Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL9675

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
15/800507-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat het postpakket dat betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde feit voor nader onderzoek is geopend zonder dat hiertoe een machtiging van de rechter-commissaris was verleend.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt dat artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Postwet bepaalt dat onder een brief wordt verstaan de op een fysieke drager aangebrachte geadresseerde schriftelijke mededelingen. Artikel 2, lid 1, aanhef en onder b, van de Postwet bepaalt dat onder poststuk wordt verstaan een brief of een ander bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geadresseerd stuk. Bij artikel 2, aanhef en onder a, van het Postbesluit 2009 is een postpakket aangewezen als een ander geadresseerd stuk. Er wordt in de Postwet derhalve onderscheid gemaakt tussen een brief en een ander poststuk, zoals een postpakket. Het briefgeheim als bedoeld in artikel 13 van Grondwet heeft betrekking op brieven en strekt zich in beginsel niet uit tot andere poststukken, zoals postpakketten. Nu het aan verdachte geadresseerde stuk geen brief betreft maar een ander geadresseerd stuk is, namelijk een postpakket, is het briefgeheim hierop niet van toepassing en was voor het openen van het postpakket naar het oordeel van de rechtbank geen machtiging vereist van de rechter-commissaris. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde feit op deze grond geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800507-09

Uitspraakdatum: 4 december 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (Duitsland),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord - Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 april 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1997,00 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2009 tot en met 10 april 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2270,00 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

2.1 Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2 Ontvankelijkheid openbaar ministerie:

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat het postpakket dat betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde feit voor nader onderzoek is geopend zonder dat hiertoe een machtiging van de rechter-commissaris was verleend. Zij heeft daartoe gesteld dat - zakelijk weergegeven - sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt, onder navolging van het daarover door de officier van justitie ingenomen standpunt, het volgende. Artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Postwet bepaalt dat onder een brief wordt verstaan de op een fysieke drager aangebrachte geadresseerde schriftelijke mededelingen. Artikel 2, lid 1, aanhef en onder b, van de Postwet bepaalt dat onder poststuk wordt verstaan een brief of een ander bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geadresseerd stuk. Bij artikel 2, aanhef en onder a, van het Postbesluit 2009 is een postpakket aangewezen als een ander geadresseerd stuk. Er wordt in de Postwet derhalve onderscheid gemaakt tussen een brief en een ander poststuk, zoals een postpakket. Het briefgeheim als bedoeld in artikel 13 van Grondwet heeft betrekking op brieven en strekt zich in beginsel niet uit tot andere poststukken, zoals postpakketten. Nu het aan verdachte geadresseerde stuk geen brief betreft maar een ander geadresseerd stuk is, namelijk een postpakket, is het briefgeheim hierop niet van toepassing en was voor het openen van het postpakket naar het oordeel van de rechtbank geen machtiging vereist van de rechter-commissaris. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde feit op deze grond geen sprake is. De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie ook voor het overige ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden jaar met aftrek van de van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Met betrekking tot het beslag vordert de officier van justitie verbeurdverklaring van de op de beslaglijst aanwezige voorwerpen onder de nummers 2, 7, 13 en 19 en onttrekking aan het verkeer van de op de beslaglijst aanwezige voorwerpen onder de nummers 20 en 21. De overige op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen goederen kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

Op vrijdag 3 april 2009 heeft de Douane West te Schiphol een vrachtzending vanuit Mexico City gecontroleerd. Aan deze vrachtzending was een airwaybill (vrachtbrief) gekoppeld met daarop de naam van verdachte en de adresgegevens van de verblijfplaats van verdachte in Nederland, te weten: [adres], zijnde een vakantiepark. Tijdens de controle van de vrachtzending is een rubberen rol aangetroffen met daarin een nog onbekende hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen. In de rubberen rol bevonden zich twee pakketten. Het nettogewicht van de in de pakketten aangetroffen stof betrof 1997 gram. Van de stof in deze twee pakketten zijn twee representatieve monsters genomen en naar NFI gestuurd. Het NFI heeft geconcludeerd dat de stof van de twee monsters cocaine bevat. Met toestemming van de officier van justitie is besloten de vrachtzending de gebruikelijke route te laten afleggen met als doel de afnemers te onderkennen en op heterdaad aan te houden. Op donderdag 9 april 2009 claimde verdachte bij vrachtafhandelaar [naam bedrijf] de bewuste vrachtzending. Verdachte is op heterdaad aangehouden bij het in de auto plaatsen van de vrachtzending.

