Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL1607

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
15/700617-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontuchtige handelingen; stiefdochter; enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid; proeftijd 5 jaar

de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte wegens het plegen van ontuchtige handelingen met zijn stiefdochter in een periode van ongeveer twee jaar, tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur 5 jaar.

Nu de rechtbank de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie niet tot het bewijs bezigd, zal het beroep op artikel 359a Sv worden verworpen. Daarnaast ziet de rechtbank in de gestelde onzorgvuldigheden - wat daar overigens ook van zij - geen reden voor strafvermindering, nu verdachte daardoor op geen enkele wijze in zijn verdediging(srechten) is geschaad.

Ter terechtzitting heeft de verdachte er nauwelijks blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. De uitlatingen van de verdachte zijn totaal misplaatst. Het is verdachte en niemand anders geweest die de strafbare handelingen heeft verricht en daardoor grote schade bij zijn stiefdochter heeft veroorzaakt. De wijze waarop getuigt, naar verdachte heeft erkent, van emotionele chantage.

Er is sprake van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank is met de psycholoog en de andere rapporteurs van oordeel dat een behandeling van de verdachte voor zijn ziekelijke stoornissen noodzakelijk is, teneinde het recidivegevaar zoveel als mogelijk te verminderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700617-09

Uitspraakdatum: 31 december 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 december 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Heemstede,

ingeschreven te [GBA-adres],

thans verblijvende te [verblijfadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

Hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2007 tot en met 05 september 2009 te Heemstede, met [slachtoffer], geboren op 29 maart 1999, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, één of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- (meermalen) zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gedrukt.

Feit 2

Hij in of omstreeks de periode van 01 september 2007 tot en met 05 september 2009 te Heemstede, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op 29 maart 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij:

- (meermalen) de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of naar beneden heeft getrokken en/of

- (meermalen) over de vagina en/of de (boven)be(en)n(en), althans over het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gewreven en/of

- (meermalen) zittend naast die [slachtoffer] en/of zichtbaar voor die [slachtoffer], zijn penis heeft vastgepakt met twee, althans één, hand(en) en/of heeft gewreven en/of gestreeld over zijn geslachtsdeel en/of

- (meermalen) de hand van [slachtoffer] heeft vastgepakt en die naar zijn penis heeft gebracht en/of

- (meermalen) zijn penis tegen de (blote) vagina van [slachtoffer] heeft gewreven en/of geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich – kort gezegd – onder toezicht zal stellen van de reclassering, inclusief een eventuele behandeling bij De Waag te Haarlem.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat wat betreft de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, de drie (pornografische) dvd’s worden verbeurd verklaard en de computer wordt teruggegeven aan de verdachte.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer], vertegenwoordigd door haar vader, om formele redenen niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, nu op het voegingsformulier geen (schade)bedragen zijn opgegeven.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

Nu verdachte ter terechtzitting het onder 4.3. bewezen verklaarde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal – ingevolge het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering – met een opgave van deze bewijsmiddelen worden volstaan.

Feiten 1 en 2

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], de echtgenote van de verdachte, van 6 september 2009 (pagina 43 e.v.);

- het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] van 11 september 2009 (pagina 85 e.v.);

- het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2009, betreffende het eerste studioverhoor van [slachtoffer], geboren op 29 maart 1999 (pagina 59 e.v.);

- het proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2009, betreffende het tweede studioverhoor van [slachtoffer] (pagina 107 e.v.);

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige], de moeder van [slachtoffer], van 10 september 2009 (pagina 76 e.v.);

- het proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2009, betreffende een telefonisch contact tussen verbalisant en [getuige] (pagina 83 e.v.);

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 25 september 2009 (pagina 123 e.v.).

4.2. Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij één maal met zijn vingertopje “boven de vagina” van zijn (stief)kleinkind [slachtoffer], het slachtoffer in deze zaak, is geweest. Op de vraag wat hij daar precies mee bedoeld, heeft verdachte (bij herhaling) verklaard dat hij met zijn vingertopje tussen de schaamlippen van het slachtoffer is geweest. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij zijn vinger(topje) die ene keer niet verder in de vagina van het slachtoffer heeft gebracht, omdat het [slachtoffer] pijn deed.

