Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL0792

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
15-700510-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer; opzettelijke invoer cocaine via poststuk; bewijsuitsluiting; medeplegen; opzet op samenwerking.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar wegens medeplegen van opzettelijke invoer van cocaine en de aanwezigheid van 36 gram cocaine.

De raadsman heeft onder verwijzing naar het Salduz-arrest betoogd dat de bekennende verklaring van verdachte niet voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht van belang dat verdachte voorafgaande aan het verhoor op zijn verzoek telefonisch contact heeft gehad met zijn raadsman die hem heeft geadviseerd van zijn zwijgrecht gebruik te maken. Verdachte heeft in weerwil van dit advies, bij de hervatting van het verhoor verklaard dat hij bereid was een verklaring af te leggen, hetgeen kennelijk zijn eigen keuze was.

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van feit 1 primair er geen sprake was van medeplegen, nu van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake was. Ook het opzet op de samenwerking ontbreekt nu verdachte niet wist van wie de zending afkomstig was. De rechtbank volgt de raadsman niet. In de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte heeft hij verklaard dat hij wist dat er in het poststuk cocaine zat, omdat hij rond 22/23 juli 2009 werd gebeld door FErdi dat het poststuk met cocaine onderweg was en dat hij zich hier al één à twee jaar mee bezig houdt en dan om de 2 tot 3 weken een apkketje met harddrugs afgeleverd kreeg uit Suriname en dat er elke keer cocaine inzat en nooit iets anders. Hierin ligt de nauwe en bewuste samenwerking besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700510-09

Uitspraakdatum: 5 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Distrikt Marowijne (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 96,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk een postpakket (komende uit Suriname en/of voorzien van pakketnummer [pakketnummer]) in ontvangst genomen, in elk geval voor dat pakket voor ontvangst getekend;

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 96,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,87 en/of 35,07 gram, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of zes tabletten en/of ongeveer 0,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDMEA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of MDMEA en/of amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten en heeft gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevorderd van alle op de beslaglijst vermelde voorwerpen.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen, waarbij ieder bewijsmiddel ook in zijn onderdelen slechts wordt gebruikt tot bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Uit deze bewijsmiddelen blijken de navolgende feiten en omstandigheden:

Op 23 juli 2009 is in de bedrijfsruimte van International Mail Unit van TNT post B.V. te Amsterdam tijdens controlewerkzaamheden door ambtenaren van de Belastingdienst, werkzaam bij de Douane West, een zending, voorzien van pakketnummer [pakketnummer], gecontroleerd. De zending was geadresseerd aan [verdachte], en vermeldde als afzender [afzender], te Paramaribo in Suriname. Bij het scannen met een röntgenapparaat werden onregelmatigheden in de zending geconstateerd. Bij het openmaken van de buitenverpakking werd een in krantenbladen gewikkeld plastic zakje met daarin een witkleurige substantie aangetroffen die bij het testen met een cocaïne/cracktest een positieve kleurreactie gaf. Het – na aflevering aan verdachte bepaalde - totaal nettogewicht van de in 10 verpakkingen in die zending aangetroffen vermoedelijke verdovende middelen bedroeg 96,09 gram, welk materiaal, voorzien van de nummers AABE5898NL tot en met AABE5907NL voor onderzoek is verzonden naar het NFI. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat dit materiaal cocaïne bevat.

Op maandag 27 juli 2009 is vorenbedoelde zending ter aflevering aangeboden aan verdachte aan zijn woning aan de [adres], in de gemeente Velsen. Verdachte heeft zich gelegitimeerd, het pakket in ontvangst genomen en voor ontvangst getekend.

Op 27 juli 2009 zijn in de woning van verdachte onder andere vijf bolletjes met vermoedelijk cocaïne en een zakje witte brokken met vermoedelijk cocaïne aangetroffen. De vijf dichtgeknoopte bolletjes hadden een nettogewicht van 3,87 gram en werden positief bevonden voor de aanwezigheid van cocaïne. Het materiaal is, voorzien van nummer AABE5892NL voor onderzoek verzonden naar het NFI. Het doorzichtige zakje met grove witgele brokken had een nettogewicht van 35,07 gram en werd eveneens positief bevonden voor de aanwezigheid van cocaïne. Het materiaal is, voorzien van nummer AABE5893NL voor onderzoek verzonden naar het NFI.

