Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK7264

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
15/996500-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vastgoedfraude; Klimop; witwassen; criminele organisatie; projectontwikkeling.

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van witwassen en deelneming aan een criminele organisatie tot een geldboete van 17.000 euro. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte onder meer rekening gehouden met het feit dat haar bestuurders – zij het nadat zij geconfronteerd werden met een overdaad aan bewijsmateriaal – openheid van zaken hebben gegeven, zij zich hebben laten gebruiken door personen die zowel in zakelijk als in persoonlijk opzicht een grote mate van overwicht op hen hadden, het te veel betaalde geld niet, althans niet in overwegende mate, naar verdachte is doorgesluisd en het feit dat verdachte en haar bestuurders als eerste van vele verdachten in het onderhavige grootschalige fraudeonderzoek, bekend onder de naam “Klimop”, in het openbaar terecht staan, waardoor zij onevenredig veel publicitaire aandacht hebben gekregen. Daarnaast worden ook de bestuurders gestraft voor dezelfde strafbare feiten als waarvoor verdachte terecht staat.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat op naam van verdachte opzettelijk is meegewerkt aan een grove benadeling van [benadeelde]. Daartoe zijn veelvuldig valse documenten op opgesteld, waardoor geldstromen in een juridisch kader werden geplaatst met de bedoeling om de ware aard van die geldstromen te verhullen. Verdachte is hierbij gedurende een aantal jaren betrokken geweest en heeft ook zelf, in financieel en zakelijk opzicht, geprofiteerd van deze praktijken doordat verdachte opdracht kreeg tot het ontwikkelen van grote en prestigieuze bouwwerken waarvoor riant werd betaald. De schaal waarop dit gebeurde - met name gelet op de hoogte van de bedragen die ermee gemoeid waren - is ongekend in het Nederlandse zakenleven en heeft grote schade toegebracht, niet alleen aan [benadeelde], maar ook aan het vertrouwen dat in het zakendoen in het algemeen en in deze zaak met name in de sfeer van het vastgoed, gesteld moet kunnen worden. De hele branche is mede door deze grootschalige fraudezaak als het ware besmeurd geraakt.

Nu het gaat om een rechtspersoon is de enige mogelijke straf een geldboete. De rechtbank ziet aanleiding de door de officier geëiste geldboete te matigen met 1/3, gelet op de door bestuurders van verdachte gegeven openheid van zaken en de negatieve publiciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996500-09

Uitspraakdatum: 18 december 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 november 2009, 19 november 2009, 20 november 2009 en 4 december 2009 in de zaak tegen:

[VERDACHTE 4],

gevestigd te [adres],

hierna te noemen verdachte,

ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door [verdachte 1] en [verdachte 2], beiden gezamenlijk middellijk bestuurder en aandeelhouder van verdachte.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

(PROJECT HOLLANDSE MEESTER):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 4 augustus 2003, te Hoevelaken en/of Heemstede en/of Den Haag en/of Capelle aan den IJssel en/of Bemmel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 1.179.829,- (Fl.2.600.000,-), in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het voorwerp was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 9])

door voor te wenden dat dit voorwerp was verkregen op basis van een (valse of vervalste) overeenkomst inzake verkoop rechten uit optieovereenkomst van de stationslocatie aan het plein van de Verenigde Naties te Zoermeer gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [benadeelde 1] (D-0003/D-1331)

en/of

door voor te wenden dat dit voorwerp was (door)betaald op basis van twee, althans een of meer, (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst(en) gesloten tussen [medeverdachte 9] en [handelsnaam verdachte 3 en 4] (D-0091 en/of D-0008)

en/of

door dit voorwerp te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0014),

althans dit voorwerp voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft overgedragen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

(PROJECT SOLARIS):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 9 december 2004, te Hoevelaken en/of Heemstede en/of Den Haag en/of Capelle aan den IJssel en/of Bemmel en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 8.352.712,- (exclusief btw), in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en) was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11])

