Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL0980

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
159756 - FA RK 09-2422
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing. Het belang van [naam minderjarige] bij duidelijkheid over de continuïteit van haar opvoedingssituatie en bij een ongestoord hechtingsproces weegt zwaarder dan de op zich zelf begrijpelijke wens van de moeder om het gezag in stand te houden als middel om contact met [naam minderjarige] te houden. De moeder heeft , ook na ontheffing, recht op contact en de pleegouders hebben ter zitting benadrukt dat de deur voor moeder altijd open staat als zij contact met [naam minderjarige] wil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ontheffing

zaak-/rekestnr.: 159756 / FA RK 09-2422

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 19 januari 2010

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

tegen

[naam moeder]

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de moeder.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 21 juli 2009 ingekomen op 22 juli 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2009 in aanwezigheid van partijen, de Raad, vertegenwoordigd door de heer W.J. Daalderop, de moeder, de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, hierna te noemen: de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw D. van der Meijden, de heer en mevrouw [naam], pleegouders.

1.3 De minderjarige [naam minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in raadkamer gehoord.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Uit het huwelijk van de moeder en [naam vader] (hierna: de vader) is geboren de minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats].

2.2 Het huwelijk van de moeder en [naam vader] is door echtscheiding ontbonden.

De moeder is bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 1995 belast met het eenhoofdig gezag over deze minderjarige.

2.3 Bij beschikking van de kinderrechter te Haarlem van 5 juli 1995, is deze minderjarige onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 21 juni 2010.

2.4 De minderjarige is op grond van een machtiging uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter te Haarlem op 10 augustus 1999 uit huis geplaatst. De machtiging is telkens verlengd en eindigt thans op 21 juni 2010.

3 Verzoek

Het verzoek strekt tot ontheffing van de moeder van het gezag van voornoemde minderjarige op grond van artikel 1:266 BW jº 1:268 BW, met benoeming van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Haarlem tot voogdes.

4 Verweer

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de ontheffing. Zij heeft er ook bezwaar tegen dat de Stichting met de voogdij over [naam minderjarige] zal worden belast, omdat zij vreest dat zij dan het contact met [naam minderjarige] zal verliezen.

De moeder erkent dat [naam minderjarige] zich goed ontwikkelt bij de pleegouders en heeft er geen bezwaar tegen dat [naam minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen.

5 Beoordeling

5.1 Artikel 1:266 BW bepaalt dat de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan ontheffen op de grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daartegen niet verzet.

5.2 Volgens artikel 1:268 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij (artikel 1: 268 lid 2a BW) na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing van meer dan anderhalf jaar gegronde vrees bestaat dat deze maatregel, gelet op genoemde onmacht of ongeschiktheid, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden.

5.3 Van dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW is sprake als een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. Daarbij is niet van belang of die dreiging aan (één van) de ouders kan worden verweten.

5.4 Vooropgesteld wordt dat de rechtbank van oordeel is dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de moeder onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen, zodat het verzoek op dat punt voldoet aan het vereiste in art 1:266 BW. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij op dit moment niet in staat is om zelf belangrijke beslissingen over [naam minderjarige] te nemen.

5.5 Vervolgens dient, nu de moeder zich tegen de ontheffing verzet, de vraag te worden beantwoord of ook aan de hiervoor onder 5.2 genoemde criteria voor gedwongen ontheffing wordt voldaan.

5.6 Vaststaat dat [naam minderjarige], die nu bijna 16 is, sinds 5 juli 1995 onder toezicht staat en sinds 10 augustus 1999, dus vanaf haar 5e jaar niet meer door haar moeder wordt verzorgd en opgevoed. Sinds [datum] 2002 verblijft [naam minderjarige] in het pleeggezin [naam]. Tussen [naam minderjarige] en haar moeder is al drie jaar geen contact meer geweest.

5.7 In beginsel heeft een moeder er recht op haar kind zelf te verzorgen en op te voeden en gezag over dit kind uit te oefenen. Door de staat dienen in de situatie dat er sprake is van maatregelen van kinderbescherming, passende maatregelen te worden genomen om in het belang van de ouder en het kind een hereniging te bewerkstelligen. Wanneer echter een kind, zoals in de onderhavige procedure, vanaf zeer jeugdige leeftijd niet meer door de moeder wordt verzorgd en opgevoed en inmiddels ruim zeven jaar in een (perspectiefbiedend) pleeggezin verblijft, is het van groot belang dat het kind zich in dit pleeggezin volledig en harmonieus kan ontwikkelen. Voorwaarde daarvoor is dat er duidelijkheid bestaat over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind.

5.8 Vaststaat dat de moeder geen bezwaar heeft tegen het verblijf van [naam minderjarige] in het pleeggezin. Zij geeft aan dat zij het pleeggezin een warm en betrokken gezin vind en dat [naam minderjarige] nu misschien beter wordt opgevoed dan zij zelf zou hebben gekund. Zij betwist niet dat de aanwezigheid van haar echtgenoot het contact tussen [naam minderjarige] en haar in de weg staat en dat zij daardoor al drie jaar geen contact meer met [naam minderjarige] heeft gehad. Zij heeft ter zitting bovendien uitdrukkelijk verklaard dat er geen kans bestaat dat er op enige termijn wijziging in deze situatie zal optreden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder binnen een voor de ontwikkeling van [naam minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog de verantwoordelijkheid voor het onbedreigd opgroeien van haar dochter kan gaan dragen.

5.9 Uit het voorgaande vloeit voort dat het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van [naam minderjarige] niet bij de moeder maar in het pleeggezin ligt. Daarover zal in het belang van [naam minderjarige] duidelijkheid geschapen moeten worden wil [naam minderjarige] zich in het pleeggezin harmonieus kunnen ontwikkelen. De onzekerheid die de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voor [naam minderjarige] en de andere betrokkenen met zich brengt draagt niet bij aan die harmonieuze ontwikkeling en moet worden weggenomen..Het belang van [naam minderjarige] bij duidelijkheid over de continuïteit van haar opvoedingssituatie en bij een ongestoord hechtingsproces weegt zwaarder dan de op zich zelf begrijpelijke wens van de moeder om het gezag in stand te houden als middel om contact met [naam minderjarige] te houden. De moeder heeft , ook na ontheffing, recht op contact en de pleegouders hebben ter zitting benadrukt dat de deur voor moeder altijd open staat als zij contact met [naam minderjarige] wil.

5.10 Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam minderjarige] onvoldoende zijn om de hiervoor onder 5.3 genoemde dreiging af te wenden en dat aan de voorwaarden voor gedwongen ontheffing van het gezag over [naam minderjarige] is voldaan.

5.11 De Stichting heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij te aanvaarden.

5.12 Het verzoek van de Raad zal worden toegewezen met dien verstande dat de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Nu nog een ondertoezichtstelling van kracht is, acht de rechtbank het wenselijk de voogdij eerst te doen aanvangen na het onherroepelijk worden van de beslissing tot ontheffing. De ondertoezichtstelling vervalt dan van rechtswege.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Ontheft:

- [naam moeder],

wonende te [plaats],

van het gezag over de minderjarige [naam],

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats];

6.2 Benoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland te Haarlem;

6.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels , tevens kinderrechter, en mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. E.J. van Keken, tevens kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.P. Joukes, griffier, op 19 januari 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dien het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of adat deze hun op andere wijze bekend is geworden.