Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BK9858

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
435480 / CV EXPL 09-8961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft zich na een conflict over het dragen van bedrijfskleding, ziek gemeld bij gedaagde, zijn voormalig werkgever. Werkgever heeft de ziekmelding niet geaccepteerd en heeft eiser niet ziek gemeld bij de arbodienst. Werkgever heeft diverse malen getracht om met eiser in contact te treden. Toen dit niet mogelijk bleek, heeft werkgever de loonbetaling aan eiser gestopt. De arbeidsovereenkomst is vervolgens door de kantonrechter ontbonden.

Eiser vordert betaling van achterstallig salaris tot de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat van werkgever niet verlangd kon worden een onderzoek door de bedrijfsarts naar de arbeidsongeschiktheid van eiser in te stellen, nu deze zich volledig onbereikbaar heeft gehouden voor enige toelichting op zijn ziekmelding. Nu eiser kennelijk niet de bereidheid heeft gehad de bedongen arbeid te verrichten, heeft hij geen aanspraak op salaris. De vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/776 met annotatie van Heida
JIN 2010/754
AR-Updates.nl 2010-0054
Prg. 2010, 55

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 435480 / CV EXPL 09-8961

datum uitspraak: 13 januari 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. J.P. van Vulpen

tegen

de besloten vennootschap BOHRER B.V.

te Haarlem

gedaagde

hierna te noemen Bohrer

gemachtigde mr. E.W. Heespelink (SRK Rechtsbijstand)

De procedure

[eiser] heeft Bohrer gedagvaard op 21 augustus 2009. Bohrer heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 oktober 2009 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2009, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

1. [eiser] is op 9 januari 2006 bij Bohrer in dienst getreden in de functie van meubelstoffeerder, tegen een salaris van (laatstelijk) € 1.672,49 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

2. De werknemers van Bohrer dienen tijdens het werk beschermende kleding en schoenen te dragen. Bohrer stelt deze veiligheidskleding aan haar werknemers ter beschikking.

3. Bohrer heeft haar werknemers in 2008 nieuwe bedrijfskleding laten kiezen. Op 27 juni 2008 is aan [eiser] de nieuwe veiligheidskleding uitgereikt.

4. Op 7 juli 2008 is [eiser] zonder de voorgeschreven bedrijfskleding op het werk verschenen. Na door zijn leidinggevende, de heer [XXX], diezelfde dag naar huis te zijn gestuurd om de bedrijfskleding alsnog aan te trekken, is [eiser] zonder bericht niet meer op het werk verschenen.

5. Bij faxbericht van 7 juli 2008 schrijft [eiser] aan Bohrer onder meer:

Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van hedenochtend meld ik me bij deze ziek.

6. De directeur van Bohrer, [YYY] (hierna: [YYY]), heeft op 7 juli 2008 vanaf zijn vakantieadres telefonisch contact met [eiser] opgenomen en hem verzocht om de kwestie van de werkkleding met zijn leidinggevende [XXX] te bespreken.

7. [eiser] heeft niets meer van zich laten horen en heeft niet gereageerd op diverse telefonisch ingesproken verzoeken van Bohrer om contact op te nemen.

8. Bij brief van 22 juli 2008 heeft [YYY] onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

Toen u het pand verliet, was u niet ziek en had u ook niet aangegeven dat u ziek was en er waren ook geen tekenen dat u ziek zou worden. U bent nadien niet meer op het werk verschenen en na telefonisch contact door de heer [XXX] heeft u geen duidelijke reden gegeven waarom u geen werkkleding wenst te dragen. Ook toen heeft u zich niet ziek gemeld, nadien ontvingen wij echter een telefax waarop u zich ziek gemeld heeft. (...) Ook tegen mij heeft u niet aangegeven dat u ziek was. Het gesprek ging enkel over de werkkleding. (...) Wij kunnen deze ziekmelding dan ook niet accepteren (...) Wij geven u tot vrijdag 25 juli 2008 de gelegenheid om contact met ons op te nemen voor een gesprek, mochten wij tot die tijd niets van u vernemen, zullen wij stappen ondernemen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

9. Bij brief van 24 juli 2008 heeft de gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan [YYY] medegedeeld:

Cliënt is bij de vervangende huisarts geweest en deze heeft hem gezegd, dat hij overspannen is en daardoor enige rust zou moeten nemen. (...) daarom verzoek ik u hem alsnog ziek te melden (...)

10. Bij brief van 1 augustus 2008 heeft [YYY] aan de gemachtigde van [eiser] laten weten bij zijn standpunt te blijven dat de heer [eiser] ongeoorloofd verzuimt en als dekmantel ziek zijn gebruikt.

11. Bij brief van 11 augustus 2008 heeft Borher [eiser] medegedeeld de arbeidsovereenkomst per 31 juli 2008 te hebben beëindigd en na ontvangst van de bedrijfskleding de eindafrekening te zullen opstellen.

12. Borher heeft [eiser] vanaf 1 augustus 2008 geen salaris meer betaald.

13. De kantonrechter heeft bij beschikking van 29 oktober 2008 de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden tegen 1 november 2008.

