Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL3187

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
08-6201
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Vermogensetikettering. Eiser heeft geen recht op aftrek van de voorbelasting, betrekking hebbende op de aanbouw van de woning. Eiser kan geen beroep doen op artikel 4, lid 2, aanhef en onderdeel a van de Wet OB en op artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking. Nu tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser in verband met de aanbouw geen investeringsgoed is geleverd, doch een dienst is verricht, kan het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Charles en Charles-Tijmens er niet toe leiden dat eiser enkel deze aan hem geleverde dienst als investeringsgoed etiketteert. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt de aanbouw voor zakelijke doeleinden te hebben gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/744 met annotatie van Blank
FutD 2010-0582
V-N 2010/16.2.4

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/6201

Uitspraakdatum: 16 oktober 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiser heeft op 26 juli 2007 aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal 2007 en daarbij om teruggaaf omzetbelasting ten bedrage van € 13.135 verzocht. Verweerder heeft aan eiser voor dit tijdvak bij beschikking met nummer x met dagtekening 26 oktober 2007 een teruggaaf omzetbelasting toegekend van € 2.970.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2008 de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 23 september 2008, ontvangen bij de rechtbank op 24 september 2008, beroep ingesteld en dit beroep nader gemotiveerd bij brief van 16 oktober 2008.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009 te Haarlem, alwaar gezeten hebben mr. E. Polak, voorzitter, mr. drs. M.C.C. van de Schepop en mr. A.J. Roke, rechters, en mr. E.P. van der Zalm als griffier. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde mr. A. Namens verweerder is verschenen B.

1.6. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest, en heeft het onderzoek op de voet van artikel 8:68 Awb heropend en partijen om nadere inlichtingen verzocht.

1.7. Verweerder heeft bij brief van 25 juni 2009 op vragen van de rechtbank gereageerd, en eiser bij brief van 8 juli 2009.

1.8. Een tweede onderzoek ter zitting heeft vervolgens in gewijzigde samenstelling van de rechtbank plaatsgevonden op 24 september 2009. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde mr. A en namens verweerder B, bijgestaan door mr. C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser voert het landbouwbedrijf uit. Tot 31 december 2005 maakte eiser deel uit van een maatschap met zijn ouders. Tot die datum is voor de toepassing van de omzetbelasting gebruik gemaakt van de landbouwregeling (zie artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB)). Sinds 1 januari 2006 is eiser zelfstandig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB), en is ontheffing verzocht (en gekregen) van de landbouwregeling.

2.2. Eiser heeft op 31 december 2005 het landbouwbedrijf geleverd gekregen, met daarbij een woonhuis, gelegen aan de a-dijk 1 te Z (hierna: het pand). Het pand was toentertijd meer dan 30 jaar oud en ter zake van de levering door de ouders van eiser is derhalve geen omzetbelasting in rekening gebracht. Eiser is gehuwd, doch de huwelijkse voorwaarden bepalen dat eiser geheel eigenaar is van het pand. In het pand worden zakelijke werkzaamheden verricht, zoals zakelijke besprekingen met derden en het voeren van de bedrijfsadministratie. Voor het overige is het pand als woonhuis van eiser en zijn echtgenote in gebruik.

2.3. In 2007 is in opdracht van eiser een aanbouw aan het pand gebouwd. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de aanbouw niet heeft geleid tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak. Tot de stukken van het geding behoren foto’s en tekeningen van het aanzicht van het pand voor en na de aanbouw. De foto’s laten een keukentafel zien, met een in diezelfde (keuken)ruimte staand(e) bureau/secretaire. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat deze ruimte, waarin het zakelijk gebruik voornamelijk plaatsvindt, zich in het bestaande oude gedeelte van het pand bevindt, en niet in de nieuwe aanbouw aan de woonkamer.

2.4.1. Tot de stukken van het geding behoren twee facturen van D BV aan eiser, met dagtekening van respectievelijk 25 april 2007 en 24 mei 2007 ten bedrage van respectievelijk € 20.000 en € 30.000 exclusief 19% btw. De omschrijving op beide facturen luidt: “Betreft: Aanbouw Woning”.

2.4.2. Voorts behoort tot de stukken van het geding een factuur van E BV aan eiser met dagtekening 10 april 2007, ten bedrage van € 3.500 exclusief 19% btw. De omschrijving op deze factuur luidt als volgt:

“(…) Betreft: Heiwerk tbv uitbr. Bedrijfsruimte aan de a-dijk 1 te Z.

