Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BK9083

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
15/996536-079
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamer; 552a Sv; conservatoir anderbeslag (klimop-zaak);

De raadkamer van de rechtbank Haarlem oordeelt dat zich niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de drie vereisten ex artikel 94a Sv voor conservatoir anderbeslag, te weten: (a) het afkomstvereiste, (b) het vereiste van verhaalsfrustratie en (c) het wetenschapsvereiste. Het beklag wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige raadkamer

Registratienummer: 09/1428

Parketnummer: 15/996536-079

Uitspraakdatum: 12 januari 2010

Beschikking (art. 552a Sv)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 18 november 2009 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een klaagschrift, gedateerd 18 november 2009, van mr. C.A.M.J. Raymakers en mr. S.R. van Breukelen, gemachtigden van

[KLAAGSTER], klaagster,

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

domicilie kiezende te (1082 MA) Amsterdam, Gustav Mahlerplein 2, ten kantore van mr. C.A.M.J. Raymakers en mr. S.R. van Breukelen, advocaten.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het ten laste van [D] B.V. onder klaagster gelegde conservatoir anderbeslag, met last tot teruggave aan klaagster van:

- € 5.266.568,-.

Op 18 december 2009 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld.

Voor klaagster is verschenen mr. C.A.M.J. Raymakers, voornoemd en mr. C.M. Slangen.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. C.J. Zweers.

2. Beoordeling

Vast is komen te staan, dat ten laste van [D] B.V. onder klaagster conservatoir anderbeslag is gelegd en dat het beslag nog voortduurt.

Klaagster bestrijdt de rechtmatigheid van voornoemd beslag op grond van de volgende punten:

- de grondslag van het conservatoir beslag is niet nader toegelicht;

- het totaal van de tegoeden en vorderingen waarop thans onder de verschillende (derde-)beslagenen beslag is gelegd overschrijdt de door de rechter-commissaris verleende machtiging om conservatoir beslag te leggen ten bedrage van maximaal € 8.300.000,-, terwijl niet is aangetoond dat die overschrijding gerechtvaardigd en noodzakelijk is;

- er is sprake van een overlapping van de beslagen die door BOOM zijn gelegd ten laste van [A & B] N.V. en de vennootschappen van haar vennoten [vennoot B] en [vennoot A], te weten respectievelijk [C] B.V. en [D] B.V. Al deze beslagen hebben betrekking op dezelfde vorderingen tot voordeelsontneming.

Namens klaagster is er onder meer op gewezen, dat:

- door MAB Bouwfonds ter zake min of meer dezelfde schade beslag is gelegd;

- de voordeelsberekening waarop het beslag is gebaseerd, onjuist is, omdat daarin begrepen zijn aan [A & B] N.V. betaalde vergoedingen voor reële en daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, zodat van wederrechtelijk voordeel geen, althans niet in die mate, sprake is.

Voorts heeft klaagster erop gewezen dat:

- het geld waarop beslag is gelegd onmiddellijk noch middellijk afkomstig is uit het misdrijf, nu dit geld winst betreft uit andere projecten dan waarop de verdenking rust;

- geen sprake is van verhaalsfrustratie nu de gelden aan klaagster zijn gaan toebehoren op grond van de op 28 juni 2004 gesloten huwelijksvoorwaarden;

- klaagster nooit enig vermoeden heeft gehad dat de haar op grond van de huwelijksvoorwaarden betaalde gelden verband zouden hebben met enig misdrijf, nu eerst op 3 november 2009 haar echtgenoot en zijn vennootschap [D] B.V. als verdachten zijn beschouwd, terwijl daarvan voordien geen sprake was.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat:

- voldaan is aan de eisen van artikel 94a, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de relevante jurisprudentie nu sprake is van een verdenking wegens een misdrijf van de vijfde geldboetecategorie en zich niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een ontnemingsmaatregel zal opleggen;

- de gelegde beslagen niet disproportioneel zijn nu gelet op de - tot op heden - afgelegde derdenverklaringen het totaal van de door het beslag getroffen geldbedragen aanzienlijk lager is dan de in de machtigingen vermelde maximumbedragen, terwijl het uiteindelijke wederrechtelijk verkregen voordeel waarschijnlijk hoger zal uitvallen dan thans is begroot.