Gelet op deze verklaring van verdachte, die steun vindt in met name het proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2009, betreffende een telefonisch contact tussen verbalisant en [getuige], het proces-verbaal van verhoor van [getuige] van 25 september 2009 en het proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2009, betreffende het tweede studioverhoor van [slachtoffer] – welke stukken als bewijsmiddelen zijn gebruikt – is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], zoals onder 1 ten laste is gelegd.

De raadsman van de verdachte heeft bij pleidooi, overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities, betoogd, dat tijdens de politieverhoren van zijn cliënt sprake is geweest van de nodige onzorgvuldigheden, die moeten worden aangemerkt als vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Primair dient dat te leiden tot bewijs-uitsluiting, subsidiair tot strafvermindering, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Zoals uit de onder 4.1. weergegeven opsomming van de bewijsmiddelen blijkt, worden de door verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs gebezigd. Daarnaast ziet de rechtbank in de door de raadsman gestelde onzorgvuldigheden – wat daar overigens ook van zij – geen reden voor strafvermindering, nu verdachte daardoor op geen enkele wijze in zijn verdediging(srechten) is geschaad. Het beroep op artikel 359a Sv wordt daarom verworpen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

Hij op een tijdstip in de periode van 01 september 2008 tot en met 5 september 2009 te Heemstede, met [slachtoffer], geboren op 29 maart 1999, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- één maal zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht.

Feit 2

Hij in de periode van 01 september 2007 tot en met 05 september 2009 te Heemstede, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op 29 maart 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij:

- meermalen de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en naar beneden heeft getrokken en

- meermalen over de vagina en de (boven)benen van die [slachtoffer] heeft gewreven en

- meermalen zittend naast die [slachtoffer] en zichtbaar voor die [slachtoffer], zijn penis heeft vastgepakt en heeft gewreven en gestreeld over zijn geslachtsdeel en

- meermalen de hand van [slachtoffer] heeft vastgepakt en die naar zijn penis heeft gebracht en

- meermalen zijn penis tegen de blote vagina van [slachtoffer] heeft geduwd.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Feit 1

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Feit 2

Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Strafmotivering

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee jaren schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn (stief)kleinkin[slachtoffer]htoffer], die toen slechts 8 tot 10 jaar jong was. De ontuchtige handelingen bestonden onder andere uit het uittrekken van de onderbroek van het slachtoffertje, het wrijven over haar (blote) vagina, het (daarbij) vastpakken en strelen van zijn eigen geslachtsdeel, het ook zijn (stief)kleinkind zijn penis laten vastpakken en strelen en het – bij één gelegenheid – meermalen duwen van zijn blote penis tegen de blote vagina van het slachtoffertje. Voorts is één maal sprake geweest van seksueel binnendringen, omdat verdachte één keer met zijn vinger in de vagina va[slachtoffer]htoffer] is geweest.

Dit zijn ernstige handelingen. Verdachte, die ten tijde van het bewezen verklaarde 71 tot 73 jaar oud was, heeft met deze handelingen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en de geestelijke integriteit van zijn (stief)kleinkind, waarvan – naar de ervaring leert – zij nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen zal kunnen ondervinden. Ter terechtzitting heeft verdachte er nauwelijks blijk van gegeven dit in te zien. De rechtbank wijst in dit verband op de uitlatingen van verdachte, dat [slachtoffer] de handelingen (ook) leuk en spannend vond, dat zij soms zelf het initiatief tot de handelingen nam (het willen zien van een pornofilm, het geheel uit zichzelf vastpakken van de penis van verdachte) en dat bij het komen van zijn penis tegen de vagina van [slachtoffer], zij zich aan hem “zou hebben gepresenteerd”. Deze uitlatingen van de verdachte zijn totaal misplaatst. Het is verdachte en niemand anders geweest die de strafbare handelingen heeft verricht en (daardoor) grote schade bij [slachtoffer] heeft aangericht, waarvoor ook alleen verdachte verantwoordelijk is. Dat die schade er is, is – anders dan de verdachte kennelijk meent – evident.

