Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL0581

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
08-7301
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Anbi-status. Vrijmetselarij is levensbeschouwelijk. Toets of algemeen belang gediend wordt ten onrechte aangelegd met betrekking tot levensbeschouwelijke activiteiten. Toets of algemeen belang gediend wordt dient over geheel van activiteiten aangelegd te worden. Niet in geschil dat activiteiten (nagenoeg) geheel levensbeschouwelijk zijn. Anbi-status derhalve ten onrechte onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/7301

Uitspraakdatum: 5 januari 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de vereniging X, statutair gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres heeft met dagtekening 27 december 2007 verzocht erkend te worden als algemeen nut beogende instelling als bedoeld in artikel 6:33, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001 (hierna: anbi). Verweerder heeft dit verzoek bij beschikking van 12 maart 2008 afgewezen.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 oktober 2008 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Eiseres heeft vóór de zitting nog nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009, alwaar deze zaak tegelijk met de zaak met nummer 08/7302 is behandeld. Als gemachtigde van eiseres is verschenen mr. A. Namens verweerder zijn verschenen B en C. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is op [datum] opgericht. In de statuten van eiseres is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"NAAM EN ZETEL

Artikel 1.

De vereniging draagt de naam: "X", bij verkorting genaamd "Orde van Vrijmetselaren D" zij wordt hierna: de Orde genoemd.

(…)

DOEL

Artikel 2.

De Orde heeft ten doel de regelmatige beoefening van voortgezette vrijmetselarij binnen E

Artikel 3.

De Orde stelt zich verder ten doel:

a. het aankweken en versterken van de onderlinge band tussen en samenwerking met alle in binnen- en buitenland arbeidende en door de Orde erkende maçonnieke lichamen,

b de bestudering van de beginselen van vrijmetselarij en hun historische ontwikkeling, en

c. het bevorderen van de toepassing van de beginselen van vrijmetselarij.

Artikel 4.

De Orde tracht haar doel langs wettige weg te bereiken door:

a. het houden van samenkomsten ter aanneming of bevordering van leden naar de gebruiken en de voorschriften van de Orde,

b. het organiseren van bijeenkomsten waarin haar beginselen worden ontvouwd en besproken en

c. aanwending van al die middelen die het doel van de Orde kunnen bevorderen.

LIDMAATSCHAP

Artikel 5.

1. Om als lid te kunnen worden aangenomen moet de kandidaat lid zijn van de Orde F of van een loge, ressorterende onder een buitenlandse, door laatstgenoemde Orde erkende grootmacht.

(…)”

2.2. In het Algemeen Reglement van eiseres is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.

(…)

2. De Orde is op [datum] opgericht. Zij is te beschouwen als een voortzetting van de op [datum] in het Koninkrijk der Nederlanden geformeerde "F".

Artikel 2.

De Orde verwacht van haar leden dat zij in het maatschappelijk leven rechtvaardigheid betrachten, naastenliefde bevorderen, verdraagzaamheid aankweken en met toewijding aan het welzijn der mensen werken.

2. De Orde eist van haar leden gehoorzaamheid aan de wetten des lands.

3. De Orde staat in de bijeenkomsten van haar leden geen twistgesprekken toe op het gebied van politiek of godsdienst.

(…)

HOOFDSTUK 3 - VAN DE LEDEN

Artikel 9.

Een kandidaat voor de Orde dient ten tijde van de indiening van het in het tweede lid bedoelde aanvraagformulier gedurende een door het bestuur van de Orde vast te stellen termijn de graad van meester-vrijmetselaar te bezitten."

