Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK7405

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
154603 - FA RK 09-547
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Man is overleden. Verzoeker verzoekt dmv DNA-onderzoek tussen hem en de zus van de man vast te stellen dat de man de verwekker is van verzoeker. Beslissing aangehouden in afwachting van informatie over door dit DNA-onderzoek kan worden vastgesteld dat de man verwekker is van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

gerechtelijke vaststelling vaderschap

zaak-/rekestnr.: 154603 / FA RK 09-547

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 1 december 2009

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: verzoeker,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers, kantoorhoudende te Edam,

--tegen--

1 [naam erfgenaam 1],

wonende te [plaats],

2 [naam erfgenaam 2],

wonende te [plaats],

3 [naam erfgenaam 3],

wonende te [plaats],

in hun hoedanigheid als erfgenamen van

[naam man],

overleden op [datum] 2005 te [plaats].

hierna mede te noemen: de erfgenamen,

advocaat: N.M. Smits-Cabooter, kantoorhoudende te Amsterdam,

en

4 [naam],

wonende te [plaats],

in haar hoedanigheid als erfgenamen van [naam man],

overleden op [datum] 2005, hierna: de erfgename.

Belanghebbende in deze procedure is [naam moeder], hierna: de moeder.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoeker van 17 februari 2009 ingekomen op 18 februari 2009;

- het verweerschrift met bijlagen van de erfgenamen van 22 september 2009;

- een telefoonnotitie van de administratie van deze rechtbank van 5 augustus 2009 van een gesprek met de erfgename, die in [land] woonachtig is.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 september 2009 in aanwezigheid van partijen, verzoeker bijgestaan door mr. B.W.M. Zegers, de erfgenamen, bijgestaan door N.M. Smits en de moeder.

1.3 De erfgename is behoorlijk opgeroepen en heeft in bovengenoemd telefoongesprek aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Uit het overgelegde afschrift van de geboorteakte van de gemeente [plaats] blijkt dat verzoeker op [datum] 1979 is geboren als kind van de moeder.

2.2 Uit een akte van overlijden van de gemeente [plaats] blijkt dat [naam man], (hierna: [naam]) op [datum] 2005 in [plaats] is overleden.

3 Verzoek

3.1 Het verzoek strekt tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [naam man] als bedoeld in artikel 1: 207 van het Burgerlijk Wetboek.

3.2 Verzoeker stelt dat hij maar een ouder heeft, zijn moeder. Hij is in het verleden niet geadopteerd. [naam man] is zijn verwekker. Verzoeker heeft er derhalve recht op en belang bij dat de rechtbank overgaat tot gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap. Hij baseert zijn verzoek op de stelling dat hij bij toewijzing van het verzoek als enig kind recht heeft op de nalatenschap. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat het hem er vooral om gaat te weten wie zijn vader is. Hij ervaart de onzekerheid op dit punt als zeer belastend.

Volgens verzoeker heeft [naam man] destijds aan zijn toenmalige voogd te kennen gegeven dat hij de verwekker van verzoeker is en is er via Bureau Jeugdzorg ook contact geweest tussen verzoeker en [naam overledene]. [naam man] heeft op [datum] 1979 de geboorte van verzoeker aangegeven bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats]. De volle zus van [naam man], [naam zus], heeft in een eerder stadium schriftelijk te kennen gegeven dat het heel goed mogelijk is dat haar broer de verwekker van verzoeker is. Ook heeft zij na het overlijden van [naam man] contact met hem opgenomen en hebben zij met elkaar over de erfenis van [naam man] gesproken. Omdat verzoeker in de periode rond het overlijden van [naam man] depressief is geworden, was hij emotioneel niet in staat op een eerder tijdstip een verzoek vaststelling van het vaderschap in te dienen.

3.2 De moeder heeft ter zitting verklaard dat [naam overledene] de verwekker van verzoeker is.

3.3 Verzoeker vraagt de rechtbank een DNA-onderzoek te gelasten en is bereid de kosten van een dergelijk onderzoek voor zijn rekening te nemen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat uit de literatuur voldoende blijkt dat een DNA-onderzoek met een volle zus voldoende is om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen dat [naam man] de verwekker van verzoeker is.

4 Het verweer

4.1 De erfgenamen hebben het verzoek gemotiveerd bestreden. De erfgename heeft telefonisch aangegeven geen verweer tegen het verzoek te zullen voeren.

4.2 De erfgenamen betwisten niet dat aannemelijk is dat [naam man] de verwekker van verzoeker kan zijn. Het staat echter niet vast dat [naam man] de verwekker is. Het klopt dat de moeder en [naam man] ten tijde van de geboorte van verzoeker samenwoonden. Er was echter geen sprake van een gebruikelijke gezinssituatie omdat zowel de moeder als [naam man] in de periode dat verzoeker is verwekt verslaafd waren aan verdovende middelen en er regelmatig andere mensen in het huis verbleven.

Daarnaast stellen de erfgenamen dat [naam man] aan twee van hen heeft toevertrouwd dat hij door het middelengebruik in die periode niet in staat zou zijn geweest om gemeenschap te hebben.

