Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK9817

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
15-800961-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; opzettelijke invoer cocaïne; verweer ontbreken opzet verworpen.

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden vanwege het opzettelijk invoeren van 2781,2 gram cocaïne. Het verweer dat (voorwaardelijk) opzet ontbreekt wordt verworpen. Verdachte heeft onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Het gewicht van de koffer in lege toestand was abnormaal zwaar, verdachte heeft de koffer kort voor de reis te leen gekregen van zijn broer, desondanks heeft hij de koffer toch op meerdere manieren gecontroleerd en verdachte weet dat het in het internationaal reizigersverkeer bijzonder risicovol is om goederen voor een ander mee te nemen. Dit alles maakt dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800961-09

Uitspraakdatum: 1 oktober 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Achterhoek, HvB De Kruisberg te Doetinchem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2781,2 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. 1.Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat alle op de lijst van in beslaggenomen goederen vermelde voorwerpen verbeurd verklaard dienen te worden.

3.2. Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde feit omdat het ten laste gelegde opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt.

4. Oordeel van de rechtbank

4. 1. Bewijs

4.1.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Op 5 juli 2009 is verdachte vanuit Paramaribo (Suriname) aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Douaneambtenaren hebben zijn bagage op grond van de hun toekomende bevoegdheden met behulp van een speurhond aan een controle onderworpen. De speurhond vertoonde verhoogde interesse in een bruin geblokte koffer van het merk Louis Vuitton, hetgeen duidt op de mogelijke aanwezigheid van verdovende middelen in de koffer. Aan de koffer zat een bagagelabel op naam van [achternaam verdachte]. Bij een scancontrole via het X-ray apparaat werden afwijkende contouren gezien waarna de bagage van verdachte nader werd onderzocht. Na opening van de koffer door een verbalisant zag en voelde verbalisant dat de zijwanden verdikt waren. De verbalisant heeft vervolgens de zijwanden opengesneden met een mes waardoor een pakket zichtbaar werd. Van deze bevinding is telefonisch melding gedaan aan de kwaliteitsbeheerder.

Tijdens een verscherpte controle van passagiers op 5 juli 2009 op vlucht KL 714 vanuit Paramaribo (Suriname) werd met verdachte een selectiegesprek gehouden waarna hij werd overgebracht naar een visitatieruimte. Verbalisant kreeg tijdens de verdere controle een telefonische melding waarna de bagage van verdachte naar gate E 24 is overgebracht. Verdachte deelde desgevraagd mede dat het zijn koffer was en dat hij die koffer zelf heeft ingepakt. Tijdens de visitatie zag één van de verbalisanten dat zich in de koffer twee stuks cadeauverpakkingen bevonden met in elke verpakking twee asbakken. Ook zag hij dat in de zijwand van de koffer van verdachte een stukje van de binnenvoering was verwijderd, waardoor een verdikking zichtbaar werd. In de pakketten in de verdikking van de zijwand van de door verdachte meegevoerde koffer en de in de koffer aangetroffen cadeauverpakkingen met daarin in totaal vier asbakken werd een witte stof aangetroffen die qua kleur en substantie leek op cocaïne. De stoffen werden alle middels daartoe bestemde testsets getest. Deze tests wezen uit dat er vermoedelijk cocaïne in deze stof zat.

De pakketten zijn uitgepakt en gewogen waarbij een netto gewicht werd vastgesteld van ongeveer 2.781,2 gram. Zes representatieve monsters van de aangetroffen stof zijn voor analyse overgebracht naar het Douane Laboratorium te Amsterdam en ingeschreven onder nummer [nummer] A t/m F. In haar rapport van 14 juli 2009 heeft de hoofdscheikundige van het Douane Laboratorium te Amsterdam geconcludeerd dat de monsters met kenmerk [nummer] A t/m F cocaïne bevatten, zijnde een stof die vermeld is op lijst I van de Opiumwet.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze reis zijn eerste vakantie ooit betrof en dat hij voor de eerste maal gebruik maakte van een koffer. Voor deze reis heeft verdachte een koffer van zijn broer te leen gekregen. Verdachte heeft de koffer op meerdere manieren gecontroleerd. Zo heeft verdachte de koffer opgetild, in de koffer gekeken en zijn broer gevraagd of hij niet in de problemen zou komen door de koffer mee te nemen op de reis van Suriname naar Nederland, omdat verdachte ervan op de hoogte is dat mensen worden misbruikt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat in de zijwand van de koffer en in de cadeauverpakkingen waarin de asbakken zaten cocaïne was verborgen.

4.1.2. Bewijsoverweging

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte welke hij bij de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd en de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd onderling tegenstrijdig. Verdachte heeft niet eenduidig verklaard op welke dag hij de koffer heeft gekregen, wanneer en van wie hij de asbakken heeft gekregen en voor wie die bestemd waren en zou volgens zijn verklaring bij de Koninklijke Marechaussee de persoon die hem in Nederland zou komen ophalen, [naam], nog nooit hebben gezien, terwijl verdachte ter terechtzitting heeft verklaard [naam] wel eenmaal te hebben gezien.

Gelet daarnaast op het abnormaal zware gewicht van de koffer in lege toestand, het feit dat verdachte – naar hij heeft verklaard - kort voor de reis de koffer van zijn broer te leen heeft gekregen – hetgeen verdachte overigens niet aan de hand van een verklaring van zijn broer of anderszins heeft onderbouwd, het feit dat hij desondanks die koffer toch op meerdere manieren heeft gecontroleerd en dat verdachte weet dat het in het internationaal reizigersverkeer - met name vanuit zogeheten (drugs-)bronlanden waartoe ook Suriname behoort - bijzonder risicovol is om goederen van een ander mee te nemen, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in die koffer en in die asbakken zat, ongeloofwaardig is en dat verdachte met die wisselende en ongeloofwaardige verklaringen heeft willen bemantelen dat hij wist dat zich cocaïne in de door hem meegevoerde koffer en in die asbakken bevond.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 5 juli 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2781,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2781,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding om af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

8.1 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vliegticket, een instapkaart, twee telefoontoestellen NOKIA en een label dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVENENTWINTIG (27) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

– 1 Vliegticket

– 1 Instapkaart

– 1 Telefoontoestel Kl: grijs NOKIA

– 1 Telefoontoestel Kl: zwart NOKIA

– 1 Label KLM

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mr. J. Italianer en mr. J.L. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.J. de Baat,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2009.

Mrs. Italianer en De Vries zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.