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en) was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) (turnkey)overeenkomst gesloten tussen [benadeelde 1], en [handelsnaam verdachte 3 en 4], handelend namens de nog op te richten [medeverdachte 13] (D-0006/D-1270)

en/of

door voor te wenden dat dit/die voorwerpen was/waren (door)betaald op basis van een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] (D-0010) en/of twee, althans een of meer, (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst(en) gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 12] (D-1430 en/of D-1431) en/of een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 10] (D-1426) en/of

en/of een (valse of vervalste) (afkoop)brief ten bedrage van in totaal circa Euro 675.000,- van [handelsnaam verdachte 3 en 4] aan [medeverdachte 12] (D-1432) en/of zes, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 12] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in totaal circa Euro 707.500,-

(D-1441 en/of D-1442 en/of D-1443 en/of D-1444 en/of D-1445 en/of D-1445-1) en/of acht, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 10] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in

totaal circa Euro 837.500,- (D-1428 en/of D-1429 en/of D-1429-1 en/of D-1429-2

en/of D-1429-3 en/of D-1434 en/of D-1435 en/of D-1436) en/of vijf, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(en) van [medeverdachte 11] BV aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in totaal circa Euro 150.000,- (D-1437 en/of D-1438 en/of D-1438-1 en/of D-1439 en/of D-1440)

en/of

door een gedeelte van dit voorwerp (circa Euro 5.982.712,-) te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0021/D-1234-1 t/m D-1234-5),

althans dit/die voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft overgedragen,

terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middelijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

(PROJECT COOLSINGEL):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 4 augustus 2003, te Hoevelaken en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 1.843.000,- (exclusief btw), in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het voorwerp was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 9])

door voor te wenden dat dit voorwerp was verkregen op basis van een (valse of vervalste) overeenkomst inzake de ontwikkeling van de Luxorloactie te Rotterdam gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [benadeelde 1] , (D-0002/D-1579)

en/of

door voor te wenden dat dit voorwerp was (door)betaald op basis van een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] (D-0007/D-1031)

en/of

door dit voorwerp te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0014),

althans dit voorwerp voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven en/of heeft overgedragen,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat geldbedrag (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Bergschenhoek en/of 's-Gravenzande en/of Delft en/of Bilthoven en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Heemstede en/of Bemmel en/of Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit haar, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [verdachte 3] (van 2 februari 1994 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] BV en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 17] en/of [medeverdachte 18] en/of [medeverdachte 19] en/of [medeverdachte 20]en/of [medeverdachte 21] en/of [medeverdachte 22] en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

- oplichting van [benadeelde 1] (artikel 326 WvSr)

- verduistering in dienstbetrekking bij [benadeelde 1] (artikel 322 WvSr)

- valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr)

- niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr)

- witwassen (artikel 420bis/420quater WvSr)

- opzetheling (artikel 416 WvSr)

bestaande die deelneming onder meer uit:

het (laten en/of doen) aangaan van valse of vervalste overeenkomsten

en/of

het (laten en/of doen) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of kostenbatenanalyses (KBA) en/of rapportages en/of bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) opnemen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven in bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) verzenden van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven

en/of

het (laten en/of doen) doorbetalen en/of beheren en/of verdelen en/of ontvangen en/of verhullen van geldbedragen (al dan niet via [medeverdachte 7]), die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven

en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn voor de op te (laten en/of doen) maken valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of bedrijfsadministraties

en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn om geldbedragen, die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven, door te (kunnen) sluizen

en/of

het (laten en/of doen) beleggen van vergaderingen/bijeenkomsten met overige leden van de organisatie

en/of

het (laten en/of doen) werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van nieuwe leden en/of huidige leden van de organisatie

en/of

het (laten en/of doen) oprichten van bedrijven, die met geen ander doel zijn opgericht voor het (laten en/of doen) plegen van vorenbedoelde misdrijven

en/of

het verzwijgen tegenover [benadeelde 1] dat inzake de projecten "Hollandse Meester" en/of "Solaris" en/of "Coolsingel" door [benadeelde 1] te veel geld is betaald, althans dit niet heeft gemeld bij [benadeelde 1].

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Feiten 1 tot en met 4: de verdachte en diens relatie met de medeverdachten

De relatie tussen verdachte en zijn medeverdachten kan als volgt worden omschreven.

- Verdachte is op 14 augustus 2000 opgericht. Van 14 augustus 2000 tot en met 5 april 2005 was de statutaire naam

[handelsnaam verdachte 3 en 4]. [betrokkene 6] is sinds 14 augustus 2000 enig aandeelhouder en bestuurder van

verdachte. [verdachte 1] en [verdachte 2] hadden beiden gezamenlijk de leiding over verdachte.