De ontuchtige handelingen vonden plaats in de woning van de verdachte en zijn echtgenote, tijdens logeerpartijtjes van het slachtoffertje en haar broer bij (stief)opa en oma. ’s Avonds bij het naar bed brengen (in de slaapkamer van [slachtoffer]) en ’s ochtends, kort na het opstaan, (in de woonkamer) zag verdachte kans om – zonder dat zijn echtgenote het zou zien – seksuele handelingen te verrichten met zijn (stief)kleinkind en met zichzelf in haar aanwezigheid. Verdachte heeft daarbij ook herhaaldelijk tegen [slachtoffer] gezegd “dat zij het tegen niemand mocht vertellen omdat hij anders in de gevangenis terecht zou komen en zij dan haar opa kwijt zou zijn”.

Dit getuigt, naar verdachte ter zitting ook heeft erkend, van emotionele chantage. Verdachte heeft voorts met zijn handelen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem als (stief)opa had alsmede haar vertrouwen dat zij in de woning van haar (stief)opa en oma veilig zou zijn, beschaamd, en wel op de meest ernstige manier. Daarnaast is ook het vertrouwen van de ouders van het slachtoffertje, zijn schoondochter en –zoon, enorm aangetast.

Uiteindelijk is het seksueel misbruik aan het licht gekomen, niet doordat verdachte dit heeft opgebiecht, maar enkel doordat zijn echtgenote hem in de avond van 5 september 2009 met [slachtoffer] heeft betrapt. Toen zijn echtgenote, die had ontdekt dat [slachtoffer] niet meer in haar bed lag, de woonkamer binnenkwam, zag ze [slachtoffer] naakt op de bank liggen, met haar man op de grond daarnaast, met zijn pyjamabroek naar beneden, kijkend naar een pornofilm. Verdachte heeft verklaard dat hij toen met zichzelf aan het spelen was en dat hij [slachtoffer] toen ook heeft aangeraakt. Wat op dat moment door het hoofd van verdachtes echtgenote moet zijn gegaan, is nauwelijks voor te stellen.

Verdachtes echtgenote heeft vervolgens de politie gebeld – die ter plekke is gekomen en de verdachte heeft gearresteerd – en heeft later aangifte gedaan van het misbruik. Als gevolg hiervan is het misbruik gestopt en is voorkomen dat de seksuele handelingen nog verder zouden zijn gegaan.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de verklaringen in het dossier van de moeder en de oma van [slachtoffer] blijkt dat het gebeuren een enorme weerslag heeft gehad op het gehele gezin (ouders, broer) en ook op de banden met oma. “(…) het is niet meer zoals vroeger”, staat treffend in de slachtofferverklaring.

Op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat – uit een oogpunt van vergelding en normhandhaving – slechts een deels ook onvoorwaardelijke gevangenis-straf als passende straf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder wegens enig strafbaar feit in Nederland is veroordeeld. Voorts houdt de rechtbank rekening met de gevorderde leeftijd van verdachte, thans 73 jaar.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met hetgeen omtrent de persoon van de verdachte is gebleken uit in het bijzonder de volgende rapporten:

- het adviesrapport van Reclassering Nederland van 9 september 2009;

- het pro justitia rapport van drs. P.C. Dalebout, gezondheidszorgpsycholoog, van 25 november 2009;

- het reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg van 8 december 2009.

Het rapport van de gezondheidszorgpsycholoog houdt op pagina 13 aan het einde van de forensisch psychologische beschouwing het volgende in:

“Op grond van het onderzoek is duidelijk geworden dat betrokkene al jarenlang kampt met een sterke seksuele drift, die hij niet goed kan hanteren en beheersen. Deze seksuele drift veroorzaakt veel onrust en spanning bij betrokkene. Er is sprake van een sterke seksuele preoccupatie. Betrokkene geeft aan dat er al ongeveer twee jaar sprake is van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting [slachtoffer] (de rechtbank leest: [slachtoffer]). Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van pedofilie, beperkt tot incest. Bij betrokkene is tevens sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van misbruik van alcohol.

Rapporteur meent dat er een verband is tussen het tenlastegelegde, de ziekelijke stoornis in de zin van pedofilie, beperkt tot incest en de ziekelijke stoornis in de zin van misbruik van alcohol, in die zin dat het tenlastegelegde daaruit ten dele verklaard kan worden. Behandeling en begeleiding is volgens rapporteur noodzakelijk om het recidiverisico te kunnen beperken.”

