Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL1529

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
164550 /HA RK 09-159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Alhoewel aannemelijk is geworden dat in deze zaak de rechter, gelet op de door hem gekozen bewoordingen tijdens de zitting alsmede gelet op zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek, zich tegen de grens, waardoor hij jegens een partij een relevante schijn van vooringenomenheid en partijdigheid wekt, heeft bewogen, heeft hij deze grens, gezien de verklaringen van de betrokken partijen en het proces-verbaal van de zitting en marginaal getoetst, naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 164550 /HA RK 09-159

datum beslissing: 27 januari 2010

Op verzoek van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bleeker Beheer B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mitt Rotterdam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekers,

advocaat mr. C.M. Kan te Haarlem.

1. Procesverloop

1.1 Bij schriftelijk verzoek van 1 december 2009 hebben verzoekers de wraking verzocht van [de rechter] in de bij deze rechtbank, sector civiel, aanhangige zaak met zaaknummer 156816 / HA ZA 09-583 (hierna te noemen: de hoofdzaak.)

1.2 De rechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. De rechter heeft niet berust in de wraking. De wederpartij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de wrakingskamer.

1.3 Verzoekers, de wederpartij en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 19 januari 2010. Namens verzoekers is [A] verschenen, bijgestaan door mr. Kan voornoemd. De wederpartij en de rechter hebben, na voorafgaand bericht, van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. Het standpunt van verzoekers

2.1 Verzoekers hebben ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd, dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter als gevolg van zijn persoonlijke instelling en houding tijdens de comparitie van partijen in de hoofdzaak op 25 november 2009. Volgens verzoekers had de rechter zich voorafgaand aan de zitting reeds een oordeel over de zaak gevormd en liet hij tijdens de zitting nauwelijks nog ruimte voor een andere uitkomst van de zaak dan een voor verzoekers nadelige. Volgens verzoekers heeft de rechter zich tegenover hen bijzonder negatief opgesteld, terwijl de stellingen van de wederpartij, zelfs nieuwe stellingen, schijnbaar kritiekloos als feit zijn aanvaard. Dit blijkt volgens verzoekers onder meer uit de door de rechter gekozen bewoordingen ter zitting, zoals “Ik vind de vordering zo - zo - zo - zo slecht onderbouwd”, alsmede uit de verdere gang van zaken tijdens de comparitie. Verzoekers kregen tijdens de comparitie geen gelegenheid stukken over te leggen, terwijl de rechter bij aanvang van de comparitie nog wel interesse toonde in die stukken, en evenmin zijn zij ter zitting, dan wel na de zitting bij akte of conclusie, in de gelegenheid gesteld te reageren op de nieuwe stellingen van de wederpartij, aldus verzoekers.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend.

3.2 Gesteld noch gebleken zijn feiten en omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke opstelling van de rechter, grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.3 Verzoekers hebben echter gesteld dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter als gevolg van zijn persoonlijke instelling en houding tijdens de comparitie van partijen.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verzoekers aangevoerde omstandigheden niet van dien aard dat zij een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekers vooringenomenheid koestert. Daartoe is het volgende redengevend.

3.5 In een civiele procedure staat het de rechter op zich vrij om tijdens een comparitie van partijen op basis van het aan hem voorgelegde dossier een voorlopig oordeel te geven over de zaak. Voorts staat het de rechter vrij om zijn voorlopig oordeel ter comparitie te toetsen, ook door aan partijen (kritische) vragen te stellen, waarbij de rechter vervolgens ook kenbaar mag maken dat hij, op basis van hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht, vooralsnog bij zijn ‘voorlopig oordeel’ over de zaak blijft. Deze grote rechterlijke vrijheid brengt met zich dat de rechterlijke onpartijdigheid niet snel in het geding zal komen.

3.6 Desalniettemin kan zich een situatie voordoen waarbij de rechter, door de gekozen bewoordingen van zijn voorlopige oordeel over de zaak, al dan niet gepaard gaand met lichaamstaal, tijdens de zitting een grens passeert waardoor hij jegens een partij wel een relevante schijn van vooringenomenheid en partijdigheid wekt. Of de rechter een dergelijke schijn van vooringenomenheid heeft gewekt, kan achteraf slechts marginaal worden getoetst aan de hand van de verklaringen van alle betrokken partijen en het proces-verbaal van de zitting. Alhoewel aannemelijk is geworden dat in deze zaak de rechter, gelet op de door hem gekozen bewoordingen tijdens de zitting alsmede gelet op zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek, zich tegen die grens heeft bewogen, heeft hij deze grens, gezien de verklaringen van de betrokken partijen en het proces-verbaal van de zitting en marginaal getoetst, naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden.

3.7 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.C. Monster, voorzitter, en mrs. Th. S. Röell en A.J. van der Meer, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010 in tegenwoordigheid van mr. V.J.M. Goldschmeding als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.