Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL2915

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
162432 - KG ZA 09-591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding van ouders tegen het schoolbestuur om hun jongste dochter op dezelfde school te plaatsen als haar oudere zus die slechthorend is. De in het plaatsingbeleid opgenomen uitzondering dat medische indicatie een aanleiding kan zijn om een kind op een andere school te plaatsen, geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in geval van een voor de schoolgang van het te plaatsen kind relevante medische indicatie van een betrokkene binnen het gezin.

Gelet op het belang van de school afgezet tegen het belang van de ouders en hun beide kinderen kan niet gezegd worden dat de school in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 162432 / KG ZA 09-591

Vonnis in kort geding van 30 november 2009

in de zaak van

1. [Eiser],

en

2. [Gedaagde],

optredende pro se en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige kinderen [A] en [B],

allen wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

eisers,

advocaat mr. B.F. Eblé,

tegen

de stichting

STICHTING KATHOLIEK ONDERWIJS VOLENDAM,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Ranke.

Partijen zullen hierna [eisers], afzonderlijk [eiser] en [eiseres], en SKO Volendam genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota van SKO Volendam.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] zijn de ouders van [A], geboren 3 februari 2003, en [B], geboren 13 oktober 2005. [A] volgt thans onderwijs in groep 3 op de Petrusschool te Volendam. [A] is slechthorend en draagt hoortoestellen.

[eiser] en [eiseres] werken beiden; [eiseres] werkt in ploegendienst en heeft onregelmatige werktijden.

2.2. SKO Volendam is het bevoegd gezag van onder meer de Petrusschool en de Blokwhere-school te Volendam.

2.3. Het plaatsingsbeleid van SKO Volendam voor haar scholen voor het primair onderwijs te Volendam heeft als doel een evenredige verdeling van de aangemelde 4-jarige kinderen over de 9 basisscholen van de stichting, die allemaal binnen redelijke afstand van de woning gelegen zijn.

De uitgangspunten daarbij, voor zover in deze van belang, zijn als volgt geformuleerd:

• (…)

• Daartoe wordt per school een toeleveringsgebied bepaald waarin een aantal straten/wijken is opgenomen. (De samenstelling van de toeleveringsgebieden kan per jaar verschillen.)

• (…)

• Medische indicatie kan aanleiding zijn om een kind op een andere school te plaatsen, dan op de school die aan de buurt is toegewezen.

• (…)

Dit plaatsingsbeleid is in werking getreden op 1 mei 2005, en geldt voor de duur van 5 jaar.

2.4. Bij brief van 3 maart 2009 is [eisers] meegedeeld dat [B] voor het schooljaar 2010-2011 is geplaatst op de Blokwhere-school. Tevens zijn kinderen van 8 andere adressen, gelegen in de buurt van het woonadres van [eisers], anders dan de door hen opgegeven voorkeur op de Blokwhere-school geplaatst.

2.5. In een schriftelijke verklaring d.d. 1 april 2009 van drs. S. van Kordenoordt, akoepedist, en dr. S.T. Goverts, klinisch fysicus Audioloog, beiden verbonden aan het VU Medisch Centrum te Amsterdam, is onder meer vermeld:

[A], (…) is op ons audiologisch centrum bekend met een perceptief gehoorverlies voor zowel het linker- als het rechteroor. Sinds mei 2008 draagt zij beiderzijds hoortoestellen. Het verstaan van spraak in een rustige omgeving is op dit moment met de hoortoestellen voldoende. In situaties met bijgeluiden kan [A] meer moeite hebben met verstaan en detecteren van geluiden. Tevens zal [A] in die situaties meer moeite hebben met het lokaliseren van geluiden. In het verkeer zijn vaardigheden als detecteren en lokaliseren van geluiden van zeer groot belang. Ouders geven aan dat [A] in het verkeer vaak dingen niet goed hoort en dat ze auto’s niet altijd hoort aankomen.

Op den duur zal [A] dit op een visuele manier moeten compenseren, maar op deze leeftijd kan men er nog niet van uit gaan dat deze compensatievaardigheden voldoende zijn ontwikkeld. Wij kunnen ons dus goed vinden in het beleid van ouders om [A] alleen onder begeleiding te laten fietsen en nog niet alleen.

