Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BM2045

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
15/840142-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9404, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gesprekken medeverdachten met verschoningsgerechtigde in dossier: constatering vormverzuim, geen rechtsgevolg ex 359a Sv. Partiele vrijspraak. Aanleiding onderzoek. Airbag methode. Invoer cocaine. Voorbereidingshandelingen. Poging. Criminele organisatie: medewerkers bedrijven Schiphol. Witwassen.

(..) Op grond van na te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten hebben deelgenomen aan een criminele organisatie.

(..) Dat gesproken kan worden van een gestructureerde organisatie kan worden afgeleid uit de modus operandi. De verdovende middelen waren steeds afkomstig uit Zuid-Amerikaanse landen en moesten telkens op Schiphol onderschept worden, voordat de koeriers zouden doorvliegen met de AZ naar Italië, waarbij de transferbagage werd afgehandeld door Menzies Aviation, (voormalig) werkgever van verschillende medeverdachten. Voor het verdere vervoer van de airside naar de landside werd gebruik gemaakt van een bedrijfsauto van de Spaanse luchtvaartmaatschappij Iberia, werkgever van verdachte en een medeverdachte. (..) Uit de afgeluisterde telefoongesprekken heeft de rechtbank afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten op de hoogte waren van de invoer van cocaïne in Nederland. De verdachten communiceerden aan de hand van versluierd taalgebruik als zij over vluchtnummers, gereed maken voor (het onderscheppen van) een zending verdovende middelen, een zending verdovende middelen en het niet doorgaan van een zending verdovende middelen spraken. (..) Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam gestructureerd en hiërarchisch samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn medeverdachten en met een vaste rolverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840142-08

Uitspraakdatum: 16 december 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 november 2009 en 2 december 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB De Geniepoort, te Alphen aan den Rijn.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging tenlastegelegd hetgeen in die gewijzigde tenlastelegging is omschreven. Een kopie van die gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging overweegt de rechtbank het volgende.

In het dossier bevinden zich twee uitgewerkte tapgesprekken (dossierpagina 13500 en 13541) waaraan een persoon deelneemt die zich op grond van zijn beroep zou kunnen verschonen. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de verschoningsgerechtigde en medeverdachte [medeverdachte 1] en de verschoningsgerechtigde en medeverdachte [medeverdachte 2]. Genoemde gesprekken zijn zonder machtiging van de rechter-commissaris aan het dossier toegevoegd. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.

De rechtbank kan de officier van justitie volgen in zijn standpunt, dat noch uit de inhoud van de telefoongesprekken noch uit de tenaamstelling van de telefoonnummers kon worden afgeleid, dat een verschoningsgerechtigde aan deze gesprekken deelnam. Gesteld noch gebleken is verder dat verdachte uit genoemd vormverzuim enig nadeel heeft ondervonden. De rechtbank volstaat dan ook, gelet op artikel 359a Sv en op Hoge Raad 23 januari 2001

(NJ 2001, 327) en 30 maart 2004 (NJ 2004, 376), met de constatering dat hier sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zonder hieraan een van de rechtsgevolgen als bedoeld in 359a Sv te verbinden. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen gebleken voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, zij het ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde zaaksdossier B8 alleen de voorbereidingshandelingen, en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie met betrekking tot het beslag gevorderd dat de goederen voorkomende op de beslaglijst onder de nummers 1, 3, 4, 5, 6, 7, 52, 53, 93, 99, 100, 105, 111, 112, 118, 126 en 130 worden verbeurd verklaard en dat het goed voorkomende op de beslaglijst onder nummer 146 wordt teruggegeven aan de rechthebbende.

4. Bewijs

4.1 Partiële vrijspraak

Zaaksdossier B8

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet bewezen kan worden hetgeen verdachte onder feit 1, zaaksdossier B8 ten laste is gelegd, voor zover dit betrekking heeft op het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland op 17 november 2008. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Zaaksdossier B8 handelt over de vermeende invoer van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen op 17 november 2008 door een koerier genaamd [koerier 1]. Er zijn in dit zaaksdossier weliswaar aanwijzingen te vinden dat deze [koerier 1] op of rond voornoemde datum Nederland zou binnenreizen met in haar bagage een hoeveelheid verdovende middelen, maar vaststaat dat, nadat zij op 17 november 2008 op Schiphol was aangehouden, bij haar geen verdovende middelen zijn aangetroffen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat in haar hand- of ruimbagage verdovende middelen hebben gezeten. Reeds om die reden kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat op genoemde datum sprake is geweest van het invoeren van cocaïne in Nederland.

4.2 Redengevende feiten en omstandigheden, algemeen(1)

4.2.1 Aanleiding tot het onderzoek Socrates

Op 10 april 2008 is middels een proces-verbaal (dossierpagina 15617-15618) van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) informatie ontvangen waaruit volgt dat de Schipholmedewerkers [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [betrokkene] betrokken zijn bij de invoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol door middel van transferkoffers. De verdovende middelen zijn afkomstig vanuit Zuid-Amerika en moeten onderschept worden voordat ze doorgaan met de AZ naar Italië. [medeverdachte 1] maakt gebruik van het gsm nummer [gsm].

Uit nader onderzoek is gebleken dat met [medeverdachte 1] wordt bedoeld [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats], wonende te [adres] en werkzaam bij de KLM te Schiphol als platform medewerker en dat met [medeverdachte 3] wordt bedoeld [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats], wonende te [adres] en werkzaam bij Menzies Aviation B.V. te Schiphol. Tevens is uit nader onderzoek gebleken dat met AZ wordt bedoeld de luchtvaartmaatschappij Alitalia.

Naar aanleiding van de hiervoor genoemde CIE-informatie is onderzoek gedaan in het Bedrijfs Processen Systeem (BPS). Daaruit wordt de volgende informatie verkregen. In de periode van augustus 2007 tot en met juni 2008 worden in het BPS 11 incidenten vermeld die overeenkomsten vertonen met de werkwijze zoals omschreven in het proces-verbaal van de CIE. De incidenten hebben betrekking op passagiers met een vlucht vanuit Zuid-Amerika naar Schiphol en een doorvlucht naar Italië en bij wie in de bagage cocaïne wordt aangetroffen. Gelet op deze incidenten ontstaat het vermoeden dat er mogelijk gebruik gemaakt wordt van de zogenaamde “airbag methode”. Bij deze methode wordt het unieke nummer, vermeld op het bagagelabel, doorgegeven aan een handlanger van de organisatie die als medewerker van een afhandelings- of luchtvaartmaatschappij toegang heeft tot de bagage in het ontvangende land, in dit geval iemand die werkzaam is op de D-pier of in bagagekelder D van Schiphol aangezien daar veelal de transitbagage voor Europese bestemmingen wordt afgehandeld. Deze persoon kan aan de hand van het unieke nummer vermeld op het bagagelabel, de koffer met de verdovende middelen onderkennen en onderscheppen en ervoor zorgen dat deze koffer ongecontroleerd de luchthaven verlaat.

Naar aanleiding van het voorgaande wordt medio 2008 het onderzoek Socrates gestart en zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als verdachten aangemerkt.

4.2.2 Meneer X en meneer B

Verdachte heeft op 15 september 2009 een nadere verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.(2) In deze verklaring is door verdachte meermalen gesproken over telefoongesprekken die hij heeft gevoerd met meneer X. Over het met betrekking tot zaaksdossier B1 voorgehouden telefoongesprek van 1 augustus 2008 om 11.34 (B.1.1.5, dossierpagina 72) heeft verdachte verklaard dat hij dit gesprek herkent. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte aan dit telefoongesprek heeft deelgenomen en dat hij heeft gesproken met de gebruiker van het nummer [gsm] die hij aanduidt als meneer X. Uit opgenoemde CIE-informatie volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] gebruik zou maken van genoemd nummer. [medeverdachte 1] heeft bij zijn eerste verhoor ook verklaard dat [gsm] zijn nummer is.(3) Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat in genoemde verklaring van verdachte met meneer X medeverdachte [medeverdachte 1] is bedoeld.

In zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 15 september 2009 heeft verdachte tevens gesproken over een meneer B die met een kleine witte trekker op de luchthaven rijdt. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft zelf verklaard op een witte trekker te rijden.(4) Tijdens een observatie op de luchthaven Schiphol op 10-11 januari 2009 wordt medeverdachte [medeverdachte 3] gezien als bestuurder van een bagagetrekker van Menzies.(5) Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard met betrekking tot het incident op 11 januari 2009 dat hij op de avond van

10 januari 2009 een Marokkaanse man op de luchthaven heeft ontmoet, dat hij die man Maroc noemt en dat Maroc op een witte bagagetrekker rijdt.(6) [medeverdachte 4] heeft tevens verklaard dat hij met Maroc doelt op medeverdachte [medeverdachte 3].(7) Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte in genoemde verklaring met meneer B medeverdachte [medeverdachte 3] bedoelt.

4.2.3 Cocaïne

Niet van alle transporten waarin de rechtbank in het onderstaande tot een bewezenverklaring zal komen, is cocaïne in beslag genomen en is een deskundigenrapport beschikbaar waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen stof cocaïne als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I bevat. De rechtbank gaat er evenwel op grond van na te noemen omstandigheden vanuit, dat het ook bij de onderstaande bewezenverklaarde transporten en/of voorbereidingshandelingen om cocaïne gaat:

1. bij de transporten die zijn beschreven in de zaaksdossiers B2, B5, B9 en B10 heeft er wel inbeslagneming plaatsgevonden en is, na deskundig onderzoek, vastgesteld dat het telkens om cocaïne ging;

2. de modus operandi is bij alle transporten vrijwel identiek;

3. in de afgeluisterde gesprekken is het versluierde taalgebruik steeds min of meer hetzelfde;

4. uit de verklaringen van verdachte(8) en [medeverdachte 5](9)(10) blijkt dat het ook in andere dan de hiervoor onder 1 opgesomde zaaksdossiers ging om de invoer van cocaïne.

4.2.4 Onderzoek afgeluisterde communicatie

In het onderzoek Socrates zijn diverse telefoonlijnen gekoppeld aan verdachte en zijn medeverdachten als gebruiker. In het geval van verdachte betreft het de telefoonnummers

[gsm 1], [gsm 2], [gsm 3] en [gsm 4].

Deze telefoonlijnen zijn met toestemming van de rechter-commissaris in strafzaken van deze rechtbank afgeluisterd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gesprekken ook daadwerkelijk door de in de processen-verbaal aan het nummer gekoppelde gebruiker gevoerd. Bij de behandeling van hun zaken heeft iedere verdachte verklaard dan wel niet (gemotiveerd) betwist met de aan hem/haar gekoppelde telefoonnummers te hebben gebeld.

4.3 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

zaaksdossier B1:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• tapverslagen.(11)

zaaksdossier B3:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• tapverslagen.(12)

zaaksdossier B5:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• tapverslagen;(13)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2008;(14)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 26 oktober 2008;(15)

• een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Douane Laboratorium Amsterdam van 5 november 2008, kenmerk PL27RR/08-080593, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige [naam deskundige].(16)

zaaksdossier B8:

Op woensdagavond 5 november 2008 hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een ontmoeting in Amsterdam. Gezien wordt dat verdachte een papier ter grootte van een A4 aan [medeverdachte 1] toont en dat zij er samen op kijken.(17) Kort na deze ontmoeting verstuurt [medeverdachte 1] per sms het bericht ‘[woord] 754 08.nov kaur.d.+744/16 nov.’ naar een bij hemzelf in gebruik zijnd telefoonnummer.(18) Op 11 november 2008 om 14.44 uur belt [broer van verdachte] naar [vrouw van verdachte] (de broer respectievelijk de vrouw van verdachte). Zij praten over het opsturen van geld via Western Union en over een telefoonnummer van een hotel.(19) Aan het einde van die middag vinden er opnieuw diverse telefoongesprekken tussen laatstgenoemde personen plaats. In een gesprek om 17.26 uur praten zij over de naam van het meisje. [vrouw van verdachte] zal het opsturen.(20) Kort daarna stuurt [vrouw van verdachte] naar [broer van verdachte] een sms met de volgende tekst ‘[koerier 1]’.(21) Op 13 november 2008 vindt een telefoongesprek plaats tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waarin wordt gesproken over het feit dat [bijnaam verdachte] wat heeft voor zondag de 16e.(22) Op 14 november 2008 belt medeverdachte [medeverdachte 4] naar medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt tegen hem dat hij denkt dat [bijnaam verdachte] iets heeft voor de 16e. [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen in het systeem gaat kijken. [medeverdachte 4] bevestigt dat hij er het weekend is.(23) Vervolgens belt [medeverdachte 4] naar verdachte. [medeverdachte 4] zegt dat het tijd wordt voor voetbalwedstrijden en verdachte bevestigt dat. [medeverdachte 4] vraagt of verdachte van het weekend gaat voetballen. Verdachte zegt dat het niet doorging en dat de wedstrijd is afgelast. [medeverdachte 4] zegt dat hij zojuist gehoord heeft dat ze zondag gaan voetballen. [medeverdachte 4] zegt verder dat hij zo gaat kijken voor verdachte want hij hoort 16. [medeverdachte 4] vraagt hoe het met het team van verdachte gaat. Verdachte zegt dat ze te weinig spelers hadden en dat het daarom niet doorging. Verdachte zegt dat het verplaatst wordt en dat ze vragen wanneer [medeverdachte 4] kan.(24) Verdachte heeft over dit tapgesprek verklaard dat met voetbalwedstrijden en voetballen een zending verdovende middelen wordt bedoeld en dat het niet over voetbal gaat.(25)

Op 14 november 2008 belt [broer van verdachte] naar verdachte dat het is veranderd, dat ze er nog mee bezig zijn en dat hij nog niet weet wanneer.(26)

Op 15 november 2008 belt [medeverdachte 4] naar verdachte. [medeverdachte 4] vraagt wanneer hij moet voetballen voor verdachte. [medeverdachte 4] zegt dat hij straks voor verdachte gaat kijken en het dan aan hem laat weten.(27)

Op 17 november 2008 omstreeks 13.25 uur is op Schiphol de vlucht KL744 vanuit Lima (Peru) aangekomen.(28) Drie douanemedewerkers hebben de opdracht om [koerier 1] die met voornoemde vlucht zou aankomen en hoogstwaarschijnlijk verdovende middelen zou vervoeren, samen met haar bagage te onderwerpen aan een douanecontrole. Op 17 november 2008 om 13.30 uur wordt genoemde [koerier 1] onderkend. In haar handbagage werd een notitie aangetroffen met instructies hoe te handelen op Schiphol. Er worden in haar bagage geen verdovende middelen aangetroffen.(29)

Op 13 januari 2009 zijn bij een doorzoeking in de woning van verdachte onder meer de volgende bescheiden aangetroffen:

- een reisschema op naam van [koerier 1]. Het schema geeft onder meer aan dat deze persoon op 15 november 2008 zou reizen van Lima naar Amsterdam met de KL744 en zou aankomen in Amsterdam op 16 november 2008 om 13.25 uur en daarna diezelfde dag door zou vliegen met de KL3403 naar Rome om 16.45 uur. Daarnaast is eenzelfde reisschema aangetroffen op naam van [koerier 1];(30)

- een bon van Western Union waaruit blijkt dat op 11 november 1000 euro is overgemaakt aan een persoon in Peru. De ontvanger is [koerier 1].(31)

Gelet op het door verdachte en zijn medeverdachten in telefoongesprekken gebruikte versluierde taalgebruik - hetgeen verdachte met betrekking tot een door hem zelf gevoerd gesprek ook heeft erkend - kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de hiervoor genoemde gesprekken en berichten, in onderling verband en samenhang bezien en in verband met de eveneens hiervoor opgenomen overige redengevende feiten en omstandigheden, betrekking hebben op voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van een hoeveelheid cocaïne in Nederland vanuit Lima (Peru).

