Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:3776

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-08-2010
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
09_2601
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 52 AWR

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52, geldigheid: 2014-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 09/2601

Uitspraakdatum: 23 augustus 2010

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap [X] BV, gevestigd te [Z] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.P. Verhoeven

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Alkmaar, verweerder.

09/2601

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over de jaren 2003 en 2004 een naheffingsaanslag Dividendbelasting opgelegd ten bedrage van € 12.693. Bij aparte beschikking heeft verweerder eiseres een boete opgelegd ten bedrage van € 3.000.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 april 2009 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 11.117 en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Eiseres heeft daartegen op 20 mei 2009 beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiseres heeft gerepliceerd en verweerder heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. H.H. Hoffmann, V. Kromkamp en C.M. Slot.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken die zijn geregistreerd onder de nummers 09/2369, 09/2372, 09/2373, 09/2384, 09/2385, 09/2477, 09/2650, 09/2651 en 09/2380. De rechtbank heeft geen van de zaken gevoegd, maar buiten bezwaar van partijen de informatie uit de parallelle dossiers in elke zaak in de beoordeling betrokken.

Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres is, door de met haar in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting verbonden vennootschap [B] B.V., tezamen met [A] vennoot in v.o.f. [C] (hierna: de v.o.f.). Door deze v.o.f. wordt een dames- en herenkapsalon geëxploiteerd in [Z] . Met ingang van 1 januari 2004 is tevens [D] als vennoot toegetreden tot de v.o.f. Alle vennoten zijn gelijkelijk gerechtigd tot de winst van de v.o.f.

De aandelen in eiseres worden gehouden door [E] (421 aandelen) en zijn echtgenote [F] (1 aandeel).

2.2.

In 2003 is een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. In dit onderzoek heeft verweerder onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2003 en 2004 onderzocht. Dit heeft geresulteerd in een rapport, gedateerd 6 juni 2005. In het gelijktijdig bij de v.o.f. gehouden boekenonderzoek, waarvan op dezelfde datum rapport is opgemaakt, is geconcludeerd dat de v.o.f. omzet heeft verzwegen. Verweerder heeft de als gevolg daarvan bij eiseres toegepaste winstcorrectie ten aanzien van haar aandeelhouder [E] aangemerkt als winstuitdeling. De ter zake van deze winstuitdeling verschuldigde dividendbelasting heeft verweerder bij de onderhavige aanslag nageheven. Het bedrag van de naheffingsaanslag, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar, is als volgt berekend:

aantal gewiste hoofdregels over 2003 en 2004 3.737

gemiddelde bruto omzetbedrag per gewiste hoofdregel € 18,79

tussentelling € 70.218

foutenmarge 5% € 3.511 -/-

bruto omzetcorrectie 2003 en 2004 € 66.707

daarvan toe te rekenen aan eiseres (50%) € 33.353

gebruteerd t.b.v. naheffingsaanslag dividendbelasting € 44.471

daarover verschuldigde dividendbelasting (25%) € 11.117

De aan eiseres opgelegde boete is bij uitspraak op bezwaar vernietigd wegens samenloop met de aan eiseres opgelegde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2001 en 2002.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en, na vermindering bij uitspraak op bezwaar, tot het juiste bedrag is opgelegd. De in bezwaar bij afzonderlijk besluit van 30 maart 2009 (gedingstuk B15 in het dossier met zaaknummer 09/2369) toegekende proceskostenvergoeding is niet in geschil.

3.2.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. Zij betwist de op basis van de boekenonderzoeken getrokken conclusies en dat sprake is van winstuitdelingen. Voorts heeft eiseres gesteld dat het uitgekeerde dividend ten onrechte is gebruteerd en dat verweerder heeft verzuimd conclusies te verbinden aan de uitbreiding van het aantal firmanten van de v.o.f.

3.3.

Verweerder concludeerde primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Verweerder heeft ter zitting nader het standpunt ingenomen dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank zal dit standpunt, nu dit niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, volgen.

4.2.

De rechtbank heeft in de zaak van v.o.f. [C] (zaaknummer 09/2369), in welke zaak zij tevens heden uitspraak doet, geoordeeld dat de v.o.f. over de periode 1 januari 2001 tot 1 april 2003 omzet heeft verzwegen. Nu deze omzet niet in de boeken van eiseres is verantwoord en derhalve niet in haar eigen vermogen is opgenomen, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat deze verzwegen omzet door eiseres aan [E] in zijn kwaliteit van groot aandeelhouder ten goede is gekomen en dat zowel eiseres als laatstgenoemde zich daarvan bewust moeten zijn geweest, zodat sprake is van een winstuitdeling door eiseres aan [E] , ter zake waarvan zij dividendbelasting verschuldigd is.

4.3.

Eiseres betoogt dat het uitgekeerde dividend ten onrechte is gebruteerd. Zij voert daartoe aan dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres de dividendbelasting over de uitdeling voor haar rekening heeft willen nemen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Nu vaststaat dat eiseres de door haar ter zake van het aan [E] uitgekeerde dividend af te dragen dividendbelasting heeft verzwegen, rust op eiseres de stelplicht en de last om aannemelijk te maken dat zij ten tijde van de vermomde uitdeling het besluit heeft genomen de daarover mogelijkerwijs in de toekomst verschuldigde dividendbelasting niet voor haar rekening te nemen. Eiseres heeft dienaangaande niets gesteld, zodat moet worden geconcludeerd dat zij niet aan de op haar rustende stelplicht en a fortiori niet aan haar bewijslast heeft voldaan. De aan de onderhavige naheffingsaanslag ten grondslag liggende dividenduitkering is derhalve terecht gebruteerd.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in r.o. 4.2 volgt dat de naheffingsaanslag moet worden beperkt tot het aan de periode 1 januari 2003 tot 1 april 2003 toe te rekenen uitgekeerde dividend. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal verweerder opdragen om bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen tot welk bedrag de naheffingsaanslag wordt verminderd.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet, anders dan eiseres heeft verzocht, geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het feit dat de totale behandeling van de kwestie lang heeft geduurd, er een boete in het spel is en eiseres kantekeningen heeft bij de aanpak door verweerder van het boekenonderzoek, zijn daarvoor niet voldoende. Bovendien heeft eiseres voor een deel materieel ongelijk gekregen. Met de ingewikkeldheid van de zaak wordt voorts bij de forfaitaire bepaling van de vergoeding rekening gehouden.

5.2.

De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.207,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt, gelet op datum instellen van het beroep, van € 322, een wegingsfactor 1,5 voor gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 voor 2 samenhangende zaken).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de naheffingsaanslag met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.207,50;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 23 augustus 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr.R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis en mr.J.P. Boer, rechters, in tegenwoordigheid van E.H. Mazel, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.