(…)

2.6. [eisers] hebben bij brief van 9 maart 2009 bezwaar aangetekend tegen de onder 2.4 genoemde beslissing. Bij brief van 20 april 2009 deelt de plaatsingscommissie van SKO Volendam [eisers] mee dat zij niet tegemoet kan komen aan het verzoek tot overplaatsing van [B] naar de Petrusschool. Bij brief van 18 juni 2009 aan [eisers] deelt de plaatsingscommissie van SKO Volendam mee dat zij haar besluit om [B] niet over te plaatsen, handhaaft.

2.7. [eisers] hebben beroep aangetekend tegen de handhaving van het besluit door de plaatsingscommissie. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2009. Bij brief van 4 september 2009 heeft het dagelijks bestuur van SKO Volendam [eisers] laten weten dat zij het besluit van de plaatsingscommissie handhaaft.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, SKO Volendam zal gebieden de jongste dochter van [eisers], [B], met onmiddellijke ingang te plaatsen op de Petrusschool te Volendam om haar aldaar onderwijs te laten volgen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat SKO Volendam niet aan dit gebod zal voldoen, met veroordeling van SKO Volendam in de kosten.

3.2. [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de school onzorgvuldig heeft gehandeld doordat zij bij de indeling van leerlingen voor het nieuwe schooljaar geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Dat handelen van de school is, aldus [eisers], aan te merken als onrechtmatig nu zij en hun kinderen als gevolg daarvan schade lijden.

3.3. SKO Volendam voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 40 van de Wet op het primair onderwijs de beslissing over de toelating van leerlingen berust bij het bevoegd gezag en een discretionaire bevoegdheid betreft. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de onderhavige afwijzingsbeslissing van SKO Volendam slechts marginaal toetsen.

4.2. Blijkens de stellingen van SKO Volendam is het plaatsingsbeleid een weergave van de wens van de ouders verbonden aan de onder haar gezag ressorterende scholen en is dit beleid goedgekeurd door de medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Uit de hiervoor onder 2.3 weergegeven uitgangspunten volgt dat het vastgestelde beleid uitzonderingen op de plaatsing zoals door SKO Volendam bepaald, mogelijk maakt.

4.3. SKO Volendam voert ten verwere aan dat de in het plaatsingbeleid opgenomen uitzondering dat medische indicatie een aanleiding kan zijn om een kind op een andere school te plaatsen aldus dient te worden begrepen dat het moet gaan om een medische indicatie van het kind waarop de plaatsing betrekking heeft.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijke beperkte uitleg van de betreffende uitzondering met zich brengt dat in het geval dat sprake is van een medische indicatie van bijvoorbeeld één of beide ouders, die ook het te plaatsen kind in zijn schoolgaan raakt, van deze uitzondering geen gebruik kan worden gemaakt. Dat komt de voorzieningenrechter voorshands niet logisch voor, zodat uitgegaan wordt van een ruime uitleg waarbij van de uitzondering eveneens gebruik kan worden gemaakt in geval van een voor de schoolgang van het te plaatsen kind relevante medische indicatie van een betrokkene binnen het gezin. Die ruime uitleg doet overigens niet af aan het feit dat de uitzondering is geformuleerd als een mogelijkheid en geen verplichting voor het bevoegd gezag inhoudt.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat in onderhavig geval op grond van genoemde ruime uitleg een uitzondering op het plaatsingsbeleid ten aanzien van de plaatsing van [B] op grond van de medische indicatie die geldt voor [A] tot de mogelijkheden behoort.

4.6. SKO Volendam betoogt dat [eisers] een andere oplossing ter beschikking staat voor haar logistieke probleem (gelegen in het naar school brengen en van school halen van de beide kinderen), nu de mogelijkheid bestaat om [A] over te plaatsen naar de Blokwhere-school, zodat beide kinderen in dat geval op dezelfde school zitten.