Geachte heer X,

Hiermede bevestigen wij uw opdracht voor het leveren, lossen en inheien van:

9 st. houtenpalen, lengte 16,00 mtr. diam. 70/40

8 st. houtenpalen, lengte 18,00 mtr. diam. 70/40

17 st. betonopzetters, lengte 2,50 mtr. diam. 31 cm.(…)”

2.5. Voor zover betrekking hebbende op deze procedure, bedroegen de kosten van de aanbouw derhalve in totaal € 53.500, vermeerderd met € 10.165 omzetbelasting. Tussen partijen staat vast dat de facturen voldoen aan de daartoe gestelde wettelijke eisen. Op de facturen is geen verdeling gemaakt tussen bestemd voor zakelijk gebruik en/of privé-gebruik.

2.6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het landbouwbedrijf met de woning voor de winstbelasting (inkomstenbelasting) op de balans heeft geactiveerd en geëtiketteerd als bedrijfsvermogen.

2.7. Eiser heeft in zijn aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2007 een bedrag van € 7.440 verschuldigde omzetbelasting vermeld en een bedrag van € 20.575 voorbelasting. De aangifte resulteert derhalve in een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van € 13.135. Verweerder heeft dit verzoek niet gevolgd, en gesteld dat € 10.165 voorbelasting ziet op de verbouwing van de woning van eiser waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Verweerder heeft de teruggaaf vastgesteld op € 2.970.

2.8. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de in geschil zijnde voorbelasting ziet op een aan eiser verrichte dienst.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek van de onder 2.7. genoemde voorbelasting van € 10.165.

3.2. Eiser stelt recht te hebben op teruggaaf van € 10.165 voorbelasting in verband met de verbouwing van de woning. Eiser is van mening recht te hebben op volledige aftrek van de hem terzake van de verbouwingswerkzaamheden in rekening gebrachte omzetbelasting. Hij beroept zich in dat kader op het arrest Charles en Charles-Tijmens van het Hof van Justitie van 14 juli 2005, C-434/03, V-N 2005/35.18. Hiertoe voert hij primair aan dat hij het pand op het moment van de verkrijging op 31 december 2005 heeft gerekend tot zijn ondernemingsvermogen en dat de verbouwing ziet op het als zakelijk geëtiketteerde pand. Eiser stelt dat indien een ondernemer ervoor kiest een investeringsgoed dat gemengd wordt gebruikt tot het ondernemingsvermogen te rekenen, hij de bij de verbouwing daarvan verschuldigde omzetbelasting volledig in aftrek kan brengen. Hij baseert zich daarbij op het vanaf 2007 geldende artikel 4, lid 2, onderdeel a, van de Wet OB en de uitwerking daarvan in artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking). Volgens eiser zijn deze bepalingen op hem van toepassing en hij stelt dat voor wat betreft het privégebruik de daarin geregelde zogeheten 180-dagenregeling van toepassing is. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verlening van een aanvullende teruggaaf van € 10.165.

3.3. Verweerder deelt de opvatting van eiser niet. Hij betwist de stelling van eiser dat hij het pand tot zijn ondernemingsvermogen heeft kunnen rekenen en dat ook heeft gedaan. Eiser kan volgens verweerder voor de aanschaf van het pand noch voor de verbouwingswerkzaamheden een beroep doen op het leerstuk van de vermogensetikettering. Van een 100% zakelijke bestemming is derhalve geen sprake. Hij stelt verder dat het zakelijk gebruik van de verbouwingswerkzaamheden, nu die nagenoeg uitsluitend zien op een uitbouw van de woonkamer, verwaarloosbaar klein is en dat dit gebruik geen enkel recht op aftrek van voorbelasting oplevert.

De dienst is volgens verweerder louter afgenomen voor de persoonlijke behoefte van eiser en niet ten behoeve van enige economische activiteit. Artikel 4, lid 2, onderdeel a, van de Wet OB kan niet van toepassing zijn nu er indertijd geen btw in rekening is gebracht aan eiser terzake van het pand. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Partijen zijn het er over eens dat de aanbouw aan het pand niet heeft geleid tot de vervaardiging van een ‘nieuwe’ onroerende zaak. De rechtbank volgt partijen in die opvatting, gezien de beschikbare gegevens en stukken van het geding.

4.2. Artikel 4, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB (tekst 2007) luidt als volgt:

“Met een dienst verricht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, worden gelijkgesteld:

a. het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de ondernemer of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;”

Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan het vrijwel gelijkluidende artikel 6, tweede lid, letter a, van de Zesde Richtlijn.