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat voornoemde materialen cocaïne bevatten.

Op 28 juli 2009 heeft verdachte bij zijn verhoor ten overstaan van de politie bekend meermalen betrokken te zijn geweest bij de invoer van cocaïne. Hij wist dat er cocaïne in het op 27 juli 2009 aan hem afgeleverde postpakket zat, omdat hij ongeveer een week eerder was gebeld met de mededeling dat er een poststuk met cocaïne onderweg was. Voorts heeft verdachte toen bekend dat hij in zijn huis nog zes bolletjes met cocaïne en nog 20 á 30 gram cocaïne aanwezig had.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat voormelde bekennende verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt onder verwijzing naar het Salduz-arrest. Naar de mening van de raadsman had de politie met het verhoor, waarin verdachte deze bekennende verklaring heeft afgelegd, moeten wachten totdat hij daarbij aanwezig kon zijn. Dit zou volgens de raadsman anders liggen indien, anders dan in casu het geval was, zijn komst onredelijk lang op zich zou laten wachten. Om 11.00 uur op 28 juli 2009 is hij van het verhoor van zijn cliënt op de hoogte gesteld. Hij heeft toen telefonisch aangegeven dat hij om 17.00 uur aanwezig kon zijn. Derhalve had tot dan moeten worden gewacht met de aanvang van dat verhoor. Het telefonisch contact tussen hem en verdachte, voorafgaande aan dit verhoor, waarin hij verdachte heeft geadviseerd zich op zijn zwijgrecht te beroepen, is volgens de raadsman onvoldoende om aan de in het Salduz-arrest gestelde eisen te voldoen. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat in het proces-verbaal van verhoor niet is vermeld dat de raadsman onredelijk lang op zich heeft laten wachten en dat er om die reden is gestart met het verhoor zonder de komst van de raadsman af te wachten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht daartoe van belang dat verdachte voor aanvang van het verhoor op 28 juli 2009 – overeenkomstig zijn verzoek - in de gelegenheid is gesteld met zijn raadsman telefonisch contact te hebben en dat verdachte ook daadwerkelijk telefonisch heeft gesproken met zijn raadsman. Zijn raadsman heeft - blijkens diens mededeling ter terechtzitting - verdachte toen geadviseerd zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Verdachte heeft desalniettemin in weerwil van hetgeen zijn raadsman hem had geadviseerd, bij de hervatting van het verhoor verklaard dat hij bereid was om een verklaring af te leggen, hetgeen kennelijk zijn eigen keuze was. Verdachte is – gelet op het voorgaande - voldoende in de gelegenheid geweest om voorafgaande aan zijn eerste inhoudelijke verhoor zijn raadsman te raadplegen. Het beroep op het Salduz-arrest treft derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen doel, zodat de bekennende verklaring van verdachte die hij tijdens zijn verhoor van 28 juli 2009 heeft afgelegd bruikbaar is voor het bewijs. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat verdachte tijdens zijn verhoor van 30 juli 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, in aanwezigheid van zijn raadsman zijn bekennende verklaring heeft gehandhaafd door te verklaren dat de thans aan hem ten laste gelegde feiten kloppen.

Ter terechtzitting heeft de raadsman voorts namens verdachte aangevoerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, nu er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat ook het opzet op samenwerking ontbreekt, omdat verdachte niet wist van wie de zending afkomstig was. Dit was hem niet medegedeeld door degene die de zending ter aflevering aanbood, aldus de raadsman. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de invoer van de in feit 1 primair genoemde verdovende middelen al door de afzender van het pakket is voltooid en dat daarvoor geen handeling van verdachte vereist was. Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat verdachte wist wat er in de zending zat of dat hij wist dat de zending aan hem verzonden was.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld zij dat de steller van de tenlastelegging onder feit 1 primair aan verdachte het verwijt maakt, dat hij op of omstreeks 27 juli 2009 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet, van cocaïne, hetgeen - naar luid van dat artikellid - inhoudt, dat hij toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich heeft schuldig gemaakt aan een (of meer) handeling(en), gericht op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht met betrekking tot de in de tenlastelegging bedoelde cocaïne die binnen het grondgebied van Nederland was gebracht.