Voorts stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat:

- door klaagster onvoldoende is bestreden dat de gelden afkomstig zijn uit het misdrijf in verband waarmee de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd;

- uit het ambtsedig proces-verbaal van de FIOD blijkt dat de gelden naar klaagster zijn toegevloeid om verhaal te frustreren, hetgeen ook volgt uit het gegeven dat juist op het moment dat de civiele claims van MAB Bouwfonds een rol beginnen te spelen, grote bedragen naar de bankrekening van klaagster worden overgemaakt;

- uit de verklaring die klaagster blijkens het ambtsedig proces-verbaal jegens de FIOD heeft afgelegd, volgt dat zij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat het geld dat zij van [D] B.V. ontving van enig misdrijf afkomstig was.

De rechtbank overweegt op grond van het vorenstaande als volgt. Uitgangspunt is dat de toetsing ex artikel 552a Sv een marginale is en dat thans niet ten gronde wordt getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingsprocedure. In het kader van dit klaagschrift dient te worden onderzocht:

- of er ten tijde van de beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

- of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Blijkens de aanvraag machtiging leggen conservatoir anderbeslag ten laste van [D] B.V., wordt [D] B.V. verdacht van het feitelijk leiding geven aan het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) en witwassen (420bis Sr). Voor elk van deze misdrijven kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Aan het eerstgenoemde criterium is derhalve voldaan. Klaagster heeft dit ook niet betwist.

Klaagster betwist evenmin dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan [D] B.V. een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Voor zover het beklag van klaagster zich richt op de onderbouwing en de hoogte van het geschatte voordeel, valt een beoordeling hiervan buiten het kader van deze beklagprocedure.

Omtrent de door klaagster gestelde ‘overlap’ van beslagen overweegt de rechtbank dat de beslagen, ook waar deze elkaar mogelijk gedeeltelijk overlappen, niet disproportioneel zijn. Immers, met de vermelding van het maximumbedrag is niet beoogd het maximale bedrag te geven waarvoor het beslag mag worden gelegd, maar het bedrag waarvoor de beslaglegger een vordering op de beslagdebiteur pretendeert te hebben en verhaal beoogt te zoeken. Bovendien blijkt uit de tot nu toe gedane derdenverklaringen niet van een overschrijding van het door de rechter-commissaris vastgestelde maximum.

Dat ten laste van meerdere (rechts)personen beslag is gelegd ten aanzien van hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel staat aan de rechtmatigheid van de gelegde beslagen niet in de weg. Bij meerdere verdachten geldt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vanuit het subject moet worden beschouwd en niet vanuit het object. Derhalve kan bij meerdere verdachten worden ontnomen zonder dat sprake is van een dubbele ontneming.

Voorts oordeelt de rechtbank ten aanzien van het anderbeslag zoals dat ten laste van klaagster is gelegd, als volgt. Getoetst moet worden of is voldaan aan de drie vereisten ex artikel 94a Sv, te weten: (a) het afkomstvereiste, (b) het vereiste van verhaalsfrustratie en (c) het wetenschapsvereiste.

Voor wat betreft het afkomstvereiste stelt de rechtbank vast dat blijkens het ambtsedig proces-verbaal inzake conservatoir anderbeslag onder klaagster de gelden waarop beslag is gelegd afkomstig zijn van [D] B.V., die deze op haar beurt, vermoedelijk op basis van valselijk opgemaakte facturen heeft ontvangen van [A & B] N.V. Laatstgenoemde zou deze gelden, althans een gedeelte daarvan, ten onrechte hebben ontvangen, omdat het vergoedingen betrof voor niet of slechts gedeeltelijk verrichte werkzaamheden, waardoor Bouwfonds en Philips zijn opgelicht. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de gelden waarop beslag is gelegd zijn te herleiden tot het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Een eventuele discussie over de hoogte daarvan hoort thuis in de nog te voeren ontnemingsprocedure.