4.3. Anders dan eiser stelt, geldt voor toepassing van artikel 4, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB de voorwaarde dat voor het desbetreffende goed (het pand) een geheel of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan. Tussen partijen staat, gezien het vermelde in 2.2., echter vast dat geen btw in rekening is gebracht bij de aanschaf van het pand door eiser. Nu dit niet is geschied, is voor het pand geen geheel of gedeeltelijk recht op aftrek ontstaan en bestaat er geen mogelijkheid om op grond van de door eiser gewenste vermogensetikettering het privégebruik aan het pand gelijk te stellen met een fictieve, belastbare dienst als bedoeld in artikel 4, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet. Het voorgaande houdt ook in dat eiser ter zake van de verbouwingsdiensten geen beroep kan doen op artikel 5a van de Uitvoeringsbeschikking nu die bepaling, gezien de laatste volzin van het eerste lid daarvan, alleen van toepassing is voor zover het goed (de woning) wordt gebruikt in de zin van artikel 4, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB aan welke voorwaarde niet is voldaan. De stelling van eiser dat hij een recht op aftrek in theorie wel zou hebben gehad mocht er bij de aanschaf van het pand op 31 december 2005 wel btw op het pand hebben gedrukt, volgt de rechtbank reeds niet omdat eiser ten tijde van de levering nog onder het landbouwregime viel en daarom geen recht op aftrek van voorbelasting zou hebben genoten. Het beroep dat eiser ter zitting heeft gedaan op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 januari 2004, nr. CPP2003/3803M, kan hem evenmin baten. In dit besluit geeft de Staatssecretaris aan zich voor het verleden ermee te kunnen verenigen dat betekenis wordt toegekend aan de keuze om met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting het goed al dan niet tot het bedrijfsvermogen te rekenen. Hoewel eiser het pand voor de inkomstenbelasting tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend, komt hieraan voor de omzetbelasting in zijn geval geen betekenis toe omdat deze toezegging voor het verleden (dus ingeval van etikettering vóór 22 januari 2004) geldt.

4.4.1. In het arrest Charles en Charles-Tijmens verklaart het Hof van Justitie van de EG het volgende voor recht:

“De artikelen 6, lid 2, en 17, leden 2 en 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn is vastgesteld, en die een belastingplichtige niet toestaat een investeringsgoed dat gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden wordt gebruikt, volledig voor zijn onderneming te bestemmen en in voorkomend geval de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde volledig en onmiddellijk af te trekken.”.

4.4.2. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Charles en Charles-Tijmens heeft een belastingplichtige het recht ervoor te kiezen om een investeringsgoed dat hij gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruikt, volledig voor zijn onderneming te bestemmen, alsmede, in voorkomend geval, de terzake van de aanschaf van dat goed verschuldigde btw volledig en onmiddellijk af te trekken. Echter, nu tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser in verband met de aanbouw geen investeringsgoed is geleverd, doch een dienst is verricht, kan deze jurisprudentie er niet toe leiden dat eiser enkel deze aan hem geleverde dienst als investeringsgoed etiketteert. Voor dit standpunt bestaat geen grond in het recht.

4.5.1. Artikel 15, lid 4, van de Wet OB (tekst 2007) luidt als volgt:

“De aftrek van belasting vindt plaats overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan. De te weinig afgetrokken belasting wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven.”

4.5.2. Volgens artikel 15, lid 4, van de Wet OB alsmede artikel 17 van de Zesde richtlijn (tekst 2007) is het recht op aftrek van de btw die drukt op diensten afhankelijk van het verband tussen de dienst en de belaste handelingen van eiser. Eiser, op wie ter zake van het zakelijke gebruik van de aanbouw de bewijslast rust de zakelijke bestemming aannemelijk te maken, heeft in dit kader het volgende aangevoerd:

- regelmatig ontvangen van leveranciers en collega’s in de woning;

- periodieke vergaderingen van veeteeltstudieclubs in de woning;

- gebruik van (gedeelten van) de woning voor opslag klein gereedschap en schoonmaken en wassen van bedrijfskleding;

- gebruik van de woning als kantine door eiser, zijn eega en collega’s.

4.5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt de aanbouw voor zakelijke doeleinden te hebben gebruikt. De door eiser genoemde activiteiten waaraan naar het oordeel van de rechtbank in meer of mindere mate een zakelijke kwalificatie kan worden gegeven, spelen zich immers gezien hetgeen in 2.3. is vastgesteld, voornamelijk af in de keuken. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de aanbouw voor btw-belaste doeleinden wordt gebruikt. Nu de voorbelasting die eiser in de onderhavige procedure terugvraagt, uitsluitend betrekking heeft op de aanbouw en niet op de keuken, bestaat geen recht op aftrek van deze belasting.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is vindt de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.