in de Wet LB genoemde voorwaarden voor het onbelast verstrekken van vaste kostenvergoedingen.

4.1.9. De rechtbank overweegt vervolgens dat een inhoudingsplichtige onder bepaalde voorwaarden ook op andere wijze mag aantonen dat de vaste kostenvergoeding ziet op werkelijk ten behoeve van de dienstbetrekking gemaakte kosten. Eiseres heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt – bijvoorbeeld door het overleggen van bonnen, facturen en daarmee vergelijkbare bewijsstukken – dat haar werknemers de kosten waarvoor een vaste vergoeding is gegeven, metterdaad en in die omvang hebben gemaakt en, zo zij al kosten gemaakt hebben, dat zij deze gemaakt hebben voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Eiseres verwijst in dit verband naar een steekproefsgewijs onderzoek gehouden in 1997 en 1998. Nog daargelaten dat het een onderzoek uit 1997 en 1998 betreft, is van een dergelijk onderzoek geen verslaglegging overgelegd, zodat voor de rechtbank niet inzichtelijk is wat de resultaten van dit onderzoek zijn geweest. Eiseres heeft derhalve niet aangetoond dat de in geschil zijnde vaste vergoedingen strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon.

Kleding

4.2.1. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Wet LB behoren niet tot het loon: verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren, een en ander volgens de in of krachtens de artikelen 17 en 17a Wet LB gestelde normeringen en beperkingen (vrije verstrekkingen).

4.2.2. Artikel 17 Wet LB bepaalt dat sprake is van vrije verstrekkingen voor zover de verstrekkingen kunnen worden geacht te strekken tot voorkoming van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking dan wel - voor zover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet LB is artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, Wet LB daarbij van overeenkomstige toepassing. Met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels, kan de verstrekking van werkkleding derhalve belastingvrij geschieden.

4.2.3. Artikel 24 URLB 2001 bepaalt dat kleding slechts als werkkleding wordt aangemerkt indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen dan wel is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm² (hierna: de 70 cm²-eis).

4.2.4. Niet in geschil is dat de verstrekte kleding niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te dragen. Evenmin is in geschil dat de verstrekte kleding niet voldoet aan de 70 cm²-eis. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat de kleding aangemerkt dient te worden als vrije verstrekking omdat deze op de werkplek blijft. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.2.5. Artikel 56 URLB bepaalt in dit verband dat tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de door eiseres verstrekte kleding niet aan deze voorwaarde. Ter zitting heeft eiseres immers verklaard dat de desbetreffende kleding waarschijnlijk in sommige gevallen ook wel door de werknemers mee naar huis wordt genomen. Mitsdien is er geen sprake van kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht. Dat de kleding volgens eiseres doorgaans wel op het bedrijfsadres achterblijft doet hier niet aan af. De rechtbank overweegt hierbij voorts dat eiseres met haar werknemers niet contractueel heeft vastgelegd dat de kleding op het bedrijfsadres dient te blijven noch dat het niet is toegestaan dat de kleding privé wordt gedragen. Voorts is tijdens de controle geen administratie van de desbetreffende kleding aangetroffen en kon de aanwezigheid van de kleding op het bedrijfsadres evenmin worden vastgesteld.

Parkeerkosten

4.3.1. Artikel 15b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet LB bepaalt dat tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van vervoer met het oog op de uitoefening van de dienstbetrekking met een maximum van € 0,28 per kilometer (tekst 2002). Deze maximalisering van de vrije vergoeding tot een bedrag van € 0,28 per kilometer heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op alle kosten die verband houden met het vervoer in vorenbedoelde zin. Dat betekent dat naast de vergoeding van € 0,28 per kilometer geen belastingvrije vergoeding van parkeergeld kan worden verstrekt. De rechtbank wijst hierbij op het Besluit van 15 maart 2001, nr. CPP2001/86M, BNB 2001/265 waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“Onder het normbedrag van € 0,27 (ƒ 0,60) vallen alle kosten die ‘verband houden met’ vervoer per auto (de zogenaamde integrale autokosten). Tijdens de parlementaire behandeling is uitdrukkelijk medegedeeld dat het normbedrag mede bestrijkt de kosten van bijvoorbeeld stalling (garage) en van het transport van de auto door een ander vervoermiddel zoals een veerboot (MvT Wet van 27 april 1989, Stb. 123, Kamerstuk 20 873, nr. 3, blz. 30).