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van

5 november 2008 tot en met 17 november 2008 tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland heeft verricht.

zaaksdossier B10:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• tapverslagen;(32)

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van observeren d.d. 6 november 2008;(33)

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 30 november 2008;(34)

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 17 december 2008;(35)

• een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam van 29 december 2008, kenmerk 12711 X 08 opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige [naam deskundige].(36)

Ten aanzien van feit 2:

zaaksdossier B9:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• tapverslagen;(37)

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2008 met bijlagen;(38)

• een geschrift, te weten een antwoord op een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van Peru waarin is opgenomen een proces-verbaal van aangifte van de Peruaanse officier van justitie [naam officier van justitie] verbonden aan het openbaar ministerie te Callao d.d. 11 december 2008.(39)

Ten aanzien van feit 3:

Zaaksdossier B13:

Incident 1:

Op 17 september 2008, aan het einde van middag, wordt medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld door een onbekende man die laat weten dat hij klaar is voor ‘P’ morgen. De onbekende laat echter ook weten dat hij nog niet de tags van het meisje heeft en vraagt [medeverdachte 1] welke aansluiting hij wilde hebben. [medeverdachte 1] laat hierop weten dat hij de AZ109 wil hebben.(40) Een half uur later belt [medeverdachte 1] naar deze onbekende man. Deze laat weten dat er vandaag iets vertrekt met die ‘P’ en dat hij er vijftien stuurt. De onbekende man laat tevens weten dat het niet met de 792 komt maar met de 744 en dat hij nadere informatie zal sturen.(41) Later die dag neemt [medeverdachte 1] contact op met medeverdachte [medeverdachte 3] en vertelt hem dat hij vanavond de informatie voor morgen krijgt en dat [medeverdachte 3] zijn telefoon aan moet houden.(42)

Korte tijd later belt de onbekende man weer naar [medeverdachte 1] en laat hem weten dat alles in orde is en dat er drie kleine enveloppen komen met in elk vijf euro, deze kleine enveloppen zitten in een grote envelop. Zodra het weg is zal de onbekende man aan [medeverdachte 1] de informatie sturen die nodig is.(43) Een klein uur later belt verdachte naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] laat verdachte weten dat als het morgen mooi weer is er gevoetbald wordt. Verdachte antwoordt desgevraagd dat hij morgen beschikbaar is om te spelen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zal een team samenstellen. [medeverdachte 1] heeft vervolgens telefonisch contact met medeverdachte [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] laat hem weten dat hij er de volgende dag niet is omdat hij vrij is.(44) Dit gegeven wordt door [medeverdachte 1] doorgegeven aan verdachte. [medeverdachte 3] informeert bij [medeverdachte 1] hoe laat het komt. [medeverdachte 1] antwoordt dat het om ongeveer twee uur komt waarop [medeverdachte 3] laat weten dat hij er dan is. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 3] dat de [bijnaam verdachte] en hij er ook zullen zijn.(45) Om 22.27 uur heeft [medeverdachte 1] wederom contact met de onbekende man. [medeverdachte 1] laat hem weten dat alles gereed is en dat hij op de informatie wacht. De onbekende laat weten dat het nog niet vertrokken is maar zodra dat gebeurd is zal hij de informatie per sms doorgeven aan [medeverdachte 1].(46) De volgende ochtend ontvangt [medeverdachte 1] van de onbekende man het sms-bericht met de tekst: ‘Cancel’.(47) Vervolgens laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3](48) en verdachte(49) weten dat het niet doorgaat.

Onderzoek heeft uitgewezen dat op 18 september 2008 vlucht KL744 uit Peru aankwam op Schiphol.(50) Daarnaast heeft verdachte verklaard dat als telefonisch werd gesproken over voetballen, dat dan eigenlijk een zending verdovende middelen werd bedoeld.(51)

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat meneer X (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) hem heeft gevraagd of hij beschikbaar is om iets te doen met verdovende middelen en dat als meneer X in een telefoongesprek zegt dat het niet goed was, dit betekent dat het transport van de verdovende middelen niet door ging.

Op basis van de verklaringen van verdachte, de tapgesprekken, het sms-bericht en de wijze waarop verdachte en zijn mededaders gedurende de gehele periode waar het onderzoek Socrates betrekking op heeft, drugstransporten organiseerden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte en zijn mededaders in versluierd taalgebruik praten over het onderscheppen van verdovende middelen. Uit de tapgesprekken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat medeverdachte [medeverdachte 1] verneemt dat de volgende dag een zending verdovende middelen vanuit Peru met vlucht KL744 aankomt. [medeverdachte 1] geeft daarop door welke doorvlucht de koerier moet nemen. Tevens zorgt hij ervoor dat verdachte en [medeverdachte 3] beschikbaar zijn voor het onderscheppen van een koffer. De beschikbaarheid van de afhalers is in de verschillende zaaksdossiers een voorwaarde gebleken om drugstransporten te organiseren. Dit leidt ertoe dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte op 17 september 2008 en 18 september 2008 tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland heeft verricht. Dat verdachte, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, zich in dit geval alleen beschikbaar heeft gehouden om een koffer te onderscheppen en zelf – kort samengevat – dit keer geen coördinerende rol heeft vervuld, doet aan niet af aan het feit dat er tussen verdachte en de medeverdachten nauw en bewust is samengewerkt met het oog op het binnenhalen van een zending verdovende middelen.

Incident 2:

Op 22 september 2008 belt medeverdachte [medeverdachte 3] naar medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat hun vriend [onbekende] terug is en dat hij hen zo op de hoogte gaat brengen.(52) [medeverdachte 1] neemt op 23 september 2008 telefonisch contact op met [medeverdachte 3] en vertelt hem dat [onbekende] hem net heeft gebeld en iets heeft voor morgenmiddag. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 3] of hij kan helpen. Het gaat om de vlucht die morgen om twee uur aankomt. [medeverdachte 3] zegt dat hij er morgenmiddag om half twee is.(53) Meteen daarna belt Roubari naar een onbekend gebleven persoon (NNman [NN1]) en zegt hem dat hij ervoor kan gaan.(54)

[medeverdachte 1] belt vervolgens naar verdachte en vraagt wat hij morgen doet. Verdachte geeft aan dat hij vrij is, maar dat [voornaam medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4]) werkt en dat hij hem zal vragen om naar [medeverdachte 1] te bellen.(55) Nog diezelfde avond belt verdachte naar [medeverdachte 1] en geeft hij aan dat [medeverdachte 4] er morgen gewoon is en dat [medeverdachte 4] hem zal bellen. [medeverdachte 1] zegt dat als het goed gaat hij ook verdachte zal bellen, zo kunnen ze allemaal samen wat doen.(56) De volgende morgen wordt [medeverdachte 1] door medeverdachte [medeverdachte 4] opgebeld. [medeverdachte 1] geeft door dat hij nog geen informatie binnen heeft, maar dat hij later op de dag contact met hem zal opnemen.(57) Niet veel later wordt [medeverdachte 1] gebeld door een andere onbekend gebleven persoon (NNman [NN2]) dat het niet doorgaat.(58) Via een sms met het bericht “afzeggen” wordt [medeverdachte 3] door [medeverdachte 1] op de hoogte gebracht.(59)

Ter terechtzitting heeft verdachte over de hiervoor genoemde twee telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] verklaard dat het over verdovende middelen gaat en dat hij wist dat medeverdachte [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] moest bellen vanwege een mogelijke zending met verdovende middelen. Verder heeft verdachte op de vraag wat [medeverdachte 1] bedoelt als hij in het tweede telefoongesprek tegen verdachte zegt dat hij hem, verdachte, ook gaat bellen en dat zij zo allemaal samen wat doen, verklaard dat hij dat niet weet.

Op grond van deze verklaring van verdachte en de hiervoor genoemde tapgesprekken, in samenhang met de werkwijze waarop verdachte en zijn mededaders gedurende de gehele periode waar het onderzoek Socrates betrekking op heeft, drugstransporten organiseerden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte en zijn mededaders in versluierd taalgebruik praten over het onderscheppen van verdovende middelen.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn mededaders zodat hij als medepleger van de voorbereidingshandelingen van deze invoer van verdovende middelen dient te worden aangemerkt.

Dat verdachte, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, niet het initiatief heeft genomen en zelf op de bewuste dag niet aan het werk was, doet aan het voorgaande niet af. Verdachte heeft immers, in de wetenschap dat het over verdovende middelen ging, in het kader van de voorbereiding van een nieuwe zending met verdovende middelen die Nederland ingevoerd zou gaan worden medeverdachte [medeverdachte 4] benaderd en hij zou bovendien door medeverdachte [medeverdachte 1] weer gebeld worden zodat hij – naar de rechtbank aanneemt – zou kunnen meedelen in de eventuele verdiensten.