- [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn sinds 2 februari 1994 beiden via hun vennootschappen [betrokkene 11] ([verdachte 1]) en [betrokkene 12] ([verdachte 2]) aandeelhouder, bestuurder en leidinggevende van [betrokkene 6].

- [betrokkene 6] was vanaf 2 maart 1994 tot en met 27 oktober 2000 enig aandeelhouder en bestuurder van [verdachte 3] (in

de periode van 2 maart 1994 tot en met 14 augustus 2000 [handelsnaam verdachte 3 en 4] geheten) . Verdachte is sinds

27 oktober 2000 enig aandeelhouder en bestuurder van [verdachte 3]. [verdachte 1] en [verdachte 2] hadden beiden

gezamenlijk de leiding over [verdachte 3].

- [verdachte 3] was van 2 december 1999 tot 10 juni 2003 enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 13].

[verdachte 1] en [verdachte 2] hadden beiden gezamenlijk de leiding over [medeverdachte 13].

- [verdachte 1] en [verdachte 2] kunnen voorts via [verdachte 3] worden aangemerkt als (middellijk) bestuurder en

leidinggevende van [medeverdachte 17] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 18] en [medeverdachte 19] .

Verder is van belang dat [verdachte 1] woont in [woonplaats] en [verdachte 2] in [woonplaats] en hun vennootschappen gevestigd zijn in [vestigingsplaats]. In [woonplaats] is [medeverdachte 1] woonachtig en is de vennootschap [medeverdachte 8], waarvan [medeverdachte 1] bestuurder en grootaandeelhouder is, gevestigd. [medeverdachte 2] en de aan hem gelieerde vennootschappen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 9] , zijn gevestigd in [vestigingsplaats], evenals [medeverdachte 3] en de aan hem gelieerde vennootschappen [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] BV , terwijl de aan hem gelieerde vennootschap [medeverdachte 12] is gevestigd in [vestigingsplaats]. BV [benadeelde 1] is beherend vennoot van [benadeelde 1]. Beide ondernemingen zijn gevestigd in [vestigingsplaats]. Van 16 september 1998 tot 1 januari 2001 is [medeverdachte 1] algemeen directeur geweest van BV [benadeelde 1] en van 1 juli 1996 tot 1 augustus 2001 van [benadeelde 1] BV. Hij is opgevolgd door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 5] is van 28 augustus 2001 tot 1 januari 2003 directeur geweest . [medeverdachte 3] is vanaf 1 oktober 1995 aangesteld als controller bij [benadeelde 1] . Hij is van 28 augustus 2001 tot 1 mei 2002 directeur financiën en informatievoorziening geweest . Vanaf 1 januari 1999 zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] adjunct-directeur bij [benadeelde 1] . Van 1 januari 1992 tot 1 juni 2001 is [medeverdachte 4] lid geweest van de Raad van Bestuur van [benadeelde 1] . [medeverdachte 4] is in elk geval in de periode van 16 september 1998 tot en met 7 februari 2001, blijkens een verslag van de Raad van Commissarissen, lid geweest van de Raad van Commissarissen van [benadeelde 1].

[medeverdachte 6] is woonachtig in [woonplaats] en de vennootschappen [medeverdachte 14] en [medeverdachte 16] , waarvan [medeverdachte 6] (middels [betrokkene 13]) bestuurder en enig aandeelhouder is, zijn eveneens gevestigd in [vestigingsplaats]. De vennootschap [betrokkene 10] is gevestigd te [vestigingsplaats] en heeft als bestuurder en enig aandeelhouder is [eigenaar betrokkene 10] , de echtgenote van [medeverdachte 5].

De afzonderlijke feiten

De rechtbank dient in deze zaak de vraag of de ten laste gelegde gedragingen in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan verdachte. Teneinde deze vraag te beantwoorden gaat de rechtbank hieronder eerst in op de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn gebleken.

