Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BW8571

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
AWB 08 / 7242 t/m 08 / 7247
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door het ontbreken van een administratie is niet voldaan aan de wettelijke bewaarplicht en administratieve voorschriften, en is niet duidelijk welke rechten en verplichtingen hieruit voor eiser voortvloeien. De administratie schiet dusdanig tekort dat deze wordt verworpen. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 52 AWR en is op grond van artikel 27e AWR het beroep ongegrond, nu niet is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/7242 tot en met AWB 08/7247

Uitspraakdatum: 12 november 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland -Midden, kantoor [P], verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

- zaak AWB 08/7242: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen van € 35.249 (ƒ 77.678). Tevens is hierbij een vergrijpboete van € 12.634

(ƒ 27.841) opgelegd en is € 1.560 (ƒ 3.437) aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#1]);

- zaak AWB 08/7243: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) naar een premie-inkomen van € 35.249 (ƒ 77.678). Tevens is hierbij een vergrijpboete van € 1.944

(ƒ 4.283) opgelegd en is € 240 (ƒ 528) aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#2]);

- zaak AWB 08/7244: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 252.045 (ƒ 555.434). Tevens is hierbij een vergrijpboete van € 119.985 (ƒ 264.412) opgelegd en is € 9.815 (ƒ 21.630) aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#3]);

- zaak AWB 08/7245: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag WAZ naar een premie-inkomen van € 38.118 (ƒ 84.000). Tevens is hierbij een vergrijpboete van

€ 1.606 (ƒ 3.539) opgelegd en is € 131 (ƒ 289) aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#4]);

- zaak AWB 08/7246: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet (hierna: ZFW) naar een premie-inkomen van € 19.059 (ƒ 42.000). Tevens is hierbij een vergrijpboete van € 542 (ƒ 1.195) opgelegd en is € 44 (ƒ 97) aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#5]);

- zaak AWB 08/7247: de uitspraak van verweerder van 10 oktober 2008 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.359. Tevens is hierbij een vergrijpboete van € 9.170 opgelegd en is € 447 aan heffingsrente in rekening gebracht (aanslagnummer [#6]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009.

De griffier heeft eiser bij aangetekende brieven, verzonden op 1 september 2009 en gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder bericht, niet verschenen. De uitnodigingen zijn niet retour gekomen. Nu uit informatie van de website van TNT Post is gebleken dat de brieven op 3 september 2009 zijn uitgereikt, is eiser tijdig uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Namens verweerder is verschenen mr. T.V. van der Veen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- handhaaft de navorderingsaanslagen;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7242 tot € 10.107 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7243 tot € 1.555 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7244 tot € 99.985 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7245 tot € 1.285 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7246 tot € 434 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boetebeschikking in de zaak AWB 08/7247 tot € 7.336 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 483, en wijst verweerder aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Gronden

1. Eiser heeft aangifte IB/PVV over de jaren 2000, 2001 en 2002 gedaan naar een belastbaar inkomen van € 4.538, respectievelijk belastbare inkomens uit werk en woning van € 30.507 (2001) en € 47.719 (2002). De definitieve aanslagen IB/PVV, WAZ en ZFW over deze jaren zijn opgelegd conform de aangiftes.

2. Naar aanleiding van een melding van het Openbaar Ministerie heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in een rapport d.d. 21 mei 2004. In het rapport worden, in verband met het doen van onjuiste aangiftes door eiser, vergrijpboetes aangekondigd. Als gevolg hiervan zijn de in geschil zijnde navorderingsaanslagen met boetebeschikkingen opgelegd.

3. Eiser heeft tegen deze aanslagen en boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft deze bezwaren afgewezen. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepschriften ontvangen op 17 november 2008.

4. Eiser is door de rechtbank strafrechtelijk veroordeeld in verband met, kort gezegd, de handel in verdovende middelen. Tegen deze uitspraak is eiser in hoger beroep gegaan. In verband hiermee is het Openbaar Ministerie ook een strafrechtelijke ontnemingsprocedure tegen eiser gestart.

5. De rechtbank ziet geen reden om de behandeling van de zaak verder uit te stellen. Voor de behandeling van de onderhavige zaak is irrelevant of eiser strafrechtelijk veroordeeld is, noch speelt de uitkomst van een mogelijk strafrechtelijk financieel onderzoek jegens eiser hierbij een rol.

6. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen correct heeft vastgesteld. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of de sanctie van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), inhoudende omkering en verzwaring van de bewijslast, dient te worden toegepast. Voorts moet worden beoordeeld of de boetes terecht zijn opgelegd.

7. Verweerder heeft, na verkregen inlichtingen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM), bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek stelt verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 52 AWR.

De rechtbank overweegt hierover dat, nu eiser geen administratie heeft bijgehouden, niet heeft voldaan aan zijn wettelijke bewaarplicht en de voor hem geldende administratieve voorschriften niet is nagekomen. Bovendien is de administratie van eiser niet zodanig gevoerd dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen hieruit blijken. Dit wordt bevestigd door de uitkomst van de door verweerder opgestelde privé-vermogensvergelijking, welke tot een onwaarschijnlijk laag netto-privé leidt. Eiser heeft een en ander niet, dan wel onvoldoende weersproken. De administratie van eiser schiet derhalve dusdanig ernstig tekort, dat deze dient te worden verworpen en niet kan dienen als grondslag voor de fiscale winstberekening.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet is voldaan aan de verplichting zoals geformuleerd in artikel 52 van de AWR. Dit betekent dat de rechtbank overeenkomstig artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond zal verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

8. Deze zogenaamde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat het door hem vastgestelde inkomen op een redelijke schatting berust. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft omdat hij niet altijd kan beschikken over (betrouwbare) gegevens en rekening moet houden met de mogelijkheid dat er - hem niet bekende - bronnen van inkomen zijn.

