Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK8093

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-12-2009
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
08/7993
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eiser heeft geen recht op aftrek buitengewone uitgaven wegens adoptie omdat geen sprake is van adoptie als bedoeld in artikel 6.23 van de Wet IB 2001 maar van kosten gemaakt in het kader van de procedure tot het verkrijgen van pleegouderschap. Het beroep op artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/7993

Uitspraakdatum: 14 december 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.652.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2008 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A. Namens verweerder is verschenen mr. B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is gehuwd met XY. In het jaar 2006 heeft eiser een zoon (AY, geboren op [datum]) en een dochter (BY, geboren op [datum]), beiden kinderen van twee zusters van zijn echtgenote uit Thailand laten overkomen om hen op te nemen als zijn pleegkinderen. Deze kinderen woonden voordien bij familieleden in Thailand.

Eiser heeft een kostenoverzicht overgelegd van in verband hiermee gemaakte kosten van totaal € 29.215, waarvan € 19.186 zijn gemaakt in 2006.

2.2. Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV 2006 een bedrag van € 34.669 als buitengewone uitgaven opgenomen, waarvan € 29.080 ter zake van uitgaven voor adoptie; na toepassing van de drempel van € 6.996 resulteerde dit in een persoonsgebonden aftrek van € 27.673.

3. Geschil

3.1. In geschil of het antwoord op de vraag of verweerder terecht de aftrek van adoptiekosten als buitengewone uitgaven heeft gecorrigeerd.

3.2. Eiser erkent dat ten aanzien van de twee kinderen zowel naar Thais recht als naar Nederlands recht geen sprake is van adoptie. Eiser stelt dat de procedure om de kinderen als pleegkinderen naar Nederland te krijgen gelijk kan worden gesteld met een adoptieprocedure - de pleegouderprocedure is zelfs zwaarder c.q. juridisch bewerkelijker – hetgeen mee zou moeten brengen dat de daarvoor gemaakte kosten onder artikel 6.23 van de Wet IB 2001 vallen. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 23.979.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kosten die eiser heeft gemaakt om de pleegkinderen naar Nederland te laten komen niet gelijk kunnen worden gesteld met de kosten bedoeld in artikel 6.23 van de Wet IB 2001 omdat de wet niet in een gelijkstellingsregeling voorziet.

Subsidiair stelt verweerder dat indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de kosten wel als adoptiekosten in aftrek kunnen worden gebracht. een bedrag van € 3.627 (te weten

€ 2.262 reiskosten, € 437 legeskosten en € 928 ziektekosten) als adoptiekosten tot de buitengewone uitgaven mogen gerekend. Het totale bedrag aan buitengewone uitgaven komt daarmee op € 9.217. Na toepassing van de drempel van € 6.996 leidt dit tot een persoonsgebonden aftrek van € 2.221.

Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep en vaststelling van het belastbaar inkomen op € 49.430.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, onder d, van de Wet IB 2001 zijn buitengewone uitgaven persoonsgebonden aftrekposten.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.16, onder f, van de Wet IB 2001 worden als buitengewone uitgaven onder meer aangemerkt uitgaven wegens adoptie door de belastingplichtige of zijn partner.

4.3. Als uitgaven wegens adoptie worden volgens artikel 6.23, eerste lid, van de Wet IB 2001 aangemerkt de uitgaven voor de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van adoptie door de rechter.

4.4. Voorts bepaalt artikel 6.23, tweede lid, van de Wet IB 2001 dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot in aanmerking te nemen uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door de adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed. Deze regels zijn opgenomen in artikel 39 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) welk artikel, voor zover hier van belang, het volgende bepaalt:

“1. Als uitgaven wegens adoptie van een kind dat in een ander land woonde dan de adoptanten voordat het kind door de adoptanten feitelijk werd verzorgd en opgevoed, worden in aanvulling op de uitgaven bedoeld in artikel 6.23, eerste lid, van de wet uitsluitend aangemerkt de uitgaven:

a. voor de algemene voorlichting bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie dan wel daarmee overeenkomende uitgaven indien laatstgenoemde wet op deze adoptie niet van toepassing is;

b. voor bemiddeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie tot een bedrag van ten hoogste € 681 dan wel daarmee overeenkomende uitgaven tot ten hoogste het eerder genoemde bedrag indien laatstgenoemde wet op deze adoptie niet van toepassing is;

c. verband houdende met de indiening en de behandeling van een verzoek tot het uitspraken van adoptie volgens het recht van het land van herkomst van het kind;

d. voor vervoer en begeleiding van het kind naar de woning of verblijfplaats van de adoptanten met dien verstande dat als reis- en verblijfkosten van de adoptanten in totaal niet meer dan de reis- en verblijfkosten met betrekking tot een heen- en terugreis per persoon in aanmerking worden genomen.

2. (...)

3. (...)”

Uitgaven die niet in artikel 6.23 van de Wet IB 2001 of artikel 39 van de Uitvoeringsregeling zijn genoemd kunnen niet als uitgaven wegens adoptie in aftrek worden gebracht.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van adoptie als bedoeld in artikel 6.23 van de Wet IB 2001. De rechtbank ziet in de Wet IB 2001 geen mogelijkheid om de kosten voor de procedure tot het verkrijgen van pleegouderschap onder de fiscale bepalingen als genoemd te scharen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de fiscale wetgever het in het civiele recht bestaande onderscheid tussen adoptie en pleegouderschap onder ogen heeft gezien doch er kennelijk bewust voor heeft gekozen om alleen bepaalde kosten ter zake van adoptie in aftrek toe te laten. Ook uit de jurisprudentie blijkt dat de betreffende regeling restrictief moet worden uitgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in geschil zijnde kosten niet vallen onder de limitatieve opsomming van artikel 6.23 van de Wet IB 2001 en verweerder derhalve terecht de door eiser in aftrek gebrachte uitgaven wegens adoptie buiten toepassing van de persoonsgebonden aftrek heeft gelaten.

4.6. Eiser stelt in voorts dat een pleegouderprocedure zozeer gelijk te stellen is met een adoptieprocedure, dat het niet gerechtvaardigd is een onderscheid te maken ter zake van de aftrekbaarheid van de in verband daarmee gemaakte kosten. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat oordeel van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer Hoge Raad 8 juli 2005, nr. 39 870, BNB 2005/310).

De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperkte aftrek van adoptiekosten en heeft deze limitatief in de wet opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de afweging door de wetgever in formele zin, zoals die hiervóór is weergegeven, van redelijke grond is ontbloot en heeft die mitsdien te eerbiedingen.

4.7. Voor zover eiser zich erop beroept dat regels inzake adoptiekosten in zijn geval onredelijk en onbillijk uitwerken, geldt het volgende. Over deze grief kan de rechtbank zich niet uitlaten, omdat eiser zich daarmee richt tegen de regeling van artikel 6.23 van de Wet IB 2001 als zodanig. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, bepaalt immers dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van eiser tegen de hiervoor bedoelde wettelijke regeling behoren dan ook gericht te worden aan het adres van de wetgever.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aan¬lei¬ding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.