14. [eiser] is op 29 juli 2008 door zijn huisarts verwezen naar een psycholoog.

Op 1 augustus 2008 heeft [eiser] zich gemeld voor een kortdurende psychologische behandeling bij J.F. Smitskamp. De behandeling is op 15 augustus 2008 gestart.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van Bohrer tot betaling van achterstallig loon over de maanden augustus, september en oktober 2008, vakantiegeld en twintig niet genoten vakantiedagen met bijbehorende specificaties en wettelijke verhoging, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij recht heeft op loon en andere emolumenten met bijbehorende specificaties tot 1 november 2008, omdat de arbeidsovereenkomst tot deze datum heeft voortgeduurd. [eiser] betwist dat sprake is van werkweigering op 7 juli 2008. Daarnaast vordert [eiser] uitbetaling van twintig niet genoten vakantiedagen.

Bohrer is in gebreke gebleven met betaling, zodat [eiser] aanspraak maakt op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% en wettelijke rente.

Het verweer

Bohrer betwist de vordering. Zij voert aan dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [eiser] geen deskundigenverklaring ex artikel 7:629a BW heeft overgelegd terwijl dit wel van hem kon worden gevergd. Aan de ziekmelding van [eiser] op 7 juli 2008 is een dispuut vooraf gegaan over werkkleding. [eiser] heeft in dat gesprek niet aangegeven zich ziek te voelen en ook niet in het telefoongesprek met [YYY] later op diezelfde dag. Evenmin blijkt uit de door [eiser] overgelegde verklaring van een psycholoog dat hij wegens ziekte niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Bohrer heeft de fax van 7 juli 2008 dan ook niet als een serieuze ziekmelding hoeven opnemen. Ondanks een aantal pogingen om contact met [eiser] te krijgen, is dat Bohrer niet gelukt. Omdat [eiser] ongeoorloofd afwezig was, was Bohrer gerechtigd de loonbetaling te staken. Bohrer heeft het dienstverband per 31 juli 2008 correct afgewikkeld, zodat [eiser] geen vakantiegeld en vakantiedagen meer tegoed heeft.

De beoordeling van het geschil

1. Het meest verstrekkende verweer van Bohrer is dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, althans dat de vordering moet worden afgewezen, omdat [eiser] geen deskundigenverklaring heeft overgelegd. Dit verweer wordt verworpen. Nu Bohrer heeft nagelaten de ziekmelding van [eiser] aan de bedrijfsarts door te geven en zodoende een deskundigenoordeel ontbreekt, kan [eiser] niet worden verweten dat hij geen ‘second opinion’ heeft overgelegd.

2. Van [eiser] had in de gegeven omstandigheden echter wel verwacht mogen worden dat hij aan Bohrer een verklaring van een arts had overgelegd waaruit blijkt waarom hij op en na 7 juli 2008 niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten. [eiser] heeft weliswaar medische verklaringen in het geding gebracht –een uitdraai van zijn status van de huisarts en een verklaring van zijn behandelend psycholoog– maar daaruit valt niet af te leiden dat [eiser] wegens ziekte niet in staat was zijn werk te verrichten. Er moet toch tenminste een aanwijzing zijn aan de hand waarvan Bohrer had kunnen onderscheiden of de ziekmelding niet anders is dan de reactie van de werknemer op de opdracht om de bedrijfskleding aan te trekken. Door op 7 juli 2008 slechts een briefje te sturen met een ziekmelding naar aanleiding van het telefonisch onderhoud van hedenochtend, en zich in de dagen daarna volledig onbereikbaar te houden voor enige toelichting op die ziekmelding, kan van Bohrer niet verlangd worden dat zij toch een onderzoek door de bedrijfsarts naar de arbeidsongeschiktheid instelt.

Dit geldt eens te meer nu [eiser] ook op de schriftelijke oproep van Bohrer van 23 juli 2008 niet heeft gereageerd, naar eigen zeggen omdat hij ‘er geen zin in had’. Ook de overgelegde verklaring van de psycholoog rechtvaardigt niet de conclusie dat hij sinds zijn ziekmelding op 7 juli 2008 niet meer in staat was tot contact met zijn werkgever.

3. Van enige bereidheid aan de zijde van [eiser] om in overleg te treden met Bohrer over het conflict over de werkkleding, de ziekmelding en een mogelijke terugkeer op het werk is niet gebleken. Bohrer heeft onweersproken aangevoerd dat [eiser] heeft aangegeven niet meer werkzaam te willen zijn voor Bohrer. Omdat [eiser] na zijn ziekmelding elk contact met Bohrer onmogelijk heeft gemaakt en hij kennelijk niet de bereidheid had om weer voor Bohrer aan het werk te gaan, moet het ervoor gehouden worden dat [eiser] niet de bereid heeft gehad de bedongen arbeid te verrichten. Dit leidt ertoe dat [eiser] geen aanspraak heeft op salaris, vakantiegeld en vakantiedagen over de maanden augustus, september en oktober 2008. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

4. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Bohrer tot en met vandaag worden begroot op € 400,00 aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Dubois en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.