Door het bedrijf [naam bedrijf] zijn diverse documenten en e-mailberichten in handen gesteld van het onderzoeksteam, waaruit blijkt dat het bedrijf ten behoeve van deze zending contact heeft onderhouden met een persoon genaamd Hoerstel door middel van onder andere e-mails.

Op 10 april 2009 is bij de beheerder van het vakantiepark, waar verdachte verbleef, een aan verdachte gerichte brief in beslag genomen. Deze brief is op 10 april 2009 geopend door de rechter-commissaris. Het betrof een brief van TNT met het verzoek tot het verstrekken van inklaringsinstructies voor een zending afkomstig uit Panama met daarbij een vrachtbrief geadresseerd op naam van verdachte. Op 10 april 2009 is de zending onderzocht. Het betrof een pakket met een versterker, waar een zwart/zilvergrijs voorwerp in zat waarin zich twee pakketten met een wit poeder bevonden. Het nettogewicht van deze hoeveelheid betrof 2270 gram. Van de stof in deze twee pakketten zijn twee monsters genomen en naar NFI gestuurd, dat concludeerde dat de stof cocaïne bevat .

4.2. Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat er geen sprake is van (voorwaardelijke) opzet op de invoer van drugs. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte voor wat feit 2 betreft vrijgesproken dient te worden, omdat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs nu een machtiging van de rechter-commissaris voor het openen van de zending ontbreekt en het pakket is geopend door verbalisant [naam verbalisant], die hiertoe onbevoegd was.

De rechtbank verwerpt het verweer wat betreft de stelling dat het pakket met de versterker is geopend door een verbalisant die daartoe niet bevoegd was en dat het hieruit gevolgde bewijs onrechtmatig verkregen zou zijn. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen openen EMS pakket op 10 april 2009 blijkt dat het pakket is geopend door [naam verbalisant]. Voornoemde verbalisant is ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, tevens opsporingsambtenaar, ingedeeld en werkzaam als [functie verbalisant] bij het CargoHarc-team te Schiphol. Zoals ook valt op te merken uit het briefhoofd dat op genoemd proces-verbaal staat, betreft dit een samenwerkingsverband tussen de Koninklijke Marechaussee, de Belastingdienst FIOD-ECD en de Belastingdienst Douane. In artikel 1:24, lid 1, van de Algemene douanewet is bepaald dat de inspecteur bevoegd is over te gaan tot een onderzoek van goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse. Naar het oordeel van de rechtbank was verbalisant [naam verbalisant] dan ook bevoegd voormeld pakket te openen. Van bewijsuitsluiting van de in het pakket aangetroffen cocaïne is aldus geen sprake.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar stelling met betrekking tot het ontbreken van het opzet bij verdachte en acht op grond van het navolgende de onder 1 tenlastegelegde opzettelijke invoer van cocaïne bewezen. Verdachte heeft weliswaar zowel ter terechtzitting als bij de Koninklijke Marechaussee en de rechter-commissaris verklaard dat hij niet heeft geweten van de cocaïne in de rubberen rol, maar de rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig op grond van het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij de rubberen rol voor ene Frank en een Mexicaanse man, die hij verder niet kan aanduiden of kent en die hij drie weken voor het ophalen van een eerdere rubberen rol had ontmoet in een bar in Amsterdam, moest ophalen. Zij hebben deze rubberen rol als monster naar Nederland laten komen en verdachte moest deze rubberen rol ophalen en dat had ook te maken met het feit dat verdachte een adres in Nederland had. Hij zou als distributeur deze rubberen rol op provisiebasis in Duitsland gaan verkopen, terwijl verdachte hiertoe nog geen bedrijf had opgericht . Van Frank en de Mexicaanse man heeft hij de zondag (de rechtbank begrijpt: 5 april 2009) voor zijn aanhouding de mobiele telefoon gekregen die onder verdachte in beslag is genomen.

