Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL0846

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/6326
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gebruik van perceel met agrarische bestemming ten behoeve van het stallen van motorvoertuigen. Handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan. Er zijn op voorhand geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van het college van burgemeester en wethouders, dat er geen sprake is van stille opslag, onjuist is.Beroep op vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 6326

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2010

in de zaak van:

Park and Fly B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. Paternotte, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

derde partij,

Schiphol Group,

gevestigd te Schiphol.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft verweerder verzoekster gelast om binnen drie maanden na verzending van het besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel Rijnlanderweg 660 te Hoofddorp te beëindigen en beëindigd te houden, hetgeen inhoudt dat verzoekster geen motorvoertuigen en eigenaren meer van het perceel aan- en af mag voeren respectievelijk motorvoertuigen mag stallen en of verzorgen, op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- ineens.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 24 november 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 december 2009 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 januari 2010, alwaar namens verzoekster [naam], mede-directeur, is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en vergezeld van [naam], verhuurder. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.W. de Groot en H.J. Verweij, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. De derde partij is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Het perceel Rijnlanderweg 660 is in december 2000 door de toenmalige eigenaar [naam] verkocht aan N.V. Luchthaven Schiphol. [naam] heeft daarbij tot en met 31 december 2010 het (persoonlijk) recht om het perceel te blijven gebruiken “conform de thans bestaande wijze” bedongen. Verzoekster heeft het perceel gehuurd van [naam] en is vanaf mei 2006 actief op het perceel. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het stallen van voertuigen van personen die via de luchthaven Schiphol reizen, zowel in de op het terrein aanwezige loods als op het terrein zelf, en het vervoeren van de reizigers van en naar de luchthaven.

2.3 Op de desbetreffende gronden rust op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Schiphol-West en omgeving” de bestemming “Agrarische handels- en hulpbedrijven”.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor agrarische handels- en hulpbedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 t/m 3 van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het zevende lid wordt tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend:

a. de uitoefening van detailhandel met uitzondering van de verkoop van producten van het eigen bedrijf;

b. het opslaan van goederen, stoffen of materialen, waarvan de aanwezigheid voor de bedrijfsvoering niet noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de binnen het plan gelegen gronden of de bouwwerken te gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens het plan toelaatbaar is.

Ingevolge het derde lid verlenen burgemeester en wethouders van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatig gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt.

2.4 Niet in geschil is dat er geen sprake is van agrarische opslag, zodat het huidige gebruik van het perceel door verzoekster in strijd met het bestemmingsplan moet worden geacht. Verweerder was dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6 Verzoekster betoogt dat er sprake is van zogeheten “stille opslag”. Op grond van de Nota Handhaving gebruiksvoorschriften bestemmingsplannen (hierna: de Nota) d.d. april 2000 van verweerder wordt tegen een dergelijk gebruik niet handhavend opgetreden.

2.7 In de Nota wordt onder beslispunt 4 op pagina 48 onder stille opslag verstaan: het voor langere tijd uitsluitend bewaren van goederen zonder dat die opslag gepaard gaat met enigerlei bedrijvigheid ter plaatse; de goederen mogen dus niet worden onderhouden, verpakt, bewerkt of verhandeld, zodat er ook geen noodzaak is dat er mensen ter plaatse aanwezig zijn. Het aantal verkeersbewegingen moet dan ook uiterst beperkt zijn.

2.8 Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat er geen sprake is van stille opslag omdat er sprake is van een voortdurende aan- en afvoer van auto’s en personen (7 dagen per week gedurende 24 is het bedrijf geopend) en omdat de opslag deels buitenopslag is. Ook vindt verweerder de verkeersaantrekkende werking te groot. Verweerder geeft dan ook aan niet te willen meewerken aan het verlenen van ontheffing van het bestemmingsplan. Verweerder stelt zich gelet op het vorenstaande op het standpunt dat er geen sprake is van een concreet uitzicht op legalisatie.

2.9 Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er op voorhand geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van verweerder onjuist is. Hierbij is van belang de aard en omvang van het bedrijf, waarbij sprake is van een 24-uurs service, alsmede de verkeersbewegingen van- en naar het bedrijf. Er is niet alleen sprake van de verkeersbewegingen van de auto’s van klanten, maar ook van de shuttlebus waarmee meermalen per dag klanten van- en naar de luchthaven worden vervoerd, alsmede de verkeersbewegingen van auto’s naar derde bedrijven waar desgewenst nog diensten worden verricht aan de auto. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vaststelling dat sprake is van een verkeersaantrekkende werking, kan worden gedaan zonder verkeerskundig onderzoek.