4.7. Onweersproken is dat overplaatsing van [A] naar een andere school door haar slechthorendheid voor haar ontwikkeling en welbevinden teveel risico met zich brengt. Zoals bij monde van het hoofd stafbureau van SKO Volendam ter zitting toegelicht, gaat het op dit moment goed met [A] op school en zijn de gevolgen van haar beperking voor haar ontwikkeling minimaal. Daaruit valt, anders dan SKO Volendam betoogt, niet af te leiden dat [A] geen hinder zal ondervinden van plaatsing op een andere school. Integendeel, niet valt uit te sluiten dat een overplaatsing, anders dan bij een leerling zonder soortgelijke beperking, negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van [A] heeft.

Daar komt bij dat van [B], vanaf het moment dat zij zelfstandig naar school kan, niet kan worden gevergd dat zij de verantwoordelijkheid voor haar zus krijgt gelegen in een met haar samen van en naar school gaan. Gelet hierop behoort overplaatsing van [A] derhalve in onderhavig geval niet tot een reële mogelijkheid voor een oplossing.

4.8. SKO Volendam voert voorts aan dat zij bij haar plaatsingsbeleid door plaatsing van een aantal kinderen uit dezelfde buurt op dezelfde school rekening houdt met de eventuele logistieke problemen voor een ouder of ouders met kinderen op verschillende scholen, doordat zij de mogelijkheid creëert om kinderen door andere ouders naar school te laten brengen en halen.

4.9. Gelet op de stelling van [eisers] dat de meeste kinderen uit de klas van [A] inmiddels zelfstandig naar school gaan, bestaat die mogelijkheid voor [A] thans niet. Bovendien heeft te gelden dat van andere ouders uit de buurt niet worden gevergd dat zij [A] naar school brengen omdat de verantwoordelijkheid voor een slechthorend kind, dat meer begeleiding behoeft dan een kind met een goed gehoor, niet bij hen kan worden gelegd. Daar komt bij dat [eisers] voor de begeleiding van [A] vaker dan gebruikelijk overleg met de leerkracht voeren over de aangeboden lesstof, teneinde haar thuis daarin te kunnen ondersteunen.

Overigens zou de door SKO Volendam genoemde mogelijkheid er ook toe leiden dat in onderhavig geval [B] altijd degene is die door een andere ouder naar school wordt gebracht, dan wel degene is die vroeg naar school wordt gebracht en later wordt opgehaald. Dit in tegenstelling tot de situatie in andere gezinnen waarbij dat tussen de kinderen onderling kan worden afgewisseld. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een gelijke situatie zoals bij ieder ander gezin waarbij twee kinderen op verschillende scholen zijn geplaatst.

4.10. Tot slot voert SKO Volendam aan dat het bezwaar tegen het maken van een uitzondering op het plaatsingbeleid is gelegen in de verwachtingen die daardoor mogelijk bij de ouders van andere leerlingen ontstaan. SKO Volendam vreest dat andere ouders die eveneens kinderen naar verschillende scholen moeten brengen een beroep op de uitzonderingsmogelijkheid zullen doen.

4.11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft SKO Volendam echter geen redelijk belang om het systeem van plaatsing ook in onderhavig geval te handhaven om reden dat het toestaan van een uitzondering mogelijk tot precedentwerking leidt. De situatie, zoals in het geval van het gezin […], waarbij het oudste kind slechthorend is en het tweede kind volledig gezond, zal zich bij andere gezinnen niet voordoen. De vrees voor precedentwerking is derhalve niet gerechtvaardigd.

4.12. Gelet op het belang van SKO Volendam afgezet tegen het belang van [eisers] en hun beide kinderen kan niet gezegd worden dat SKO Volendam in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. Het besluit tot plaatsing van [B] op de Blokwhere-school kan, voorlopig geoordeeld en marginaal getoetst, derhalve niet in stand blijven. De vordering van [eisers] zal worden toegewezen.

4.13. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum vermeld.

4.14. SKO Volendam zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.163,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. gebiedt SKO Volendam de jongste dochter van [eisers], [B], met onmiddellijke ingang te plaatsen op de Petrusschool van SKO Volendam om haar aldaar onderwijs te laten volgen,

5.2. bepaalt dat SKO Volendam, ingaande één week na betekening van dit vonnis, voor iedere dag dat zij, in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eisers] een dwangsom verbeurt van EUR 500,00, tot een maximum van EUR 10.000,00,

5.3. veroordeelt SKO Volendam in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op EUR 1.163,98,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2009.?