De rechtbank acht voormelde verklaring op meerdere punten ongeloofwaardig. Vastgesteld kan worden dat verdachte geen specifieke kennis bezit met betrekking tot de af te leveren rol, geen enkele activiteit heeft ontplooid met betrekking tot zijn gestelde bedrijfsvoering en hij desgevraagd ter zitting ook heeft verklaard niet te beschikken over enig netwerk voor afnemers van de betreffende rol. Dat hem onder deze omstandigheden door onbekenden die hij slechts korte tijd daarvoor heeft leren kennen in een bar in Amsterdam zonder voorafgaande tegenprestatie op provisiebasis de rol ter beschikking zou zijn gesteld voor verkoop, moet worden beschouwd als een zeer ongebruikelijke gang van zaken en acht de rechtbank niet aannemelijk. Verder zijn de door verdachte gemaakte kosten met betrekking tot de huur van de vakantiebungalow en zijn reis naar Ecuador niet in overeenstemming met zijn inkomsten en vaste uitgaven. Om deze reden hecht de rechtbank ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat zijn verblijf hier in Nederland en reis naar Ecuador door zijn gezondheid zou zijn ingegeven. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij zelf altijd de huurpenningen van de vakantiewoning heeft betaald, terwijl uit een verklaring van de beheerder van het park is gebleken dat dit niet alleen door verdachte, maar ook door een derde een betaling is gedaan.

Wat betreft feit 2 heeft verdachte verklaard dat hij niets afwist van deze zending. Onder verdachte is zijn mobiele telefoon met nummer [telefoonnummer 1] inbeslaggenomen. Uit het onderzoek naar deze telefoon en SIM kaart bleek dat met deze telefoon tweemaal op 9 april 2009 het nummer [telefoonnummer 2] is getracht te bellen. Het nummer [telefoonnummer 2] was opgegeven als contact voor de EMS pakketzending die op naam van verdachte stond. Beide telefoons maken regelmatig gebruik van de zendmast in de omgeving [naam plaats], waar verdachte in een vakantiewoning verbleef. In het postpakket bleek 2270 gram cocaïne te zitten. Deze hoeveelheid cocaïne vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde, waardoor het onaannemelijk is dat deze aan een onwetende verzonden zou worden.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat verdachte hieromtrent geen enkele verklaring heeft afgelegd, gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat verdachte wist dat zich in de rubberen rol en in de versterker cocaine bevond en hij deze cocaïne aldus opzettelijk Nederland heeft ingevoerd.

4.3.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

1.

hij op 03 april 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1997,00 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2009 tot en met 10 april 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2270,00 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

(telkens) Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties en van de overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van in totaal 4267 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van het vervoer van drugs in postpakketten. Zowel wat de ernst als de strafbaarheid betreft, zijn beide wijzen van invoer vergelijkbaar. De officier van justitie heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden gevorderd. Deze eis is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn gezondheidstoestand, vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een telefoontoestel, een witte kaart, een vrachtbrief en een brief dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7.3 Onttrekking aan het verkeer (36d)

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een versterker, een doos, een deklading en de cocaïne, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan hij wordt verdacht. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36d van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor onder 4.3.3 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zegge: zesendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Telefoontoestel, kleur zwart, Nokia 1209;

- 1.00 STK Kaart, kleur wit, witte kaart met ‘kxh-175’;

- 1.00 STK Brief, kleur blauw, 568307 vrachtbrief;

- 1.00 Brief, kleur wit

Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 STK Versterker, kleur zwart, Crate BT15;

- 1.00 DS, Doos, meerkleurig;

- 1.00 STK Diverse, Deklading,

- 2270 gram cocaïne inclusief verpakkingsmateriaal.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Portofoon, kleur bruin, DNT wt77 walkie talkie;

- 1.00 STK Sleutelbos met 7 sleutels;

- 5.00 STK Bescheiden van Deutsche bank;

- 1.00 STK Bon, kleur wit;

- 1.00 STK Notitie en memo, kleur wit.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter,

mrs. J.J.M. Uitermark en S.M. Bordewijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 december 2009.

Mr. Bordewijk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.