Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK7502

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
162891 - JU RK 09-1239
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek beëindiging uithuisplaatsing. De kinderrechter is van oordeel dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden zoals door de pleegvader is gesteld. Zoals reeds uit de beschikking van de kinderrechter van 12 juni 2009 blijkt, is er ook nu nog geen einde gekomen aan de jarenlange (echtscheidings)strijd tussen de pleegvader en de moeder. Daarom is plaatsing van de minderjarigen op een neutrale plek nog steeds in hun belang om de neergaande spiraal te doorbreken en hen de mogelijkheid te bieden zich positief te kunnen ontwikkelen. Daarnaast worden zij op dit moment tijdens hun verblijf in de leefgroep geobserveerd. Door de Stichting is immers -niet weersproken- naar voren gebracht dat de eerste observatieperiode bijna is afgerond en dat na de evaluatie daarvan een tweede observatietermijn zal ingaan.

De kinderrechter is daarom van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is dit traject te doorbreken door de termijn van de uithuisplaatsing te beëindigen, te bekorten dan wel te beperken tot enkele uren per dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

Beëindiging uithuisplaatsing (art. 1:263 lid 4 BW)

zaak-/rekestnr.: 162891 / JU RK 09-1239

beschikking van de kinderrechter van 24 november 2009

naar aanleiding van een verzoek van

[naam pleegvader],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de pleegvader,

advocaat mr. mr. S.F. Yap, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Stichting,

met betrekking tot de minderjarigen:

- [naam minderjarige 1],

geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats],

- [naam minderjarige 2],

geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats],

beiden verblijvende een leefgroep in [plaats] van OCK [naam],

kinderen van

[naam moeder],

wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

en

de pleegvader voornoemd.

Het gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2009, ingekomen op 26 oktober 2009, met daarbij het verzoekschrift, met bijlagen, van de pleegvader;

- de brief van 6 november 2009, met bijlagen, van mr. S.F. Yap.

1.2 De kinderrechter heeft het verzochte behandeld op de zitting met gesloten deuren van 09 november 2009.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de pleegvader, bijgestaan door mr. S.F. Yap;

- de moeder;

- de Stichting, vertegenwoordigd door mevr. mr. E. Lam en mevr. C.W. van Donselaar.

1.3 De minderjarigen zijn in raadkamer gehoord.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Bij beschikking van de kinderrechter van 29 augustus 2006 zijn deze minderjarigen onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 26 juni 2010.

2.2 Bij beschikking van de kinderrechter van 12 juni 2009 is machtiging verleend de minderjarigen uit huis te plaatsen, welke machtiging eindigt op 26 juni 2010.

2.3 Bij brief van 6 oktober 2009 heeft de Stichting het verzoek van de pleegvader van 17 september 2009 tot beëindiging van de uithuisplaatsing afgewezen.

3 Verzoek

3.1 De pleegvader verzoekt thans primair de machtiging tot wijziging in de verblijfplaats van de minderjarigen in te trekken.

Subsidiair verzoekt de pleegvader de duur van de machtiging uithuisplaatsing in OCK [naam] te bekorten en te beperken tot de duur van de omvang van de observatie-uren, waarbij de minderjarigen niet gedurende dag en nacht in OCK [naam] zullen verblijven, maar aldaar voor een periode van drie maanden een vastgesteld aantal uren per week na schooltijd ter observatie zullen zijn.

Meer subsidiair vraagt de pleegvader op de voet van artikel 1:260 lid 4 jo artikel 1:259 BW een aanwijzing te geven wegens gewijzigde omstandigheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarigen in dier voege dat zij voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis geplaatst zullen worden in zijn gezin.

3.2 De pleegvader is van mening dat de Stichting zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat hij de minderjarigen jarenlang als tot zijn gezin behorend heeft verzorgd en opgevoed.

4 Het verweer

Ontvankelijkheid

4.1 De Stichting heeft ter zitting verweer gevoerd. Hoewel de Stichting erkent dat de minderjarigen in het gezin van moeder en pleegvader hebben gewoond en na de echtscheiding regelmatig met de andere kinderen uit het gezin bij de pleegvader woonden, handhaaft zij haar stelling dat de pleegvader geen belanghebbende is die op grond van artikel 1:263 lid 2 BW een dergelijk verzoek kan indienen.

Primaire verzoek

4.2 Indien de kinderrechter de pleegvader in zijn verzoek ontvankelijk verklaart, verzoekt de Stichting de kinderrechter het verzoek af te wijzen. Indien de vader het niet eens is met de machtiging uithuisplaatsing, had hij appel kunnen instellen bij het Gerechtshof.

De Stichting is van mening dat intrekking van de machtiging uithuisplaatsing niet in het belang van de minderjarigen is, omdat zij dan terug moeten naar de moeder die met het gezag over hen is belast en beide minderjarigen absoluut niet bij de moeder willen wonen. Daarnaast is de Stichting van mening dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van 26 juni 2009. De minderjarigen verblijven in een leefgroep in [plaats], gaan in [plaats] naar school en worden in de leefgroep geobserveerd.