4.3 De erfgenamen stellen dat zij van Sanquin, een gecertificeerd bureau voor vaderschapsonderzoek, hebben vernomen dat vaststelling van het vaderschap van een man slechts mogelijk is, wanneer DNA kan worden afgenomen van minimaal drie volle broers en/of zussen. In de onderhavige procedure is dit niet mogelijk omdat alleen [naam zus] een volle zus van [naam man] is en de overige erfgenamen halfbroers en zusters van hem zijn. De erfgenamen hebben er voorts bezwaar tegen indien voor een DNA-onderzoek het graf van [naam man] zou moeten worden geopend. Zijn belang op een ongestoorde rustplaats wordt in dat geval geschonden. Daar komt bij dat [naam man] als eerste in een algemeen graf is begraven en na hem nog twee (voor hen onbekende) overledenen in het graf zijn geplaatst.

Er zijn derhalve nog meer rechthebbenden met betrekking tot het graf. Ook zij hebben er belang bij dat het graf ongemoeid wordt gelaten.

5 Beoordeling

5.1 Partijen hebben ter zitting aangegeven te zullen nadenken over de mogelijkheid om hun geschil door middel van mediation te beëindigen. Op 12 oktober 2009 hebben de advocaten aangegeven dat partijen niet tot mediaton zullen overgaan. De advocaat van verzoeker heeft dat telefonisch gedaan en de advocaat van de erfgenamen schriftelijk. Daarom zal thans een beslissing worden genomen op grond van het verzoek.

5.2 Vast staat dat aannemelijk is dat [naam man] de verwekker van verzoeker kan zijn. Hij heeft de rechtbank verzocht een DNA onderzoek te gelasten om hierover zodanige zekerheid te krijgen dat zijn verzoek kan worden toegewezen.

5.3 Ter zitting is komen vast te staan dat niet in voldoende mate blijkt dat er thans nog voorwerpen beschikbaar zijn waarvan zonder meer vaststaat dat zich daarop lichaamseigen materiaal van [naam man] bevindt op basis waarvan met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [naam man] de verwekker van verzoeker is.

5.4 Ter zitting heeft het geschil zich vervolgens toegespitst op de vraag of DNA onderzoek tussen de volle zus van [naam man] en verzoeker voldoende is om het vaderschap van [naam man] te kunnen vaststellen. De erfgenamen hebben informatie ingewonnen bij Sanquin, en gemotiveerd betwist dat dit het geval is. DNA onderzoek wordt door de zus van [naam man] als belastend ervaren. Voorgaande omstandigheid in combinatie met de kosten die een deskundigenonderzoek op dit punt met zich meebrengt, leidt ertoe dat de rechtbank in de procedure een tussenstap zal inbouwen. Alvorens een beslissing te nemen om al dan niet tot het benoemen van een deskundige over te gaan, zal de rechtbank verzoeker eerst opdragen om nadere informatie te verschaffen over de technische mogelijkheid om op grond van DNA onderzoek tussen hem en de volle zus van [naam man], [naam zus], vast te stellen dat [naam man] zijn verwekker is.

5.5 Ten aanzien van het verweer van de erfgenamen met betrekking tot hun vrees dat het graf van [naam man] moet worden geopend, overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker heeft niet gesteld dat hij door opgraving van het lichaam van [naam man] wil laten vaststellen dat [naam man] zijn verwekker is. Verweerders zijn uitgebreid op deze mogelijkheid ingegaan, omdat zij er bezwaar tegen hebben. Naar aanleiding van hun stellingen heeft verzoeker niet weersproken dat [naam man] als eerste is begraven in een algemeen graf en dat na hem nog twee overledenen in dat graf zijn begraven. Hij heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat opgraving van het lichaam van [naam man] ondanks het bepaalde in artikel 29 lid 1 van de Wet op de Lijkbezorging dient plaats te vinden. Dit artikel bepaalt dat geen lijk wordt opgegraven dan, indien het een graf betreft waarop een uitsluitend recht berust, met toestemming van de rechthebbende op het graf en voorts met vergunning van de burgemeester der gemeente, binnen welker gebied het begraven is.

Nu vast staat dat niet aan de voorwaarden voor opening van het graf van [naam man] is voldaan, stelt de rechtbank vast dat de enige mogelijkheid om in deze procedure vast te stellen of [naam man] de verwekker van verzoeker is, een DNA onderzoek is tussen hem en [naam zus].

5.6 In afwachting van de nadere informatieverstrekking zoals genoemd in rechtsoverweging 5.4, zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

6 Beslissing:

De rechtbank:

6.1 Draagt verzoeker op nadere informatie te verschaffen over de mogelijkheid om op grond van DNA onderzoek tussen hem en de volle zus van [naam man], [naam zus], vast te stellen dat [naam man] de verwekker van verzoeker is.

6.2 Houdt de behandeling van het verzoek aan tot 18 februari 2010 pro forma.

6.3 Bepaalt dat het schriftelijk bericht van verzoeker uiterlijk op 1 februari 2010 door de rechtbank, de erfgenamen, hun advocaat en de erfgename ontvangen dient te zijn.

6.4 Stelt de erfgenamen in de gelegenheid om op deze informatie schriftelijk te reageren, welk bericht uiterlijk op 15 februari 2010 door de rechtbank en verzoeker ontvangen dient te zijn.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 1 december 2009, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.