Incident 3:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

• tapverslagen.(60)

Incident 5:

Medeverdachte [medeverdachte 1] belt op 5 november 2008 naar een onbekend gebleven persoon (hierna NNman [NN2]) en zegt dat de dagen voorbij gaan, dat hij helemaal niets krijgt en dat zijn maag leeg raakt.(61) [medeverdachte 1] wordt even later gebeld door NN-man [NN2], die het heeft over komende zondagmorgen en de vroege (the early one). [medeverdachte 1] zegt dat het oké is en dat hij het zal proberen.(62) [medeverdachte 1] informeert een dag later medeverdachte [medeverdachte 4] dat er voor het weekend iets komt.(63) [medeverdachte 1] belt op 7 november 2008 naar [medeverdachte 7] en vraagt om zijn hulp voor aankomende zondagochtend zodat zij beiden kunnen eten.(64) Vervolgens geeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] door dat die van zondag blijft.(65) [medeverdachte 1] geeft in de ochtend van

9 november 2008 door aan [medeverdachte 3] dat hij nu eerst naar zijn vriend toegaat, dat hij dat even gaat halen en daarna naar [medeverdachte 3] komt die aan het werk is.(66) Kort daarna belt [medeverdachte 1] met verdachte aan wie hij vertelt dat ze over 1 a 1,5 uur een feestje hebben, dat hij naar verdachte toekomt, dat hij al gesproken heeft met onze vriend binnen en dat hij de voetbal moet gaan ophalen. Verdachte vindt het geen probleem.(67) Vervolgens verstuurt [medeverdachte 1] aan zichzelf een sms met de volgende inhoud: 096321 [woord].(68) Hij verstuurt dit bericht ook per sms aan [medeverdachte 3].(69) Tegen het eind van de ochtend van 9 november 2008 vraagt [medeverdachte 1] aan verdachte of hij wil checken de 792 of er ook een big brother in de buurt is. Ook geeft [medeverdachte 1] aan dat hij over 20 minuten bij hem, verdachte is.(70) [medeverdachte 3] geeft om 12.00 uur aan [medeverdachte 1] door dat hij nog niks heeft.(71) Om 12.30 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 1] meldt dat hij bij [bijnaam verdachte] staat en [medeverdachte 3] geeft door dat het nog steeds niks is.(72) Op 10 november 2008 om 15.33 uur belt [medeverdachte 1] met NN-man [NN2] en zegt hem dat hij helemaal niets heeft.(73)

De rechtbank stelt vast dat in de hiervoor genoemde telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachten versluierd taalgebruik wordt gebezigd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat wanneer wordt gesproken over een feestje of voetballen het over een zending verdovende middelen gaat. Ook heeft verdachte destijds bij de rechter-commissaris verklaard dat als zij spraken over eten, het niet echt over eten ging maar over verdovende middelen.(74)

Uit deze verklaringen van verdachte, de hiervoor genoemde tapgesprekken en in samenhang bezien met de werkwijze waarop verdachte en zijn mededaders gedurende de gehele periode waar het onderzoek Socrates betrekking op heeft, drugstransporten organiseerden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte en zijn mededaders in versluierd taalgebruik praten over het onderscheppen van een zending verdovende middelen die uiteindelijk kennelijk niet gevonden wordt.

Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte in de periode van 5 november 2008 tot en met 10 november 2008 tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland heeft verricht.

Dat verdachte, zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, [medeverdachte 1] wel heeft ontmoet maar dit keer medewerking zou hebben geweigerd en dat [medeverdachte 1] daarover een beetje boos was, strookt niet met de inhoud van de tussen hem en [medeverdachte 1] afgeluisterde telefoongesprekken en de ontmoeting die heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank verdachtes verklaring op dit punt niet aannemelijk acht.

Incident 6:

Op 8 november 2008 belt medeverdachte [medeverdachte 3] naar ene [onbekende 2] en zegt dat het vandaag om 6 uur is binnengekomen en dat hij morgen weer om 6 uur binnen komt. [onbekende 2] zegt dat het mooi is en dat ze het kunnen regelen.(75) Op 8 november 2008 om 15.35 uur heeft medeverdachte [medeverdachte 3] telefonisch contact met medeverdachte [medeverdachte 5]. [medeverdachte 5] zegt dat hij met een gozer zit die iets heeft en dat ze willen werken, ze willen samen solliciteren. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] spreken af voor de volgende dag.(76) Op 9 november 2008 om 18.20 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en informeert bij [medeverdachte 1] of deze en verdachte op dinsdag werken omdat [medeverdachte 3] misschien iets voor zijn broer heeft. [medeverdachte 1] laat weten dat hij niet moet werken maar er wel is en dat ook verdachte die dag werkt.(77) De volgende dag laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] weten dat als er iets uit het systeem nodig is dan kan [medeverdachte 1] daar voor zorgen.(78) Op 10 november 2008 om 18.15 uur laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] weten dat hij is gebeld en dat hij heeft gehoord dat dinsdag onmogelijk is maar dat woensdag wel kan. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 3] dat dit geen probleem is.(79) Op 11 november 2008 om 18.41 uur laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] weten dat hij gesproken heeft met zijn broer en vriend en dat de datum weer veranderd is. [medeverdachte 3] stelt voor om met verdachte samen te werken. [medeverdachte 1] zal een afspraak regelen.(80) Op 11 november 2008 belt medeverdachte [medeverdachte 1] naar verdachte en zegt dat de broer van hun vriend wil afspreken om samen iets te delen. Ze regelen een ontmoeting voor de volgende dag.(81)

Op 13 november 2008 belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt dat ze voorlopig één klusje hebben voor het weekend, voor de 2 uur. [medeverdachte 3] zegt dat als het goed gaat hij ook op zaterdag voor die broer heeft. [medeverdachte 1] zegt dat ze misschien allemaal kunnen profiteren.(82) Diezelfde dag belt verdachte naar [medeverdachte 3] en zij hebben het erover dat ze elkaar overmorgen gaan zien en dat zaterdag oke is.(83) Op 15 november 2008 te 00.09 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en vraagt of hij morgen vroeg heeft. [medeverdachte 1] zegt dat de tijd is veranderd en vraagt of [medeverdachte 3] even die naam kan sturen.(84) Ongeveer een uur later stuurt [medeverdachte 3] een sms naar [medeverdachte 1] met het bericht “[woord] 356600”.(85) Weer later belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] zegt dat de naam niet klopt.(86) Op 15 november 2008 te 15.00 uur belt verdachte naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij al thuis is en dat die van vandaag niet meer was doorgegaan.(87)

Ter terechtzitting heeft verdachte met betrekking tot dit incident verklaard dat hij in opdracht van meneer X (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) [NAAM] en meneer B (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]) met elkaar in contact moest brengen.

De rechtbank leidt hieruit af dat deze contacten wederom gaan over verdovende middelen. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte en zijn medeverdachten in de afgeluisterde gesprekken en sms-berichten versluierd taalgebruik gebruiken. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde telefoongesprekken in onderling verband en samenhang bezien en in aanmerking nemend de werkwijze waarop verdachte en zijn mededaders gedurende de gehele periode waar het onderzoek Socrates betrekking op heeft, drugstransporten organiseerden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 8 november 2008 tot en met 15 november 2008 tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland heeft verricht.

Incident 8:

Op 13 januari 2009 is in de woning van verdachte aan de [adres] aangetroffen en in beslag genomen een bagagelabel op naam van [onbekende 3] voor de vlucht KL754 d.d. 7 oktober 2008 vanuit Equador met een doorvlucht LO270 naar Warschau. De bagage van deze vlucht wordt afgehandeld door Menzies.(88)

Verdachte en ook medeverdachte [medeverdachte 2](89) hebben over de modus operandi met bagagelabels een verklaring afgelegd. Deze komen erop neer dat gebruikte bagagelabels naar een bron- en doorvoerland van verdovende middelen worden verstuurd. Daar worden deze bagagelabels aan koffers met verdovende middelen bevestigd en de koffers gaan aan boord van het vliegtuig dat naar Schiphol vliegt. Na aankomst worden de koffers in het transport/ bagagesysteem van Schiphol geplaatst. Het systeem is in staat om de bagagelabels te lezen en transporteert de koffers naar de juiste banden. Daar het een gebruikte bagagelabel betreft, komt de koffer met verdovende middelen op een bepaalde bagageband in de bagagekelder terecht die bekend is bij verdachte en zijn medeverdachten.