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of eiseres terecht de status van anbi is onthouden.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het alsnog aanmerken van eiseres als anbi.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar het proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

bevoegdheid rechtbank

4.1. Vastgesteld moet worden dat – nu eiseres statutair gevestigd is in Z – volgens de wettelijke hoofdregel de rechtbank 's-Gravenhage, en niet de rechtbank Haarlem, bevoegd is op het onderhavige beroep te beslissen. Nu ten aanzien van het onder nummer 08/7302 ingestelde beroep de rechtbank Haarlem bevoegd is, de gemachtigde van eiseres tevens als gemachtigde in de zaak met nummer 08/7302 optreedt, eiseressen in de twee zaken gelieerde verenigingen zijn die vergelijkbare geschilpunten aan de orde hebben gesteld, en om die reden behandeling van beide zaken door één rechtbank gewenst is, zal de rechtbank Haarlem de onderhavige zaak niet doorverwijzen, maar zelf afdoen.

inhoudelijk

4.2.1. Op de voet van artikel 6.33 van de Wet IB 2001 beslist de inspecteur of een instelling kan worden aangemerkt als een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling en beslist de inspecteur op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking eventueel onder door hem te stellen voorwaarden.

4.2.2. In artikel 6.33, vierde lid, Wet IB 2001 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld voor de toepassing van het artikel. Daarvan is gebruik gemaakt in artikel 41a en verder van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: Urib 2001). In artikel 41a, eerste lid, Urib 2001 is een aantal cumulatieve kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden opgenomen, waaraan instellingen dienen te voldoen om als een anbi te kunnen worden aangemerkt. Dit artikellid luidt als volgt:

"1. Een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, indien en zolang:

a. uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling geen winstoogmerk heeft;

b. uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling het algemeen belang dient;

c. uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen; de inspecteur kan, zonodig onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen welke door deze stichting worden ondersteund, over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen;

d. de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan is aangegeven in artikel 41b;

e. de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;

f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;

g. de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;

h. uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo moet worden besteed ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, dan wel op enigerlei andere wijze waarmee het algemeen belang wordt gediend, en

i. de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:

1°. de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;

2°. de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van de werving van gelden en het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling;

3°. de aard en omvang van de inkomsten van de instelling;

4°. de aard en omvang van het vermogen van de instelling."

4.3.1. Tot aan de behandeling ter zitting was tussen partijen niet in geschil dat eiseres als een levensbeschouwelijke instelling als genoemd in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 kan worden beschouwd. Verweerder heeft eerst ter zitting (primair) de stelling ingenomen dat vrijmetselarij geen levensbeschouwing is, welke stelling eiseres gemotiveerd heeft bestreden. De rechtbank overweegt op dit punt het volgende.

4.3.2. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de vrijmetselarij van oudsher als levensbeschouwing wordt beschouwd, heeft eiseres verwezen naar de parlementaire geschiedenis van de Wet van 22 mei 1991 tot aanpassing aan de Grondwet van de giftenaftrek in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en van enige daarmee samenhangende bepalingen in andere wetten, Stb. 1991, 263 (hierna: Wet van 22 mei 1991). Bij die wet is een wettelijke basis gegeven aan de in de praktijk reeds bestaande gelijke behandeling in de giftenaftrek van giften en bijdragen aan kerkelijke instellingen en giften en bijdragen aan een instelling op levensbeschouwelijke grondslag. In de aan deze wet voorafgaande parlementaire geschiedenis wordt onder meer het volgende vermeld:

"Artikel 6, eerste lid, van de Grondwet stelt het belijden van een levensovertuiging op gelijke voet met het belijden van een godsdienst. In de al eerder genoemde memorie van toelichting (Kamerstukken II 1975-1976, 13 872, nr. 3, blz. 28, 29 en 30) wordt gesteld: '… dat in de verhouding tot de overheid tussen godsdienst en levensovertuiging geen verschil dient te worden gemaakt (…). De erkenning, dat godsdienst en levensovertuiging zowel naar aard als naar gerichtheid elk een eigen karakter vertonen, neemt intussen niet weg, dat deze verschillen voor zover betreft de waarborging van vrijheid, bescherming en staatsrechtelijke gelijkheid niet van invloed dienen te zijn…'. Voorts wordt in deze memorie opgemerkt: '…dat uit artikel 1.1 reeds voortvloeit, dat niet mag worden gediscrimineerd tussen kerken, godsdienstige gemeenschappen en genootschappen op grondslag van een levensovertuiging.'. Opgemerkt zij dat het genoemde artikel 1.1 het huidige artikel 1 van de Grondwet is. Uit het bovenstaande blijkt dat er in de verhouding tot de overheid geen ongelijkheid mag bestaan tussen kerkgenootschappen en instellingen op levensbeschouwelijke grondslag, zoals het Humanistisch Verbond en de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. De uit een en ander te trekken conclusie is dat het niet naast elkaar noemen van zowel kerkelijke als levensbeschouwelijke instellingen in de in het eerste lid van genoemd artikel 47 opgenomen opsomming van instellingen waaraan aftrekbare giften kunnen worden geschonken, alsmede de omstandigheid dat in het vierde lid van dat artikel slechts kerkelijke belastingen en niet eveneens verplichte bijdragen aan levensbeschouwelijke instellingen zijn opgenomen, op gespannen voet staat met de artikelen 1 en 6 van de Grondwet. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt beoogd de bedoelde spanning met de Grondwet in de eerste plaats op te heffen door in de opsomming van instellingen waaraan aftrekbare giften kunnen worden geschonken ook levensbeschouwelijke instellingen op te nemen. (…) In de tweede plaats wordt de spanning met de Grondwet opgeheven door de in artikel I, onderdeel C, voorgestelde ruimere redactie van het vierde lid van artikel 47, waardoor naast de in de huidige wettekst genoemde kerkelijke belastingen ook verplichte bijdragen aan - onder andere - levensbeschouwelijke instellingen als gift aftrekbaar zullen zijn."

(MvT, Kamerstukken II 1991, 21 335, nr. 3, blz. 1-2)

4.3.3. De rechtbank gaat er met eiseres vanuit dat de vrijmetselarij in de Nederlandse samenleving in het algemeen als een levensbeschouwing wordt aangemerkt. Zulks sluit ook aan bij de hiervoor geciteerde parlementaire geschiedenis, die ook door het kabinet wordt genoemd in de Nota "Grondrechten in een pluriforme samenleving" van 17 mei 2004 aan de Tweede Kamer. In bijlage 2 bij die Nota is onder meer het volgende vermeld:

"Het recht op de belijdenis van een eigen godsdienst of levensovertuiging is thans verankerd in artikel 6 van de Grondwet. In aansluiting op de mensenrechtenverdragen werd bij de grondwetsherziening van 1983 de bescherming van de godsdienstvrijheid in artikel 6 Gw uitgebreid met die van de vrijheid van levensovertuiging, zoals het humanisme, atheïsme en de vrijmetselarij. Dit was volgens de regering ook in overeenstemming met «de overtuiging, die in de nationale sfeer gaandeweg is gegroeid, dat in de verhouding tot de overheid tussen godsdienst en levensovertuiging geen verschil dient te worden gemaakt.» (Kamerstukken II, 1975/76, n 3, p. 28)."

(TK 2003-2004, 29 614, blz. 31-32)

4.3.4. De enkele omstandigheid dat door verweerder eerst ter zitting citaten zijn genoemd van enkele vrijmetselaars, inhoudende - kort gezegd - dat zij de vrijmetselarij niet als levensbeschouwing zien, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Voor de aanwijzing als een anbi is blijkens artikel 41a, eerste lid, onderdeel b, van de Urib 2001 echter, anders dan eiseres heeft betoogd, niet slechts van belang of eiseres kan worden beschouwd als een levensbeschouwelijke instelling, maar geldt voorts dat uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheid van eiseres moet blijken dat zij het algemeen belang dient.