In de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte van 28 juli 2009 heeft hij verklaard dat hij wist dat er in het aan hem afgeleverde poststuk cocaïne zat, omdat hij rond 22/23 juli 2009 door [de man] werd gebeld dat het poststuk met de cocaïne onderweg was en dat hij zich hiermee al één à twee jaar bezighoudt en dan om de twee à drie weken een pakketje met harddrugs kreeg afgeleverd uit Suriname en dat er elke keer cocaïne inzat en nooit iets anders.

In voormelde verklaring van verdachte ligt besloten dat hij in nauwe samenwerking met de door hem als [de man] aangeduide persoon op 27 juli 2009 willens en wetens de in de tenlastelegging van feit 1 primair genoemde – kort tevoren reeds vanuit Suriname binnen het grondgebied van Nederland gebrachte hoeveelheid cocaïne - in ontvangst heeft genomen en dat hij mitsdien in het licht van hetgeen hiervoor is vooropgesteld zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair in de dagvaarding is verweten.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

1.

primair

hij op 27 juli 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 96,09 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk een postpakket, komende uit Suriname en voorzien van pakketnummer [pakketnummer], in ontvangst genomen.

2

hij op 27 juli 2009 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,87 gram en ongeveer 35,07 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 96,09 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Voorts heeft verdachte in zijn huis bijna 36 gram cocaïne voor de verkoop aanwezig gehad. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Uit de verklaringen van verdachte is naar voren gekomen dat ook de ingevoerde cocaïne bestemd was voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank rekent verdachte deze strafbare feiten zwaar aan, nu hij, die zelf geen cocaïne gebruikt, op geraffineerde wijze en met zeer geringe kans op betrapping, deze cocaïne in Nederland heeft ingevoerd teneinde die cocaïne uit pure hebzucht en met voorbijzien aan de ernstige gezondheidsrisico’s voor de gebruikers te verkopen.

De eis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om hiervan te wijken.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheden voor de oplegging van een lagere straf maken dit niet anders.

Het ter terechtzitting door de raadsman gedane verzoek om de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte te bevelen zal de rechtbank afwijzen, gelet op de op te leggen straf, en in aanmerking genomen dat de verdenking, de ernstige bezwaren en gronden voor toepassing van de voorlopige hechtenis thans nog onverkort aanwezig zijn.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat alle op de beslaglijst vermelde in beslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot de in de tenlastelegging en op de beslaglijst genoemde verdovende middelen is begaan. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, in beslaggenomen voorwerpen is voorts in strijd met de wet en het algemeen belang. Ten aanzien van de overige op de beslaglijst vermelde in beslaggenomen voorwerpen geldt dat deze aan verdachte toebehoren en dat zij zijn aangetroffen bij het onderzoek naar de thans bewezen verklaarde feiten, terwijl zij geschikt zijn tot het begaan van soortgelijke feiten als thans bewezen verklaard en dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met het algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van EEN (1) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling.

Onttrekt aan het verkeer:

• 1.00 STK Zak Kl:bruin poeder aangetroffen in doosje op salontafel in woon;

• 1.00 STK Zak 6 pillen voorzien van apple logo uit doosje;

• 5.00 BOL Cocaïne aangetroffen in kast in slaapkamer;

• STK Pakketpost enveloppe aan verdachte met daarin kranten;

• 1.00 STK Zak witte brokken uit rechter keukenlade;

• 1.00 STK Zak bruine substantie;

• 7.00 STK Zak bruin poeder;

• 2.00 STK Zak 2 zakjes seals; 1 leeg en 1 vol met seals;

• 1.00 FLS Fles Kl: wit potje manitol uit kast in woonkamer;

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.G.M. van den Hoogen, voorzitter,

mrs. R.E.A. Toeter en W.B. Klaus, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. T. Alexander en S. Ok,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 november 2009.

Mrs. D.G.M. van den Hoogen en W.B. Klaus zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.