Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL0845

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
AWB 09/3315
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerste bericht van terugvordering (tevens primair besluit) is namens het UWV genomen. Eerst in de beslissing op bezwaar wordt aangegeven dat namens de minister van OCW wordt teruggevorderd. Beslissing op bezwaar is genomen na de termijn van twee jaar waarbinnen gestuit/teruggevorderd kan worden. Terugvordering namens een daartoe niet bevoegde instantie stuit de termijn van twee jaar niet. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/18

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 3315 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2010

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: P. Jongejan, echtgenoot van eiseres,

tegen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2007 heeft het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een bedrag van € 9317,09 aan over de periode maart 2006 tot en met februari 2007 ten onrechte verstrekte suppletie en bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van eiseres teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het terugvorderingsbedrag nader vastgesteld op € 4719,61.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 juli 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 januari 2010, alwaar de echtgenoot van eiseres is verschenen. Verweerder, hoewel daartoe op 2 december 2009 opgeroepen, is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is met ingang van 1 maart 2006 een suppletie-uitkering toegekend op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (verder: het Besluit). In dit besluit is bepaald dat het recht op suppletie niet tot uitbetaling komt voor zolang de betrokkene een WAO- of WIA-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij beslissing van maart 2007 is de uitkering van eiseres, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, met terugwerkende kracht tot 3 september 2004 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

2.2 Als gevolg van die verhoging met terugwerkende kracht is eiseres over de periode maart 2006 tot en met februari 2007 ten onrechte een bedrag aan suppletie op haar WAO-uitkering (na)betaald. Verweerder heeft het totaalbedrag aan ten onrechte betaalde suppletie over deze periode (uiteindelijk) vastgesteld op € 4719,61 bruto. Verweerder heeft met toepassing van het bepaalde in artikel 44, eerste lid van het Besluit dit bedrag bruto van eiseres teruggevorderd.

2.3 Eiseres is het met de terugvordering niet eens. Zij bestrijdt de hoogte van het ten onrechte betaalde bedrag en zij is het niet eens met een bruto terugvordering, omdat zij de bedragen ook netto heeft ontvangen.

Zakelijk weergegeven stelt eiseres dat zij in 2006 recht had op 10 x € 2454,22

(= € 24.542,20) en over 2007 recht op 12 x € 2454,22 (= € 29.450,64), zodat zij over 2006 en 2007 in totaal recht had op € 53.992,84. In 2006 is aan haar uitgekeerd

€ 26.491,81 en in 2007 is haar uitgekeerd € 29.962,59, zodat in 2006 en 2007 haar in totaal € 2.461,56 (€ 56.454,40 - € 53.992,84) bruto te veel is uitgekeerd. Eiseres stelt ter toelichting dat het Invaliditeitspensioen omhoog moet als de suppleties vervallen.

Eiseres wijst er op dat in dit overzicht nog niet de netto bedragen (€ 449,85) zijn opgenomen die zij heeft terugbetaald aan het UWV. Uitgaande van een belastingtarief van 40% komt eiseres op een netto teveel bedrag van € 1027,09. Hierbij is dan ook nog geen rekening gehouden met haar kosten en moeite als gevolg van verweerders fouten. Als voorbeelden hiervan noemt zij: het ten onrechte tenminste 1 x per week solliciteren, extra vervoerskosten, rentekosten op de creditkaart als gevolg van te late nabetaling van het aanvullend pensioen en alle tijd die is besteed aan het ontzenuwen van de ongefundeerde claims van de overheid.

2.4 Verweerder heeft geen aanleiding gezien een verweerschrift in te dienen.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Niet in geschil is dat eiseres met terugwerkende kracht tot 3 september 2004 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres was op grond van het Besluit ingaande 1 maart 2006 een suppletie toegekend.

Artikel 23 van het Besluit luidt, voor zover van belang:

“Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:

a. betrokkene een WAO-conforme uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; (…)”

2.7 Gezien het bepaalde in dit artikelonderdeel had eiseres achteraf gezien geen recht op uitbetaling van de suppletie.

2.8 Artikel 44 van het Besluit luidt, voor zover van belang:

“Het bevoegd gezag kan al hetgeen op grond van dit besluit onverschuldigd of te veel is betaald geheel of gedeeltelijk terugvorderen of in mindering brengen op een later te betalen bezoldiging of uitkering op grond van dit besluit, dan wel verrekenen met uitkeringen op grond van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, het Kaderbesluit rechtspositie HBO, het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel:

a. gedurende vijf jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien het bevoegd gezag door toedoen van betrokkene onverschuldigd heeft betaald; en

b. gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het bevoegd gezag onverschuldigd betaalde.”