Ten aanzien van het witwassen (feiten 1, 2 en 3)

[verdachte 1] en [verdachte 2] hebben beiden tijdens de verhoren en ter terechtzitting verklaard dat zij beiden als feitelijk leidinggever van verdachte zijn aan te merken. Voorts hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] bekend dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen in de projecten Hollandse Meester , Coolsingel en Solaris . Het witwassen vond plaats door bedragen die zij van [benadeelde 1] hadden verkregen;

- op basis van de valse winstdelingsovereenkomsten met [medeverdachte 9] (waarvan zij wisten dat deze vals waren) via de

derdenrekening van [medeverdachte 7] te betalen aan [medeverdachte 9];

- op grond van valse brieven, overeenkomsten en facturen betalingen te doen, terwijl zij wisten dat tegenover die betaling

geen enkele reële prestatie stond.

Ten aanzien van de criminele organisatie (feit 4)

Van deelname aan een criminele organisatie is sprake indien in feitelijke zin wordt deelgenomen aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voor deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat verdachte ook deelneemt aan de criminele handelingen waarop het oogmerk van de organisatie is gericht (HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 64). Voldoende is dat verdachte behoort tot de organisatie en in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 64). Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is niet vereist (HR 5 september 2006, NJ 2007, 336). Het samenwerkingsverband waarvan sprake is, moet voorts gestructureerd en duurzaam zijn, maar hoeft niet steeds uit dezelfde personen te bestaan (HR 29 januari 1991, NJB 1991, nr. 50) en evenmin is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72).

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte niet reeds vanaf januari 1998 aan een criminele organisatie heeft deelgenomen. Anders dan de verdediging, is de rechtbank evenwel van oordeel dat zij vanaf juni 1999 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

[verdachte 1] en [verdachte 2] zijn in 1997/1998 in contact gekomen met [medeverdachte 2], respectievelijk [medeverdachte 1] toen werkzaam bij [benadeelde 1], en hebben zij aan [benadeelde 1] een aanbieding voor de ontwikkeling van het project Coolsingel gedaan. [benadeelde 1] heeft het aanbod van [handelsnaam verdachte 3 en 4] inzake de ontwikkeling van Coolsingel aanvaard en zij heeft met [handelsnaam verdachte 3 en 4] een ontwikkelingsovereenkomst gesloten, gedateerd 15 januari 1999 . Op het originele exemplaar hiervan staat een poststempel waaruit blijkt dat deze overeenkomst op 29 oktober 1999 bij [benadeelde 1] is binnengekomen. [verdachte 1] verklaart dat de datum op de overeenkomst niet klopt: de overeenkomst is later afgesloten dan 15 januari 1999. [verdachte 1] en [verdachte 2] hadden aangegeven het project voor een bedrag van fl. 3.500.000,- tot fl. 4.000.000,- te kunnen ontwikkelen. Echter, [medeverdachte 1] stelde een vergoeding van fl. 13.850.000,- vast. Hiervoor dienden [verdachte 1] en [verdachte 2] enkele betalingen te voldoen. Telkens werd, voordat deze bij [handelsnaam verdachte 3 en 4] arriveerde, door [medeverdachte 1] aangekondigd welke factuur opgestuurd zou worden en betaald diende te worden. De eerste factuur was van [betrokkene 8] van 12 juli 1999. Tevens hebben [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] een winstdelingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst was vals, want [handelsnaam verdachte 3 en 4] heeft voor eigen rekening en risico het project Coolsingel ontwikkeld. [medeverdachte 2] kwam bij [verdachte 1] en [verdachte 2] langs en wilde alvast geld ontvangen als vooruitbetaling op de winstdelings¬overeenkomst met [medeverdachte 9]. Hij vertelde [verdachte 1] en [verdachte 2] dat zij maar wat moesten verzinnen, want hij wilde zijn geld. Dit geld heeft [handelsnaam verdachte 3 en 4] toen door middel van een aantal facturen die [medeverdachte 9] heeft gestuurd aan [medeverdachte 18], [medeverdachte 19] en [medeverdachte 15], betaald. De eerste factuur dateert al van 20 juli 1999. Uit een brief van [handelsnaam verdachte 3 en 4] d.d. 3 juni 2005 blijkt dat een afrekening heeft plaats gevonden en dat een bedrag van € 1.843.400,- toe komt aan [medeverdachte 9]. Op een kopie van een bankrekeningafschrift op naam van [betrokkene 1] staat dat er op 17 april 2003 een bedrag van € 1.843.400,- is overgemaakt naar [medeverdachte 7] (de rechtbank leest hier [medeverdachte 7] ). Achter dit bedrag is met de hand geschreven “Coolsingel”. [verdachte 1] verklaart dat hij facturen van [medeverdachte 16] en [medeverdachte 14] in opdracht van [medeverdachte 1] in de projectadministratie van Coolsingel heeft opgenomen. Na overleg met [medeverdachte 1] werd op de facturen vermeld dat er activiteiten waren verricht in het project Coolsingel, echter van werkzaamheden verricht door medeverdachte [medeverdachte 6] weet [verdachte 1] niets. Deze partijen zijn door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] opgelegd. Dit werd besproken tijdens vergaderingen, waarbij [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte 1] en soms [verdachte 2] aanwezig waren.