Verdachte heeft meer specifiek nog verklaard dat op enig moment meneer X (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) naar hem is toegekomen met de mededeling dat [NAAM] en zijn compagnon het ook zonder passagiers konden doen, maar dan met zo’n label zoals bij verdachte thuis is aangetroffen. Hij moest dat label aan [NAAM] geven met deze informatie. Er zat wel een nadeel aan namelijk dat als de douane die koffer met verdovende middelen zou onderkennen en in beslag zou nemen er dan geen uitdraai kon worden gemaakt en er dus geen bewijs geleverd kon worden dat de koffer niet was gestolen.

Op 3 september 2008 belt [bijnaam medeverdachte 8] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 8]) naar [medeverdachte 3]. [bijnaam medeverdachte 8] vraagt naar tickets.(90) Op 17 september 2008 belt NNman [NN3] naar [medeverdachte 1]. Dit gesprek gaat over het versturen van de tickets.(91) NN man [NN4] belt naar [medeverdachte 1]. NNman kan het trekken met de tags/labels regelen en vraagt wat [medeverdachte 1] voor een aansluiting wil hebben. [medeverdachte 1] wil het voor de een nul negen (109).(92) Op 22 september 2008 belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5]. [medeverdachte 3] vraag om 10 tickets, 5 van ‘dit’ en 5 van ‘dat’ en vraagt aan [medeverdachte 5] of hij dat kan regelen.(93) Op 16 december 2008 belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij nog vijf kaartjes voor die wedstrijd van twee uur heeft en vraagt of [medeverdachte 1] deze nog nodig heeft.(94)

De rechtbank stelt vast dat in de hiervoor genoemde afgeluisterde telefoongesprekken door medeverdachten in versluierde taal wordt gesproken en dat met tickets en kaartjes gebruikte bagagelabels worden bedoeld. Op grond van de inhoud van deze telefoongesprekken en in aanmerking nemend dat verdachte in het bezit was van een gebruikte bagagelabel en ook wist waarvoor deze kon worden gebruikt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen gericht op de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland heeft verricht.

Ten aanzien van feit 4:

Zaaksdossier B14:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Naar vaste rechtspraak is van een criminele organisatie onder meer sprake als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en hier een aandeel in hebben, ofwel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een criminele organisatie dient zich voorts te kenmerken door een zekere bestendigheid of duurzaamheid van het gestructureerde samenwerkingsverband, waarbij niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Op grond van na te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie.

In de onderlinge contacten tussen verdachte en genoemde medeverdachten is veelvuldig en op georganiseerde wijze gebruik gemaakt van mobiele telefoons. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een criminele organisatie is met name van belang dat er via mobiele telefoons frequent contact tussen verdachte en zijn opdrachtgevers en medeverdachten is geweest alsmede dat deze telefonische contacten betrekking hadden op het feitelijk onderscheppen van koffers met cocaïne en deze vervolgens van de airside naar de landside te vervoeren. Op 15 september 2009 bij de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bij de hem ten laste gelegde feiten een uitvoerende rol heeft gespeeld. Ten aanzien van zaaksdossier B1 heeft verdachte opdracht gekregen om koffers van het terrein van Schiphol af te rijden met een busje van Iberia en hij heeft hierover gesprekken gevoerd, zowel telefonisch als in persoon met meneer X (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]). Ten aanzien van zaaksdossier B3 heeft verdachte verklaard dat hij voor een man genaamd [NAAM] werkte en dat hij als tussenpersoon fungeerde. Verdachte moest contact onderhouden tussen [NAAM] en meneer X. Verdachte is door meneer X gebeld dat hij een koffer bij de B-pier kon ophalen. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij geld heeft ontvangen van [NAAM] en dat verdachte geld heeft gegeven aan meneer X. Ten aanzien van zaaksdossier B9 heeft verdachte gegevens van [NAAM] gekregen en deze weer aan meneer X gegeven. Later heeft verdachte telefonisch aan meneer X de informatie gegeven dat het niet door ging. Ten aanzien van zaaksdossier B10 functioneerde verdachte wederom als tussenpersoon en is er telefonisch contact geweest over gewijzigde data. Ten aanzien van zaaksdossier B13 kan verdachte zich nog een sms-bericht herinneren. Verdachte heeft verklaard dat de tekst van dit bericht “he [bijnaam verdachte] onze vriend kan niet komen hij was dronken” gaat over een zending verdovende middelen van [NAAM].

Dat gesproken kan worden van een gestructureerde organisatie kan worden afgeleid uit de modus operandi zoals onder 4.2.1 reeds overwogen. De verdovende middelen waren steeds afkomstig uit Zuid-Amerikaanse landen (Brazilië in zaaksdossiers B3 en B5, Equador in zaaksdossier B10 en Peru in zaaksdossiers B8 en B9) en moesten telkens op Schiphol onderschept worden, voordat de koeriers zouden doorvliegen met de AZ naar Italië, waarbij de transferbagage werd afgehandeld door Menzies Aviation, werkgever van medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] en voormalig werkgever van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. Voor het verdere vervoer van de airside naar de landside werd gebruik gemaakt van een bedrijfsauto van de Spaanse luchtvaartmaatschappij Iberia, werkgever van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4]

Zoals onder 4.2.3 reeds overwogen, gaat de rechtbank op grond van de aldaar genoemde feiten en omstandigheden er vanuit, dat bij de bewezenverklaarde transporten en/of de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen het steeds om cocaïne gaat.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken heeft de rechtbank afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten op de hoogte waren van de invoer van cocaïne in Nederland.

De verdachten communiceerden aan de hand van versluierd taalgebruik als zij over vluchtnummers, gereed maken voor (het onderscheppen van) een zending verdovende middelen, een zending verdovende middelen en het niet doorgaan van een zending verdovende middelen spraken.(95)(96)

Verdachte heeft in dit verband bij de rechter-commissaris ook verklaard dat als er werd gesproken over voetballen, dat daarmee wordt bedoeld een zending verdovende middelen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam gestructureerd en hiërarchisch samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn medeverdachten en met een vaste rolverdeling.

Ten aanzien van feit 5:

Zaaksdossier B22:

Op 13 januari 2009 heeft op het woonadres van verdachte, aan de [adres], een doorzoeking plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking is een geldbedrag van

€ 94.355,- verdeeld over twee slaapkamers, aangetroffen. In één slaapkamer werd een bedrag van € 16.000,- euro aangetroffen en in een kluis in de andere slaapkamer een bedrag van

€ 78.355,-.(97) Dit bedrag was samengesteld uit 64 biljetten van 100 euro, 107 biljetten van 200 euro, 1051 biljetten van 50 euro, 28 biljetten van 500 euro en 1 biljet van 5 euro. Tevens werden bij de doorzoeking 5 horloges aangetroffen, 1 horloge van het merk Jaeger-Le Coultre, 1 horloge van het merk Rolex en 3 horloges van het merk Cartier. De horloges hebben een geschatte waarde van in totaal € 45.380,-.(98) Van het horloge van het merk Jaeger-le Coultre is een kwitantie in de woning van verdachte aangetroffen, waaruit blijkt dat de prijs van dit horloge, dat op 24 december 2007 op naam van verdachte tegen contante betaling is gekocht, € 11.700,- bedraagt. Tevens is in de woning de aankoopbon van het Rolex horloge aangetroffen. Dit horloge heeft, zo blijkt uit de kwitantie, een waarde van

€ 7.780,- en is op 3 mei 2007 eveneens gekocht op naam van verdachte en contant betaald. Van de drie Cartier horloges zijn geen aankoopbonnen in de woning aangetroffen. De waarde is vastgesteld door middel van determinatie bij het expertiseteam van de Douane, unit Fysiek toezicht passagiers Schiphol en de drie Cartier horloges vertegenwoordigen een waarde van respectievelijk € 5.050,-, € 16.500,- en € 4.350,-.(99) Verder is bij de doorzoeking onder verdachte een personenauto van het merk BMW, type 520 in beslag genomen.