4.5. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn (subsidiaire) stelling dat ook van kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen mag worden getoetst of de werkzaamheden in het algemeen belang zijn, verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2003 (nr 38 049, LJN: AN7741). In die uitspraak heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de omstandigheid dat de Scientology Kerk Amsterdam is aan te merken als een kerkelijke of levensbeschouwelijke instelling, niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat zij moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling. Het heeft wel tot gevolg dat als komt vast te staan dat de werkzaamheden ongeveer in gelijke mate het algemene en een particulier belang dienen, de instelling moet worden aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank legt verweerder de toets of ten minste 50% van de werkzaamheden van eiseres het algemeen belang dienen ten onrechte ook aan met betrekking tot de levensbeschouwelijke activiteiten van eiseres. Van levensbeschouwelijke activiteiten wordt immers van oudsher aangenomen dat zij zich volledig richten op het algemeen belang. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Memorie van Toelichting op het thans aanhangige wetsvoorstel tot Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"De eerste maatregel strekt ertoe dat instellingen die willen kwalificeren als een het algemeen nut beogende instelling zich voortaan (nagenoeg) uitsluitend moeten richten op activiteiten in het algemeen belang. Op grond van jurisprudentie uit de jaren 90 uit de vorige eeuw gewezen voor de Successiewet 1956 kan een instelling als ANBI kwalificeren indien deze instelling zich wat haar activiteiten betreft voor ongeveer 50% richt op het algemeen nut en voor 50% op bijvoorbeeld het particuliere belang van de leden. Omdat ook destijds de formulering van de tekst voor het algemeen nut beogende instellingen in de inkomstenbelasting gelijk was aan die in de Successiewet 1956, straalde deze uitleg ook naar de inkomstenbelasting door. Gezien de omvang van de fiscale faciliteiten (de giftenaftrek en een vrijstelling voor de schenk- en erfbelasting) is het evenwel gerechtvaardigd de eis te stellen dat de instelling zich voor ten minste 90% richt op het algemeen nut. (…) Bij kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties wordt van oudsher impliciet aangenomen, overigens bevestigd in de jurisprudentie, dat zij zich volledig richten op het algemeen belang. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het om louter kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen gaat. Met louter kerkelijk of levensbeschouwelijk wordt bedoeld dat onder kerkelijk en levensbeschouwelijke instellingen bijvoorbeeld geen organisaties worden begrepen waarvan de activiteiten voor een belangrijk deel bestaan uit actievoeren of uit (semi)commerciële activiteiten zoals het tegen betaling geven van cursussen of het verkopen van cursusmateriaal, ook al heeft dat een religieus of levensbeschouwelijk karakter."

(MvT, Kamerstukken II 2008-2009, 31 930, nr. 3, blz. 17)

4.7. De toets of ten minste 50% van de werkzaamheden van eiseres het algemeen belang dienen, dient dan ook te worden aangelegd met betrekking tot het geheel van activiteiten van eiseres, zowel de levensbeschouwelijke als de niet-levensbeschouwelijke. Daarbij wordt van de levensbeschouwelijke activiteiten aangenomen dat zij het algemeen belang dienen.

4.8. Tussen partijen is alsdan niet in geschil dat de werkzaamheden van eiseres (nagenoeg) geheel, en dus voor meer dan 50%, bestaan uit levensbeschouwelijke activiteiten. Nu tussen partijen voorts niet in geschil is dat eiseres aan de overige in artikel 41a, eerste lid, Urib 2001 genoemde criteria voldoet, dient eiseres als instelling in de zin van artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 te worden aangemerkt. Gelet op de datum van indiening van het onder 1.1. genoemde verzoek van eiseres en de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 29 januari 2008 (DGB2008-00459, V-N 2008/9.2, p.11) dient de anbi-beschikking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 te worden verleend.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en de bestreden uitspraak te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen en daarbij te bepalen dat eiseres met ingang van 1 januari 2008 wordt aangemerkt als instelling in de zin van artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001, eventueel onder daaraan te stellen voorwaarden.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 288 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 januari 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. H.A.M. Röell-Mulder, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. E. Jochem , rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.