2.10 Voorts is niet in geschil dat het perceel op grond van de Nota is gesitueerd in een gebied dat in mindere of meerdere mate zijn agrarische functie zal verliezen in de structuurplanperiode maar eventueel ook later. Op grond van de Nota zijn in dergelijke gebieden, bij agrarische bedrijfsbeëindiging activiteiten bespreekbaar die in relatie kunnen worden gebracht met de agrarische functie van het gebied. Het moet dan gaan om activiteiten die agrarisch getint zijn of verweven zijn de agrarische functie of het gebied. Uit hetgeen hierboven is overwogen blijkt reeds dat hieraan in dit geval niet wordt voldaan.

2.11 Gelet op het vorenstaande is, naar voorlopig oordeel, geen sprake van concreet zicht op legalisatie.

2.12 Verzoekster betoogt voorts dat er al vanaf 1973 niet-agrarische diensten en werkzaamheden worden verricht op het perceel, waartegen verweerder nooit handhavend heeft opgetreden. Zij heeft hiertoe een lijst met namen van aldaar gevestigde bedrijven overgelegd. Ten aanzien van een eerder in 2007 ter plaatse gevestigd bedrijf (Sinocat, sloop en sorteerbedrijf) is zelfs een milieuontheffing verleend en voorts geldt voor een deel van het terrein een vergunning voor het scheiden van afval hetgeen ook niet als agrarisch kan worden aangemerkt. Verzoekster stelt zich gelet op het vorenstaande op het standpunt dat verweerder sinds geruime tijd niet agrarische werkzaamheden op het perceel heeft gedoogd, zodat handhavend optreden ten aanzien van verzoekster als onevenredig moet worden aangemerkt.

2.13 De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om de juistheid in twijfel te trekken van de mededeling van verweerder, zoals ter zitting gedaan, dat genoemde activiteiten ter plaatse bij verweerder merendeels niet bekend waren mede omdat deze activiteiten niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte plaatsvonden in een loods. Los daarvan kan aan het uitblijven van handhavend optreden ten aanzien van deze activiteiten in het onderhavige geval geen rechten worden ontleend.

2.14 Voorts doet verzoekster een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijst daarvoor naar diverse bedrijven in de nabije omgeving die niet agrarisch zijn, maar waarvan de gronden wel een agrarische bestemming hebben en welke tevens zijn gesitueerd in hetzelfde bestemmingsplangebied.

2.15 Ter zitting is door verweerder aangegeven dat handhaving van genoemde bedrijven in de planning is opgenomen.

2.16 De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangedragen op voorhand dan ook geen aanleiding om een bijzondere omstandigheid aan te nemen op grond waarvan verweerder af zou moeten zien van handhavend optreden. Ook het feit dat het huurcontract van verzoekster afloopt op 31 december 2010 en verlenging niet mogelijk is, acht de voorzieningenrechter geen omstandigheid op grond waarvan handhaving op dit moment onevenredig zou moeten worden geacht.

2.17 Verzoekster betoogt voorts dat verweerder in redelijkheid niet een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de Schiphol Group bij handhaving, dan aan haar belang. Zij stelt dat de Schiphol Group de bestuursrechtelijke weg bewandelt vanwege concurrentieoverwegingen. Terwijl Schiphol Group bij de aankoop van het perceel akkoord is gegaan bij een voortgezet gebruik van het perceel voor niet-agrarische doeleinden.

2.18 Voor de onderhavige beslissing, waarbij de beginselplicht tot handhaving van verweerder aan de orde is, is juridisch niet van betekenis wat is afgesproken tussen Schiphol Group en de verhuurder, alsmede welk gebruik voorzien was. Deze grond treft dan ook geen doel.

2.19 Verzoekster stelt tot slot dat de hoogte van de dwangsom onevenredig is en verzoekt voorts om verlenging van de begunstigingstermijn naar zes maanden teneinde te kunnen blijven voldoen aan reeds gemaakte afspraken.

2.20 Verweerder heeft ter zitting aangegeven de hoogte van de dwangsom te hebben afgestemd op de geschatte omzet van verzoekster. Gelet op de mededeling van verzoekster ter zitting dat de omzet sterk afwijkt van de bedragen waar verweerder vanuit is gegaan, ligt het op de weg van verweerder bij de heroverweging van het bestreden besluit nader onderzoek te doen naar de financiële situatie van verzoekster. De voorzieningenrechter acht de begunstigingstermijn van drie maanden voorts niet onredelijk. Verweerder heeft met oog op deze procedure, zoals ook ter zitting nogmaals is bevestigd, inmiddels de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Gemachtigde van verweerder heeft voorts ter zitting aangegeven met een eventuele inning van de dwangsom prudent om te gaan, in afwachting van de beslissing op het bezwaar van verzoekster.

2.21 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.22 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 25 januari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.