Uit een onderzoek van bankrekeningafschriften van de primaire bankrekening van verdachte blijkt dat in de periode van 29 januari 2007 tot en met 22 december 2008 in totaal

€ 10.440,55 aan contanten is opgenomen en € 17.000,- aan contanten is gestort.(100) Er is onderzoek verricht naar diverse in de woning aangetroffen administratieve bescheiden. Daaruit volgt dat in de periode van 24 januari 2007 tot en met 29 november 2008 voor een bedrag van ruim € 23.000,- aan contante betalingen zijn gedaan.(101)

Tijdens de doorzoeking zijn tenslotte in een ordner diverse money transfers aangetroffen, waaronder 1 op naam van verdachte.

Uit gegevens verstrekt door de belastingdienst is gebleken dat verdachte in 2007 een bruto jaarsalaris van € 38.643,- heeft genoten en in 2008 een bruto jaarsalaris van € 39.018,-.(102) Verdachtes vrouw, [vrouw van verdachte] staat als fiscaal partner genoteerd en van haar zijn over de jaren 2007 en 2008 geen looninkomsten bekend.(103) Verder is gebleken dat zij in 2007 en 2008 geen rente uit vermogen heeft ontvangen alsmede dat van [naam onderneming]., de onderneming waaraan zij fiscaal gelieerd was, over de jaren 2007 en 2008 geen inkomsten, omzet of inkomsten uit rente bekend zijn en dat deze onderneming op 26 februari 2008 is opgeheven.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte en zijn partner genoten inkomen het bij en onder verdachte aangetroffen vermogen dat vele malen hoger is, niet kan verklaren. Uit een onderzoek van het bureau financiële recherche volgt zelfs dat volgens een berekening van het NIBUD verdachte in zijn gezinssituatie en uitgaande van minimale kosten, gemiddeld

€ 1.077,- per maand te kort zou komen om zijn maandelijkse lasten te kunnen voldoen.(104)

Verdachte heeft over het bij hem thuis aangetroffen geld verklaard dat een deel van dit geld van zijn vrouw en schoonzus is (en afkomstig zou zijn uit een erfenis) en dat het hem toebehorende geldbedrag (ruim 58.000 euro) afkomstig is van leningen bij banken die hij thuis bewaart en dat hij de rest heeft gespaard. Met betrekking tot de auto, waarvan geen aankoopnota of bankopname is aangetroffen, heeft verdachte aangegeven dat hij deze in het najaar van 2008 van zijn vader heeft gekocht voor misschien 6000 euro, welk bedrag dan kennelijk contant moet zijn betaald.

Gelet op het aantreffen van zo’n groot geldbedrag in huis, de wijze waarop de auto en twee van de vijf kostbare horloges zijn betaald, namelijk contant, de inkomsten en financiële positie van verdachte en het feit dat verdachte, zoals hiervoor is genoemd, betrokken was bij het meerdere malen invoeren van verdovende middelen, is de rechtbank - bij gebreke van een aannemelijke verklaring van verdachte daarover - van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld afkomstig is van misdrijf en dat de horloges en de auto zijn gekocht met geld dat is verkregen uit misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert het gegeven dat verdachte deze goederen voorhanden had tevens de wetenschap dat deze van enig misdrijf afkomstig zijn.

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008, te weten op

- 01 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en

- 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en

- 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en

- 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

en

hij op meer tijdstippen in de periode 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008 te weten op de dagen

- 1 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en

- 26 september 2008 t/m 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en

- 21 oktober 2008 t/m 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en

- 05 november 2008 t/m 17 november 2008 (zaaksdossier B8) en

- 02 november 2008 t/m 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen,

telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen telkens:

- meermalen met elkaar en/of met een contactpersoon van opdrachtgever telefonisch contact gelegd en onderhouden en

- meermalen afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- meermalen ontmoetingen gehad en gearrangeerd op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL om afspraken te maken en informatie door te geven en

- meermalen telefonisch informatie verstrekt en/of instructies gegeven en/of informatie en/of instructies ontvangen ten behoeve van invoer van een of meer zendingen of transporten verdovende middelen en

- meermalen vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en - meermalen zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van informatie over een of meer koffers inhoudende verdovende middelen en

- meermalen een of meer koffers inhoudende verdovende middelen gezocht en/of laten zoeken en

- meermalen telefonisch dienstroosters en/of werktijden doorgegeven en/of ontvangen en

- meermalen informatie betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage opgezocht en/of laten opzoeken in een geautomatiseerd systeem en

- meermalen geld ontvangen en/of gegeven.

Feit 2

(zaaksdossier B9)

hij in de periode van 26 november 2008 tot en met 29 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Peru, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 15.000 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, handelingen hebben verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders:

- bagage inhoudende 15000 gram cocaïne ingecheckt voor een vlucht van Peru naar Nederland en/of

- meermalen met elkaar en/of met een contactpersoon van opdrachtgever telefonisch contact gelegd en/of onderhouden en/of

- afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- ontmoetingen gehad op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- meermalen telefonisch informatie verstrekt en/of instructies gegeven en/of informatie en/of instructies ontvangen ten behoeve van invoer van een zending verdovende middelen en/of

- vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en ontvangen en/of

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van informatie over/betreffende een of meer koffers inhoudende verdovende middelen en/of

- informatie betreffende vluchten en/of passagier en/of bagage opgezocht en/of laten opzoeken in een geautomatiseerd systeem.

Feit 3

(zaakdossier B13)

hij op meer tijdstippen in de periode 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009, te weten op de dagen

- 17 september 2008 tot en met 18 september 2008 (incident 1) en

- 22 september 2008 (incident 2) en

- 9 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 (incident 3) en

- 5 november 2008 tot en met 10 november 2008 (incident 5) en

- 8 november 2008 tot en met 15 november 2008 (incident 6) en

- 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 (incident 8),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen,

telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen telkens:

- meermalen met elkaar en met een contactpersoon van opdrachtgevers telefonisch contact gelegd en onderhouden en

- meermalen afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- meermalen ontmoetingen gehad en gearrangeerd op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL om afspraken te maken en informatie door te geven en

- meermalen telefonisch informatie verstrekt en/of instructies gegeven en/of informatie en/of instructies ontvangen ten behoeve van invoer van een of meer zendingen of transporten verdovende middelen en

- meermalen vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en

- meermalen zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van informatie over een of meer koffers inhoudende verdovende middelen en

- meermalen een of meer koffers inhoudende verdovende middelen gezocht en/of laten zoeken en

- meermalen telefonisch dienstroosters en/of werktijden doorgegeven en/of ontvangen en

- meermalen informatie betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage opgezocht en/of laten opzoeken in een geautomatiseerd systeem en

- meermalen een of meer gebruikte en/of gekopieerde bagagelabels voorhanden gehad en/of verstrekt en/of ontvangen.

Feit 4

(zaaksdossier B14)

hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en zijn mededaders en andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I en/of

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

* een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en/of

* voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Feit 5

(zaaksdossier B22)

hij op 13 januari 2009, in Nederland, voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 94.355,- Euro en

- horloges van de merken Cartier en Jaguer-le Coultre en Rolex en

- een auto BMW 5er Reihe 520, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken],

voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van een poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet.

Ten aanzien van feit 5:

witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 8 oktober 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen met zeer grote regelmaat in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan het meermalen via Schiphol invoeren van tientallen kilo’s cocaïne en/of voorbereidingshandelingen gericht op die invoer. Daarnaast heeft verdachte met anderen gepoogd 15 kilogram cocaïne in te voeren en heeft hij met zijn mededaders meermalen voorbereidingshandelingen verricht gericht op de invoer van verdovende middelen. Tevens vormde verdachte met anderen een criminele organisatie die tot doel had op georganiseerde wijze cocaïne in te voeren en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van goederen en een groot geldbedrag.