2.9 Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres over de periode maart 2006 tot en met februari 2007 € 4.719,61 bruto aan suppletie ten onrechte is verstrekt. Tevens gaat verweerder ervan uit dat eiseres als gevolg van de verhoging van de WAO-uitkering gedurende die periode in totaal een nabetaling WAO/Invaliditeitspensioen heeft ontvangen van (€ 6.054,13 WAO + € 3.813,34 invaliditeitspensioen = )

€ 6260,21 bruto.

2.10 Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – verweerder heeft dit in het bestreden besluit nader toegelicht – was verweerder onder de gegeven omstandigheden bevoegd binnen twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling de ten onrechte verstrekte suppletie van eiseres bruto terug te vorderen. Verweerder is ook tot terugvordering over gegaan.

2.11 De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder daartoe wel bevoegd is. De rechtbank beseft dat onderzoek naar verweerders bevoegdheid in deze procedure niet eerder aan de orde is gekomen, maar verweerder is met het oog op het beantwoorden voor vragen ter zake door de rechtbank ter zitting opgeroepen. Door niet te verschijnen heeft verweerder zichzelf de kans ontnomen te reageren.

2.12 Verweerder en Loyalis hebben er niet voor gekozen eiseres een zogenaamde “stuitingsbrief” te sturen. Zonder daaraan voorafgaande actie heeft Loyalis bij primair besluit eiseres mededeling gedaan van de ten onrechte betaalde suppletie en besloten tot terugvordering.

2.13 De rechtbank stelt vast dat Loyalis Maatwerkadministraties (Loyalis) in dit primaire besluit van 3 september 2007 uitdrukkelijk spreekt over het instellen van een terugvordering namens het UWV. Dat het een terugvordering namens het UWV is wordt in dit besluit ook toegelicht. De terugvordering zou betrekking hebben op een door het UWV aan eiseres betaalde suppletie- en bovenwettelijke werkloosheidsuitkering over de in geding zijnde periode van € 9.317,09 bruto. Eiseres had naast verweerder ook van doen met het UWV. Met het UWV is blijkens de gedingstukken vanwege een te veel betaalde uitkering ook een betalingsregeling getroffen.

In het besluit van 3 september 2007 wordt de gehele terugvordering uitdrukkelijk namens het UWV ingesteld. Ook in de nadien met eiseres gevoerde correspondentie wordt nimmer aangegeven dat Loyalis handelt namens verweerder. Eerst in de beslissing op bezwaar merkt Loyalis op dat het primaire besluit geacht moet worden te zijn genomen namens verweerder.

2.14 Het primaire besluit, genomen namens het UWV, is voor zover het de suppletie betreft, onbevoegdelijk genomen. Het – niet door het in artikel 44 van het Besluit bedoelde bevoegde gezag genomen - besluit van 3 september 2007 stuit naar het oordeel van de rechtbank niet de termijn van twee jaren waarbinnen tot terugvordering mocht worden overgegaan.

2.15 Eerst bij de beslissing op bezwaar heeft verweerder aangegeven dat het besluit van 3 september 2007 geacht moet worden namens hem te zijn genomen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verweerder slechts doelt op dat deel van het besluit dat betrekking heeft op de suppletieregeling.

Het besluit van 2 juni 2009, zijnde de eerste mededeling tot terugvordering namens het daartoe bevoegde gezag, dateert van ruim na de periode van twee jaren na de dag van betaalbaarstelling waarbinnen verweerder tot terugvordering mocht overgaan. Wat er verder ook zij van verweerders mededeling dat het besluit van 3 september 2007 geacht moet worden namens hem te zijn genomen, die mededeling kan niet betekenen dat daarmee alsnog met terugwerkende kracht de terugvorderingstermijn van twee jaren bevoegd is gestuit. Dit heeft tot gevolg dat verweerder niet meer tot terugvordering mocht overgaan.

2.16 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien nu van dergelijke kosten niet is gebleken.

2.17 Naar aanleiding van het hetgeen namens eiseres naar voren is gebracht merkt de rechtbank ten overvloede op dat in dit geding slechts de terugvordering van de suppletie in geschil kan zijn. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiseres zich voor vergoeding van door haar gemaakte kosten als gevolg van een verkeerde beslissing van het UWV niet tot hem, maar tot het UWV dient te wenden. Hetzelfde geldt voor de grief van eiseres met betrekking tot te weinig betaalde WAO/WW (bij het UWV) en te weinig betaalde invaliditeitspensioen; hiervoor kan zij zich wenden tot het Pensioenbedrijf APG.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 11 juni 2009;

3.3 gelast dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het door eiseres betaalde griffierecht van € 150,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, rechter, en op 26 januari 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.G.J. Deckers, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.