De Stichting voert nog aan dat de plaatsing van de minderjarigen in de leefgroep bovendien door gedragingen van pleegvader is vertraagd. Toen de minderjarige in de derde week van juni 2009 in de leefgroep geplaatst konden worden, waren zij -zonder overleg met de Stichting¬- met de pleegvader op vakantie in het buitenland. Op het moment dat de pleegvader na de vakantie wederom werd geïnformeerd over het feit dat de minderjarigen in de leefgroep geplaatst konden worden, is hij met de minderjarigen in zijn huis in [land] gebleven.

De Stichting voert voorts aan dat de moeder bezwaar heeft tegen plaatsing van de minderjarigen bij de pleegvader.

Het subsidiaire verzoek

4.3 Ten aanzien van de subsidiaire verzoeken stelt de Stichting dat de machtiging uithuisplaatsing is gegeven voor een accommodatie van de zorgaanbieder gedurende dag en nacht en dat die duur niet kan worden beperkt omdat de minderjarigen op diverse tijdstippen van hun verblijf in de leefgroep worden geobserveerd.

Het meer subsidiaire verzoek

4.4 De Stichting stelt voorts dat de vader niet ontvankelijk is in zijn verzoek ten aanzien van het geven van een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter is immers alleen bevoegd een machtiging tot uithuisplaatsing te geven en heeft geen bevoegdheid de Stichting een aanwijzing te geven over de wijze waarop aan de uithuisplaatsing moet worden uitgevoerd.

De Stichting is voorts van mening dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die wijziging van de machtiging uithuisplaatsing rechtvaardigen.

Ten aanzien van de overige bezwaren van de pleegvader over de handelwijze van de Stichting heeft de vader de mogelijkheid een klachten bij de Stichting in te dienen.

5 Beoordeling

Ontvankelijk

5.1 Het verzoek is binnen de termijn van artikel 1:263 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek ingediend.

5.2 De kinderrechter is van oordeel dat de pleegvader ontvankelijk is in zijn primaire en subsidiaire verzoek. Hij heeft de minderjarigen eerst gedurende het huwelijk samen met de moeder als zijn eigen kinderen verzorgd en opgevoed. Vervolgens hebben de minderjarigen na de echtscheiding zowel in [plaats] als in [land] in zijn gezin gewoond. Ook nu verblijven de minderjarigen -in het kader van een omgangsregeling tijdens de uithuisplaatsing- in de [plaats] woning van de pleegvader.

Het primaire en subsidiaire verzoek

5.3 De kinderrechter is van oordeel dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden zoals door de pleegvader is gesteld. Zoals reeds uit de beschikking van de kinderrechter van 12 juni 2009 blijkt, is er ook nu nog geen einde gekomen aan de jarenlange (echtscheidings)strijd tussen de pleegvader en de moeder. Daarom is plaatsing van de minderjarigen op een neutrale plek nog steeds in hun belang om de neergaande spiraal te doorbreken en hen de mogelijkheid te bieden zich positief te kunnen ontwikkelen. Daarnaast worden zij op dit moment tijdens hun verblijf in de leefgroep geobserveerd. Door de Stichting is immers -niet weersproken- naar voren gebracht dat de eerste observatieperiode bijna is afgerond en dat na de evaluatie daarvan een tweede observatietermijn zal ingaan.

De kinderrechter is daarom van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is dit traject te doorbreken door de termijn van de uithuisplaatsing te beëindigen, te bekorten dan wel te beperken tot enkele uren per dag.

De mogelijkheid dat uit de observatie nieuwe informatie naar voren komt die tot heroverweging van het standpunt van de Stichting kan leiden, is voor de kinderrechter geen aanleiding daarop nu reeds vooruit te lopen. Daarom zal het primaire verzoek (beëindiging van de uithuisplaatsing) en subsidiaire verzoek (bekorting en beperking van de duur van de uithuisplaatsing) van de vader worden afgewezen.

Het meer subsidiaire verzoek

5.5 Nu de kinderrechter niet bevoegd is om de Stichting een aanwijzing te geven over de plaats waar de minderjarige gedurende de ondertoezichtstelling zullen verblijven, zal de pleegvader niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek hiertoe.

5.6 Ten overvloede wijst de kinderrechter de pleegvader erop dat voor zijn overige bezwaren over de werkwijze van de Stichting de weg open van de klachtenregeling openstaat.

6 Beslissing

De kinderrechter:

5.1 Wijst het primaire en subsidiaire verzoek van de vader af.

5.2 Verklaart de pleegvader niet ontvankelijk in zijn meer subsidiaire verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.P. Joukes, griffier, op 24 november 2009.

Tegen deze beschikking kan – voorzover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.