Bij de transporten werd er vrijwel steeds op dezelfde manier samengewerkt. Ieder binnen de organisatie had een eigen rol. Verdachte vormde in die organisatie een onmisbare schakel, niet alleen omdat hij met zijn bus van luchtvaartmaatschappij Iberia de onderschepte cocaïne van de luchthaven Schiphol af reed, maar ook omdat hij bij (mogelijke) transporten een coördinerende rol speelde. Verdachte fungeerde als tussenpersoon en gaf door hem ontvangen informatie over koeriers en vluchten door aan medeverdachte [medeverdachte 1].

De rechtbank neemt het verdachte daarnaast in het bijzonder kwalijk dat hij samen met zijn mededaders in ieder geval één koerier, waarvan de bagage door de overheid in beslag was genomen, onder druk liet zetten om de vervolgvlucht te maken in de wetenschap dat hij als dan zou worden aangehouden, vervolgd en veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Verdachte en zijn mededaders deden dit enkel om zichzelf vrij te kunnen pleiten tegenover de opdrachtgevers van diefstal van de betreffende verdovende middelen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan en weegt dit in strafverzwarende zin mee bij de op te leggen straf.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheden waren van dien aard dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag, te weten ruim € 94.000,-, meerdere dure horloges en een auto. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt bovendien het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd.

Verdachte heeft zich bij de bewezen verklaarde feiten enkel laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin ten koste van anderen. Daarbij heeft hij op ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot toegang van beveiligde delen van de luchthaven Schiphol. Met zijn handelen heeft verdachte de integriteit van de luchthaven Schiphol in diskrediet gebracht alsook zijn werkgever Iberia in grote verlegenheid gebracht.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte in aanmerking genomen, dat verdachte enigszins openheid van zaken heeft gegeven bij de rechter-commissaris.

De rechtbank is echter ook van oordeel dat verdachte een coördinerende én uitvoerende rol heeft gehad op grond waarvan verdachte als een controller en medeorganisator kan worden aangemerkt, hetgeen duidt op een hoge plaats in de organisatie.

Mede in aanmerking nemend de rol die verdachte bij de bewezenverklaarde feiten heeft gespeeld, de hoeveelheid feiten en de langdurige vrijheidsstraffen die aan twee medeverdachten in dit onderzoek zullen worden opgelegd, acht de rechtbank een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank doet de eis van de officier van justitie in het geval van verdachte onvoldoende recht aan zijn rol. Bovendien vindt de rechtbank dat de straf die aan verdachte moet worden opgelegd aanzienlijk hoger dient uit te vallen dan de straffen die de koeriers van deze transporten doorgaans krijgen opgelegd.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat van de straf die verdachte opgelegd dient te krijgen een sterk generaal preventief effect uit dient te gaan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de voorwerpen onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten zeven horloges, geld, twee printformulieren, een reisschema, een vliegticket, een kentekenbewijs, twee bagagelabels, formulier van western union en een kwitantie, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33, 33a, 45, 47, 55 lid 1, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

NEGEN (9) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

1 1.00 STK Horloge Kl: meerkl.

JAEGER-LE-COULR 2397472

tijdens zoeking in box aangetroffen

3 1.00 STK Horloge Kl: meerkl.

ROLEX oyster Z566558 116713

aangetroffen bij zoeking in box

4 1.00 STK Horloge Kl: zilver

CARTIER roadstar 488597NX 2675

aangetroffen bij zoeking in box

5 1.00 STK Horloge Kl: meerkl.

CARTIER SANTOS 100 3344030E

aangetroffen bij zoeking in box

6 1.00 STK Horloge Kl: wit

CARTIER CHRONOS caph 21 805097MX

aangetroffen bij zoeking

7 Geld Euro 94.355,00

52 1.00 STK Horloge

CARTIER SANTOS 100 3344030E

53 1.00 STK Horloge

CARTIER 805097MX

Chronograph 21

93 1.00 STK Formulieren

print

aangetroffen tijdens zoeking vertrek 01

99 1.00 STK Reisschema

aangetroffen tijdens zoeking vertrek 01

100 1.00 STK Vliegticket

074 2526579939

aangetroffen tijdens zoeking vetrek 01

105 1.00 STK Kentekenbewijs

BMW 520I deel 1 010030388

111 1.00 STK Label

KLM

bagagelabel

112 1.00 STK Label

KLM 0074kl321244

Bagagelabel

118 1.00 STK Formulieren

western un 22744499862

126 1.00 STK Kwitantie

-

uitgeschreven door firma [firma] te amsterdam

130 1.00 STK Formulieren

print

aangetroffen bij vertrek 03

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, van:

146 1.00 STK Sleutelbos

sleutelbos met 8 sleutels

Voetnoten:

1) De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte afgelegd bij de rechter-comissaris op 15 september 2009, I.47, dossierpagina 23041 e.v..

3) Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee op 21 januari 2009, C1.4.1, dossierpagina 9130.

4) Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee op 13 januari 2009 te 10.25 uur, B12.3.1, dossierpagina 4911.

5) Een proces-verbaal van observatie d.d. 14 januari 2009, B12.2.4, dossierpagina 4899.

6) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] op 12 februari 2009, C9.4.4, dossierpagina 11056 e.v..

7) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] afgelegd bij de rechter-commissaris op 14 september 2009, I.48, dossierpagina 23049 e.v..

8) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 15 september 2009, I.47, dossierpagina 23041 e.v..

9) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 5] afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee op 11 februari 2009 te 10.39 uur, C8.4.7, dossierpagina 10943 e.v..

10) Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 5] afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee op 17 februari 2009 te 9.20 uur, C8.4.7, dossierpagina 10943 e.v..

11) Schriftelijke stukken zijnde tapgesprekken d.d. 1 augustus 2008 te 06.40 uur, te 11.06 uur, te 11.28 uur, te 11.34 uur en te 11.42 uur (respectievelijk B1.1.1, B1.1.2, B1.1.4, B1.1.5 en B1.1.7 en dossierpagina’s 68, 69, 71, 72 en 74).

12) Schriftelijke stukken zijnde tapgesprekken d.d. 28 september 2008 te 00.37 uur, 00.45 uur, 01.09 uur, 14.33 uur, 15.20 uur en 21.07 uur (respectievelijk B3.1.3, B3.1.4, B3.1.5, B3.1.31, B3.1.33 en B3.1.35 en dossierpagina’s 1088, 1090, 1091, 1120, 1125 en 1128).

13) Geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 24 oktober 2008 om 14.14 uur, 22.36 uur, 22.38 uur en 23.35 uur (respectievelijk B5.1.6, B5.1.16, B5.1.17 en B5.1.25 en dossierpagina’s 2372, 2382, 2383 en 2391), tapgesprek d.d. 26 oktober 2008 om 13.44 uur, B5.1.51, dossierpagina 2419 en een tapgesprek d.d. 27 oktober 2008 om 14.04 uur, B5.1.53, dossierpagina 2423.

14) Dossierpagina’s 2471 e.v..

15) Dossierpagina’s 2508 e.v..

16) Dossierpagina 2656.

17) Een proces-verbaal van observeren van 6 november 2008, B8.4.1, dossierpagina´s 3929-3931.

18) Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 5 november 2008 te 22.49 uur, B8.1.5, dossierpagina 3693.

19) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 11 november 2008 te 14.44 uur, B8.1.7, dossierpagina 3696.

20) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 11 november 2008 te 17.26 uur, B8.1.16, dossierpagina 3706

21) Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 11 november 2008 te 17.28 uur, B8.1.17, dossierpagina 3707.

22) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 november 2008 te 11.28 uur, B8.1.19, dossierpagina´s 3709-3710.

23) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 november 2008 te 13.32 uur, B8.1.22, dossierpagina 3714.

24) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 november 2008, 13.55 uur, B8.1.23, dossierpagina 3716.

25) Proces-verbaal van verhoor van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 15 september 2009, I.47, dossierpagina 23043.

26) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 november 2008, 20.04 uur, B8.1.24, dossierpagina 3719.

27) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 15 november 2008, 16.19 uur, B8.1.26, dossierpagina 3722.

28) Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek KL744 van 18 november 2008, dossierpagina 3752.

29) Een proces-verbaal d.d. 18 november 2008, dossierpagina 3756.