Ook parkeer- en tolgelden behoren naar mijn mening tot die kosten.

(…)

Aan een forfaitaire regeling als deze is onverbrekelijk verbonden dat de werkelijke kosten belangrijk kunnen verschillen met de norm. Dit gevolg heeft de wetgever beoogd en om doelmatigheidsredenen aanvaard. Tijdens de parlementaire behandeling van de voorstellen van de Commissie-Oort is dan ook geen grensbedrag voor parkeer-, tol- en veergelden genoemd waarover loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd is.”

4.3.2. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de door eiseres verstrekte vergoeding van door haar werknemers betaalde parkeergelden terecht is aangemerkt als loon. Dat deze parkeergelden in een aantal gevallen zeer hoge bedragen betreffen doet aan het voorgaande niet af.

Boete

4.4.1. Ingevolge artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan, indien de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, een verzuimboete worden opgelegd. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) of een pleitbaar standpunt dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Eiseres heeft dienaangaande gesteld dat zij gelet op de aangevoerde argumenten beschikt over een pleitbaar standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank levert enkel een pleitbaar standpunt geen gerechtvaardigd beroep op avas op. Overige feiten en omstandigheden die een geslaagd beroep op avas zouden kunnen rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door een belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat de belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een pleitbaar standpunt nu door eiseres onvoldoende onderbouwing is gegeven aan de door haar verstrekte vaste vergoedingen, de verstrekte kleding niet blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht en de parkeerkosten, naar uit het hiervoor in 4.3.1 genoemde besluit van 15 maart 2001 volgt, zijn begrepen in de vrije vergoeding per kilometer. De rechtbank acht de opgelegde boete van 10 % passend en geboden.

4.4.2. De rechtbank dient nog wel te onderzoeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Verweerder heeft op 6 september 2007 aan eiseres kennisgeving gedaan van zijn voornemen de onderhavige boete op te leggen. Thans wordt 2 jaar en 5 maanden na voormelde kennisgeving uitspraak gedaan. Uit de gedingstukken blijkt echter dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een zo lange duur van de behandeling van de zaak rechtvaardigen. Eiseres heeft op 29 november 2007 een pro forma bezwaarschrift ingediend dat zij eerst na 3 verzoeken tot verlenging van de termijn van haar zijde, na ruim 4 maanden op 11 april 2008 heeft gemotiveerd. Eiseres heeft voorts twee maal een verzoek tot verlenging van de termijn om te reageren op het verslag van de hoorzitting gedaan. Aldus is eerst op 16 november 2008 door eiseres gereageerd op het verslag van de hoorzitting van 8 september 2008. Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding van de redelijke termijn derhalve mede te wijten aan de proceshouding van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen reden om de boete te matigen.

Compromis

4.5. Eiseres heeft gesteld dat tijdens de controle een compromisvoorstel is gedaan dat door haar nimmer is afgewezen. Als gevolg hiervan kan de correctie naar de mening van eiseres nimmer meer bedragen dan het bedrag van het compromisvoorstel. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het compromis door verweerder namens het UWV is gedaan en dat eiseres het voorstel nimmer heeft geaccepteerd. Verweerder kan dan ook nimmer gebonden zijn aan het voorstel. Er bestaat ook overigens geen aanleiding om de correcties te beperken tot de in het compromisvoorstel genoemde bedragen.

Heffingsrente

4.6. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiseres niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslag geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 februari 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. H.A.M. Röell-Mulder, voorzitter, mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis en mr. T.A. de Hek , rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.