De gezondheidszorgpsycholoog komt uiteindelijk tot de conclusie dat het ten laste gelegde, indien bewezen, de verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend. Wat betreft de noodzakelijk geachte behandeling, meent de gezondheidszorgpsycholoog dat een behandeling bij De Waag is aangewezen met eventueel (daarnaast) een begeleidingscontact bij Brijder Verslavingszorg, een en ander binnen een verplicht reclasseringscontact. In het reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg is dienovereenkomstig geadviseerd.

De rechtbank neemt de conclusie van de gezondheidszorgpsycholoog dat de strafbare feiten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank is voorts met deze psycholoog, de andere rapporteurs alsmede ook de officier van justitie van oordeel dat een behandeling van de verdachte voor zijn ziekelijke stoornissen noodzakelijk is, teneinde het – door de rechtbank op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting zeer reëel geachte – gevaar voor herhaling zoveel als mogelijk te verminderen. Daarom zal een deel van de aan de verdachte op te leggen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde, om verdachte er aldus toe te bewegen de noodzakelijk geachte behandeling daadwerkelijk te ondergaan, op straffe van het later alsnog ten uitvoer leggen van de voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal – overeenkomstig de vordering van de officier van justitie – de proeftijd op 5 (vijf) jaren vaststellen, in het belang van de behandeling en de vermindering van het recidivegevaar.

Op grond van het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 5 (vijf) jaren, opdat verdachte er voor het einde van die proeftijd van wordt weerhouden opnieuw enig strafbaar feit te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland en behandeling bij De Waag gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een bijzondere voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf worden verbonden.

De op te leggen straf is lager dan die door de officier van justitie is gevorderd, nu daarmee – zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van de feiten – meer recht wordt gedaan aan de persoon van de verdachte. Voorts acht de rechtbank een iets langer voorwaardelijk straf-deel aangewezen als een stevige stok achter de deur.

In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om tot een nog verdere matiging van de op te leggen straf over te gaan. De feiten zijn daarvoor te ernstig.

Gelet op het bovenstaande is er aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis – welke hechtenis de rechtbank bij afzonderlijke beschikking van heden tevens heeft doen laten zien op het onder 1 bewezen verklaarde, met toepassing van de zogeheten 12 jaars-grond – op te heffen. Het belang van strafvordering dient, gezien de inhoud van deze uitspraak, zwaarder te wegen dan het persoonlijk belang van verdachte.

De rechtbank zal de schorsing opheffen met ingang van 4 januari 2010 om 11.00 uur en bevelen dat vanaf dat moment de voorlopige hechtenis – zo mogelijk door een vrijwillige melding van verdachte bij een door justitie aan te wijzen huis van bewaring – onverkort zal worden ten uitvoer gelegd.

8. Beslissingen omtrent in beslag genomen voorwerpen

8.1. Verbeurdverklaring

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de drie onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven (pornografische) dvd’s, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde met behulp van deze dvd’s – die aan verdachte toebehoren – is begaan of voorbereid.

8.2. Teruggave aan de verdachte

De rechtbank is voorts met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven computer, alsnog aan hem, verdachte, kan worden teruggegeven. Gelet op de uitkomsten van het aan de computer verrichte onderzoek, verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave.

9. Benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], vertegenwoordigd door haar vader, heeft voor de aanvang van de terechtzitting bij de officier van justitie een zogeheten voegingsformulier, zoals bedoeld in artikel 51b, eerste lid, Sv, ingediend en zich daarmee – naar de rechtbank begrijpt – als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.

Nu evenwel noch op dit formulier, noch ter terechtzitting, opgave is gedaan van het concrete schadebedrag dat de benadeelde partij (al dan niet bij wijze van voorschot) van de verdachte wenst te vorderen, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 244 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) jaren.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (ÉÉN) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 5 (VIJF) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en/of de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang die instelling dit nodig acht, ook als dat inhoudt dat de verdachte zich onder (ambulante) behandeling zal stellen bij De Waag te Haarlem, dan wel een soortgelijke instantie.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

– 3.00 STK DVD.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- een computer, kleur wit, MAXDATA MAGIC 130074671.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van maandag 4 januari 2010 te 11.00 uur en beveelt dat vanaf dat moment de voorlopige hechtenis van de verdachte – zoals gewijzigd bij afzonderlijke beschikking van heden – onverkort zal worden ten uitvoer gelegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. E. Kanninga-Jonker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.L.A. van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 december 2009.