30) Twee processen-verbaal van bevindingen van 3 februari 2009, B8.2.11 en B8.2.12, dossierpagina 3770 en 3772.

31) Een proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2009, B8.2.13, dossierpagina 3774.

32) Geschriften zijnde een sms-bericht en tapgesprekken d.d. 5 november 2008 om 22.49 uur (B10.1.10, dossierpagina 4161), d.d. 7 november 2008 om 15.54 uur, 15.59 uur en 16.54 uur (B10.1.16, B10.1.17 en B10.1.18 respectievelijk dossierpagina´s 4168, 4169-4170 en 4171-4172).

33) Dossierpagina’s 3929-3931.

34) Dossierpagina’s 4241-4244.

35) Dossierpagina’s 4289-4291.

36) Dossierpagina’s 4329-4330.

37) Geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 27 november 2008 om 18.37 uur (B9.1.2, dossierpagina 3959), d.d. 28 november 2008 om 12.35 uur en 13.56 uur (respectievelijk B9.1.3 en B9.1.5, dossierpagina’s 3960-3961 en 3963), d.d. 29 november 2008 om 11.54 uur, 14.15 uur, 15.06 uur (respectievelijk B9.1.8, B9.1.11 en B9.1.12, dossierpagina’s 3966, 3969 en 3970), en d.d. 2 december 2008 om 22.33 uur (B9.1.13, dossierpagina 3971-3972).

38) Dossierpagina´s 3986-4011.

39) Dossierpagina´s 22954 e.v..

40) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 17.54 uur, B13.1.1 dossierpagina 5196.

41) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 18.27 uur, B13.1.5 dossierpagina 5201.

42) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 19.22 uur, B13.1.7 dossierpagina 5204.

43) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 19.40 uur, B13.1.8, dossierpagina 5205.

44) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 20.54 uur, B13.1.18, dossierpagina 5215.

45) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 20.56 uur, B13.1.19, dossierpagina 5217.

46) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008, 22.27 uur, B13.1.20, dossierpagina 5218.

47) Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 18 september 2008, 6.24 uur, B13.1.24, dossierpagina 5222.

48) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 18 september 2008, 9.37 uur, B13.1.26, dossierpagina 5224.

49) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 18 september 2008, 9.39 uur, B13.1.27, dossierpagina 5225.

50) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2009, B13.2.3, dossierpagina 5442.

51) Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van verdachte d.d. 15 september 2009, I.47, dossierpagina 23042 e.v..

52) Een geschrift,zijnde een tapgesprek d.d. 22 september 2008 te 20.15 uur, B13.1.28, dossierpagina 5226.

53) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 september 2008 te 18.02 uur, B13.1.30, dossierpagina 5228.

54) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 september 2008 te 18.04 uur, B13.1.31, dossierpagina 5229.

55) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 september 2008 te 18.05 uur, B13.1.32, dossierpagina 5230.

56) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 september 2008 te 23.28 uur, B13.1.34, dossierpagina 5232.

57) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 september 2008 te 08.31 uur, B13.1.34a, dossierpagina 5233.

58) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 september 2008 te 08.46 uur, B13.1.34b, dossierpagina’s 5234-5.

59) Een geschrift zijnde een smsbericht d.d. 24 september 2008 te 10.24 uur, B13.1.34c, dossierpagina 5236.

60) Geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 13 oktober 2008 te 16.06 uur, B13.1.38, dossierpagina 5243, d.d. 14 oktober 2008 te 15.24 uur, B13.1.39, dossierpagina 5244, d.d. 15 oktober 2008, B13.1.40, dossierpagina 5245, d.d. 17 oktober 2008 te 19.06 uur, B13.1.43, dossierpagina 5248, d.d. 18 oktober 2008 te 00.01 uur, B13.1.44, dossierpagina 5249.

61) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 5 november 2008 te 16:13 uur, B13.1.53, dossierpagina 5259.

62) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 5 november 2008 om 17.52 uur, B13.1.54, dossierpagina 5261.

63) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 6 november 2008 om 12.06 uur, B13.1.55, dossierpagina 5262.

64) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 7 november 2008 om 19.22 uur, B13.1.59, dossierpagina 5266.

65) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 7 november 2008 om 20.05 uur, B13.1.60, dossierpagina 5267.

66) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 8 november 2008 om 08.08 uur, B13.1.64, dossierpagina 5271.

67) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 november 2008 om 08.46 uur, B13.1.66, dossierpagina 5273.

68) Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 9 november 2008 om 9.45 uur, B13.1.67, dossierpagina 5274.

69) Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 9 november 2008 om 9.56 uur, B13.1.69, dossierpagina 5276.

70) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 november 2008 om 11.21 uur, B13.1.70, dossierpagina 5277 .

71) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 november 2008 om 12.03 uur, B13.1.71, dossierpagina 5278.

72) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 november 2008 om 12.30 uur, B13.1.72, dossierpagina 5279.

73) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 10 november 2008 om 15.33 uur, B13.1.79, dossierpagina´s 5286-7.

74) Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 15 september 2009, I.47, dossierpagina 23042 e.v..

75) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 8 november 2008 te 08.01 uur, B13.1.80, dossierpagina 5288.

76) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 8 november 2008, 15.35 uur, B13.1.82, dossierpagina 5290.

77) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 november 2008, 18.20 uur, B13.1.85, dossierpagina 5294.

78) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 10 november 2008, 12.31 uur, B13.1.86, dossierpagina 5295.

79) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 10 november 2008, 18.15 uur, B13.1.90, dossierpagina 5299.

80) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 11 november 2008, 18.41 uur, B13.1.91, dossierpagina 5300-5301.

81) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 11 november 2008, 19,01 uur, B13.1.92, dossierpagina 5302.

82) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 november 2008 te 11.28 uur, B13.1.106, dossierpagina’s 5316-7.

83) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 november 2008 te 21.37 uur, B13.1.108, dossierpagina 5319.

84) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 15 november 2008 te 00.09 uur, B13.1.121, dossierpagina 5332.

85) Een geschrift zijnde een smsbericht d.d. 15 november 2008 te 01.22 uur, B13.1.122, dossierpagina 5333.

86) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 15 november 2008 te 06.21 uur, B13.1.124, dossierpagina’s 5335-6.

87) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 15 november 2008 te 15:00 uur, B13.1.133, dossierpagina 5345.

88) Een proces-verbaal van bevindingen bagagelabel d.d. 31 maart 2009, zaaksdossier B13, dossierpagina 5439.

89) Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d.10 februari 2009, B13.3.1, dossierpagina 5533.

90) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 3 september 2008 te 14.47 uur, B13.1.148, dossierpagina 5361.

91) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008 te 12.34 uur, B13.1.152, dossierpagina 5365.

92) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 17 september 2008 te 17.54 uur, B13.1.153, dossierpagina 5367.

93) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 22 september 2008 te 22.04 uur, B13.1.155, dossierpagina 5371.

94) Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 16 december 2008 te 19:48 uur, B13.1.146, dossierpagina 5359.

95) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2009, E1.445, dossierpagina 17808 e.v..

96) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2009, I.5, dossierpagina 22738.

97) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2009, B22.1.4, dossierpagina 8277.

98) Kennisgeving van inbeslagneming woning gelegen aan de [adres] d.d. 13 februari 2009, inbeslagnamedossier 60, dossierpagina’s 21702 tot en met 21754.

99) Een proces-verbaal van bevindingen waarde horloges d.d. 12 mei 2009 met bijlagen, B22.1.6, dossierpagina’s 8292 en 8293.

100) Een proces-verbaal van bevindingen, B22.1.11, dossierpagina 8367 e.v..

101) Een proces-verbaal van bevindingen d.d.18 mei 2009 met bijlagen, B22.1.8, dossierpagina’s 8308-8354.

102) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2009, B22.1.1, dossierpagina’s 8189-8190.103)

103) Een proces-verbaal van bevindingen betreffende belastinggegevens [verdachte] d.d. 19 mei 2009, ZD B22, dossierpagina 8189-8190.

104) Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2009, ZD B22.1.3, dossierpagina’s 8269-8276.

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. drs. J.W.H.G. Loyson en mr. T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. A.P. de Klerk en W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2009.

Mr. De Klerk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.