Ten aanzien van het vereiste van verhaalsfrustratie stelt de rechtbank voorop dat artikel 94a, derde lid, Sv deze niet beperkt tot frustratie van verhaal in het kader van de ontnemingsvordering. Slechts vereist is dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de gelden aan klaagster zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning ervan te bemoeilijken of te verhinderen. Hoewel op basis van de overgelegde stukken niet is vast te stellen of, zoals klaagster stelt, al vóór 2009 uitkeringen vanuit [D] BV aan haar hebben plaatsgevonden ter uitvoering van de huwelijksvoorwaarden, volgt uit die stukken wel dat in 2009 ten minste € 3.000.000,00 naar de bankrekening van klaagster is overgemaakt Volgens verklaringen van klaagster op 18 november 2009 tegenover de FIOD afgelegd, zou in overleg met accountant [naam] in 2009 € 4.500.000,00 in de vorm van dividend onttrokken zijn aan [D] B.V. en zou dit geldbedrag via diverse interne bankmutaties in privé uiteindelijk zijn overgeboekt naar bankrekeningen op naam van haar. Klaagster heeft tegenover de FIOD voorts verklaard dat het sinds de inval bij [A & B] N.V. op 13 november 2007 snel bergafwaarts is gegaan met deze onderneming. Dit laatste lijkt steun te vinden in de verrekeningopstelling van 20 november 2009 die door klaagster in het geding is gebracht. Daarin is te zien dat de winst uit onderneming van [D] B.V. na vennootschapsbelasting over 2007 (€ 224.249) aanzienlijk lager is dan die over 2006 (€ 4.098.403). Nu de uitkeringen in 2009 hebben plaatsgevonden op een moment dat de civiele vorderingen van MAB Bouwfonds bekend waren en noch de resultaten van [A & B] N.V. noch (in het verlengde hiervan) de resultaten van [D] B.V. naar objectieve maatstaven aanleiding lijken te geven voor een dividenduitkering van een dergelijke omvang, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van verhaalsfrustratie.

Ter terechtzitting heeft klaagster aangevoerd dat zij door de FIOD niet op haar verschoningsrecht is gewezen, zodat de verklaring niet is te gebruiken voor het bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent dat zij blijkens het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal inzake conservatoir anderbeslag van 18 november 2009 voorafgaande aan de hier aangehaalde verklaringen wel degelijk op haar verschoningsrecht is gewezen.

Met betrekking tot het wetenschapsvereiste is de rechtbank van oordeel dat klaagster ten minste redelijkerwijze heeft kunnen vermoeden dat de gelden van enig misdrijf afkomstig waren. Daartoe is redengevend dat de inval bij [A & B] N.V. en de aanhouding van [vennoot B], de vennootschap respectievelijk partner van haar echtgenoot, met de nodige media-aandacht gepaard zijn gegaan, zodat zij reeds hierdoor moet hebben geweten dat [A & B] N.V. werd verdacht van het plegen van enig misdrijf. Voorts moet klaagster redelijkerwijs hebben geweten dat het geld dat via [D] B.V. op haar bankrekening werd gestort, uiteindelijk van [A & B] N.V. afkomstig was. Uit haar verklaring ten overstaan van de FIOD dat in overleg met accountant [naam] in 2009 viereneenhalf miljoen euro in de vorm van dividend is onttrokken aan [D] B.V., volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zij niet geheel onkundig was van de financiële zaken van haar echtgenoot.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 94a, derde lid, Sv, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beklag ongegrond.

4. Samenstelling meervoudige raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. M.J.A. Plaisier, rechter,

mrs. J.J. Dijk en K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ket, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2010.

Mr. J.J. Dijk is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.