9. Verweerder heeft zich bij het vaststellen van de inkomens gebaseerd op via het OM verkregen, door banken verstrekte gegevens, in het bijzonder stortingen op bankrekeningen van eiser. Het door verweerder gebruik maken van deze gegevens, is geen onrechtmatig verkregen bewijs (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43050, BNB 2008/159 c*, NTFR 2008/614). Anders dan eiser stelt, heeft verweerder zich bij de vaststellingen niet gebaseerd op enig strafrechtelijk financieel onderzoek.

10. Het controlerapport vermeldt bedragen uit [land] die op de bankrekening van eiser zijn gestort. Het is volgens de rechtbank niet aan twijfel onderhevig dat deze inkomsten voor eiser voortvloeien uit een bron van inkomen, al dan niet uit de handel in verdovende middelen. Deze bedragen zijn niet aangegeven. Hierdoor heeft eiser in elk geval niet de vereiste aangifte gedaan. Er is geen reden om aan te nemen dat de door verweerder gemaakte schatting niet redelijk is. Eiser heeft de stellingen van verweerder met geen enkel bewijsstuk weersproken, en de door verweerder opgestelde vermogensvergelijkingen niet betwist. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inkomens van eiser over de in geschil zijnde jaren in redelijkheid heeft kunnen vaststellen zoals gedaan in de navorderingsaanslagen.

De rechtbank wijst er hierbij nog op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat indien en voor zover eiser als gevolg van de ontnemingsprocedure een bedrag aan de staat zou hebben te voldoen, dit in het jaar van feitelijke voldoening bij de bepaling van de hoogte van het inkomen van eiser aan de orde kan komen bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk bedrag is voldaan.

11. Verweerder heeft aan eiser vergrijpboeten opgelegd wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de grondslag voor de boeteoplegging artikel 67e AWR is. De rechtbank volgt verweerder in zijn verklaring dat de in het controlerapport genoemde grondslag voor de boeten (artikel 67d AWR) op een kennelijke verschrijving berust. Niet kan worden gezegd dat eiser hierdoor in zijn procespositie is benadeeld. In geval van opleggen van een boete op grond van artikel 67e AWR kan verweerder gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag een vergrijpboete van 100% opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

12. Verweerder stelt dat eiser, door de saldi van buitenlandse bankrekeningen niet aan te geven en voor deze ontvangsten geen plausibele verklaring heeft gegeven, niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Bovendien hield hij geen administratie van zijn activiteiten bij, ondanks dat hij hiertoe wettelijk verplicht was. Hierdoor heeft eiser volgens verweerder willens en wetens het risico genomen dat de door hem ingediende aangiften inkomstenbelasting onjuist waren, met als gevolg dat er te weinig belasting werd geheven. Gezien de hiervoor vermelde feiten, tezamen en in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat het aan opzet van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

13. De belasting waarop het vergrijp betrekking heeft, vormt de grondslag voor de boete. Dat bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad, 18 januari 2008, nr. 41.832, BNB 2008/165).

14. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de verschuldigde belasting en daarmee de hoogte van de boete met omkering van de bewijslast is vastgesteld, geen aanleiding de boete te matigen, nu verweerder de boetegrondslag heeft vastgesteld op basis van derden afkomstige vaststaande, concrete, gegevens, en niet (slechts) op grond van (grove) schattingen. Deze gegevens (berekeningen en cijfers) zijn bovendien door eiser ontkend noch betwist.

15. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat verweerder op 21 april 2004 in het controlerapport aan eiser een kennisgeving heeft gedaan van zijn voornemen de onderhavige boeten, met uitzondering van de boete behorende bij de aanslag nr. [#5], op te leggen. Laatstgenoemde aanslag, waarbij een vergrijpboete is opgelegd, is gedateerd 13 augustus 2004.

Thans wordt uitspraak gedaan. Nu voorts uit de gedingstukken niet blijkt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een zo lange duur van de behandeling van de zaken rechtvaardigen, heeft de behandeling van de zaken niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37984, BNB 2005/337 en HR 17 juni 2005, nr. 38960, BNB 2005/338).

16. Voor het bieden van compensatie ten aanzien van de uit de overschrijding van de redelijke termijn voortvloeiende schending van artikel 6 EVRM zal de rechtbank de opgelegde boeten, nu de termijn tussen de aankondiging van de boeten en het doen van de uitspraak door de rechtbank met meer dan twee jaren is overschreden, de door verweerder opgelegde boeten met 20%, met een maximale vermindering van € 20.000 per boete, verminderen. De door verweerder opgelegde boeten worden derhalve als volgt verminderd:

- in de zaak AWB 08/7242: van € 12.634 verminderd tot € 10.107;

- in de zaak AWB 08/7243: van € 1.944 verminderd tot € 1.555;

- in de zaak AWB 08/7244: van € 119.985 verminderd tot € 99.985;

- in de zaak AWB 08/7245: van € 1.606 verminderd tot € 1.285;

- in de zaak AWB 08/7246: van € 542 verminderd tot € 434;

- in de zaak AWB 08/7247: van € 9.170 verminderd tot € 7.336.

17. Gelet op het in onderdeel 16. overwogene zijn de beroepen gegrond verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322 en, nu het hier zes samenhangende zaken betreft, een wegingsfactor 1,5).

Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.