Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK7931

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
29-12-2009
Zaaknummer
15-740635-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Oekraïne ter strafvervolging is toelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/740635-09

Registratienummer: 09/1048

Zittingsdatum: 13 oktober 2009

Uitspraakdatum: 27 oktober 2009

Uitspraak van de rechtbank Haarlem op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oekraine),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans in uitleveringsdetentie verblijvende in PI Zwaag te Zwaag,

aan de Oekraïne.

1. De relevante schriftelijke stukken

1.1. Het verzoek tot uitlevering.

In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, aangeboden bij nota van de Deputy Prosecutor General of Ukraine (Chef van het openbaar ministerie van de Oekraïne) [naam] d.d. 17 augustus 2009, met als kenmerk no. 14/3-34388-09 en gericht aan het Ministerie van Justitie in Den Haag.

Het verzoek, de ‘Petition for extradition of a person in connection with criminal prosecution’, is gedaan door [naam], Hoofd van de rechercheafdeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Oekraïne, kolonel van politie, d.d. 13 augustus 2009, gericht aan de bevoegde Nederlandse autoriteit, het Ministerie van Justitie te Den Haag.

Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging terzake van de strafbare feiten opgenomen in de ‘Order on prosecution as an accused’ van 23 maart 2000.

Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd:

- het hiervoor onder 1.1. genoemde verzoek tot uitlevering d.d. 13 augustus 2009;

- een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel (Resolution) d.d. 6 augustus 2009, afgegeven door [naam], Judge of the district court of Leninskiy District in the city of Sevastopol;

- een ‘Order on prosecution as an accused’ d.d. 23 maart 2009, afgegeven door [naam], luitenant-kolonel van politie te Oekraïne, waarin een uiteenzetting van de feiten is opgenomen;

- een ‘Order on initiation of search for the accused’ d.d. 6 maart 2009, afgegeven door [naam], luitenant-kolonel van politie te Oekraïne en [naam], Hoofd van de rechercheafdeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Oekraïne, kolonel van politie;

- een overzicht van de toepasselijke wettelijke voorschriften uit het geldende Wetboek van Strafrecht van Oekraïne;

- gegevens omtrent de identiteit van de opgeëiste persoon.

1.2. De overige stukken van het dossier.

Voorts maken de navolgende stukken deel uit van het dossier.

- De vordering van de officier van justitie d.d. 31 augustus 2009 zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid van de Uitleveringswet;

- De schriftelijke conclusie d.d. 13 oktober 2009 van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid van de Uitleveringswet.

2. De overwegingen

2.1. De identiteit van de opgeëiste persoon.

Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Oekraïne) is, dat hij de Russische nationaliteit bezit en niet tevens de Nederlandse nationaliteit, en dat hij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht.

2.2. De genoegzaamheid van de stukken.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag te stellen eisen. In het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel (Resolution) is voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd.

2.3. De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering.

2.3.1. Dubbele strafbaarheid.

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965,9)

De feiten zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

- diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en

- diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en

- diefstal door twee of meer verenigde personen

en

- diefstal door twee of meer verenigde personen.

Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

2.3.2. Door de raadsman gevoerd verweer

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het maar de vraag is of het uitleveringsverzoek van de Oekraïense autoriteiten ook daadwerkelijk de feiten bevat, waarvoor de opgeëiste persoon wordt gezocht. De opgeëiste persoon was chief operator van de politie in de Oekraïne en is betrokken geweest bij grote omkoopschandalen. Als hij uitgeleverd wordt aan de Oekraïne zal hij, omdat hij teveel weet, worden vermoord.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat – mede op grond van het aan het uitleveringsrecht ten grondslag liggende vertrouwensbeginsel - ervan moet worden uitgegaan dat er jegens de opgeëiste persoon verdenking bestaat van de aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggende strafbare feiten.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende Staat aan foltering te zullen worden onderworpen, overweegt de rechtbank dat, nu niet is gesteld of gebleken dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, het oordeel of in verband daarmee de uitlevering niet moet worden toegestaan, is voorbehouden aan de Minister van Justitie.

Bij de beoordeling van het verweer voor zover het ertoe strekt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering wordt blootgesteld aan een dreigende schending van het EVRM, zoals schending van zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, moet het volgende worden vooropgesteld.

Indien uitlevering wordt verzocht in gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM - zoals hier het geval is - brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen mee, dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon, in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

Hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht. Daar komt nog bij, dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat, wanneer een zodanige inbreuk zou plaatsvinden.

Het verweer wordt daarom verworpen.

2.3.3. Vermoeden van schuld

De opgeëiste persoon heeft ter zitting weliswaar opgemerkt dat hij zijn onschuld kan aantonen, omdat hij vanaf februari 1998 in Nederland verbleef, maar hetgeen hij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, is ontoereikend om te concluderen dat hij onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond. Daarbij komt dat hij – ook volgens zijn eigen verklaring – ten tijde van de eerste twee feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, niet in Nederland verbleef.

Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

3. Slotsom

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering, zal, gelet op de artikelen:

2 en 12 EUV,

5 van het Tweede aanvullend Protocol bij het EUV,

5 en 18 van de Uitleveringswet,

57, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht,

als volgt worden beslist.

4. De beslissing.

De rechtbank:

Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Oekraïne van [opgeëiste persoon], ter

strafvervolging ter zake van feiten omschreven in de uiteenzetting van de feiten, welk stuk als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gedaan door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mr. J. Candido en mr. W.B. Klaus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.H.E. Laffrée

en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009.