Eenzelfde gang van zaken is te bespeuren bij de ontwikkeling van het project Hollandse Meester in Zoetermeer. [handelsnaam verdachte 3 en 4] was in gesprek met de gemeente Zoetermeer over de ontwikkeling van het project Hollandse Meester. [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn op enig moment benaderd door [medeverdachte 2] met de vraag of zij dit project samen met [benadeelde 1] wilden ontwikkelen. Op 17 augustus 1999 heeft [handelsnaam verdachte 3 en 4] de optierechten op het project verkocht aan [benadeelde 1] tegen een vergoeding van fl. 5.000.000,-. Deze overeenkomst is door [handelsnaam verdachte 3 en 4] verstuurd als bijlage bij een brief die tevens is gedateerd op 17 augustus 1999. Echter, op de brief staat een stempel waaruit blijkt dat deze op 29 oktober 1999 bij [benadeelde 1] is binnengekomen. [verdachte 2] verklaart dat [verdachte 1] vooral de financiële zaken deed, hij stelde de contracten en overeenkomsten op die gesloten moesten worden met [benadeelde 1]. Deze liet hij lezen aan [verdachte 2]: [verdachte 1] deed niets zonder [verdachte 2] hierin te kennen. [verdachte 1] verklaart dat de vergoeding van fl. 5.000.000,- in deze overeenkomst door [medeverdachte 1] is bepaald, terwijl zij zelf een vergoeding van fl. 1.000.000,- in gedachten hadden. [verdachte 1] verklaart hierover tijdens de terechtzitting dat hij het bedrag van fl. 5.000.000,- volslagen uit verhouding vond. Uit deze vergoeding diende [handelsnaam verdachte 3 en 4] een bedrag aan [medeverdachte 2] te betalen voor diens bemiddeling. Op 3 december 1998 zijn er twee verschillende winstdelingsovereenkomsten afgesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9]. In een van de twee winstdelingsovereenkomsten staat genoemd dat [medeverdachte 9] fl. 2.600.000,- van het verkoopresultaat krijgt en in de andere winstdelingsovereenkomst staat een bedrag vermeld van fl. 4.000.000,- Ook staat in deze winstdelingsovereenkomsten vermeld dat [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] een exclusief samenwerkingsverband aan is gegaan, waarbij voor gezamenlijke rekening en risico de ontwikkeling van Hollandse Meester ter hand zou worden genomen. Een substantieel deel van de vergoeding die [medeverdachte 2] kreeg, is echter aan te merken als een aanbrengprovisie. Slechts een klein percentage van dit bedrag kan in redelijkheid gezien worden als vergoeding door werkzaamheden verricht door [medeverdachte 2]. Ter terechtzitting verklaart [verdachte 2] dat er inderdaad fl. 2.600.00,- is betaald aan [medeverdachte 2]. [verdachte 1] verklaart dat de beide winstdelingsovereenkomsten opgesteld zijn na 9 augustus 1999 en niet op 3 december 1998. Ook deze overeenkomsten zijn geantedateerd. Tijdens de terechtzitting verklaart [verdachte 2]/[verdachte 1] dat [medeverdachte 2] deze datum in het contract wilde hebben. Op 17 april 2003 is, blijkens een rekeningafschrift op naam van [betrokkene 1], een bedrag van € 1.79.829,- overgemaakt naar [medeverdachte 7] . Achter dit bedrag staat met de hand geschreven “Zoetermeer”. Dit komt derhalve overeen met hetgeen [verdachte 2] ter terechtzitting verklaarde. Uit een rekeningafschrift van [medeverdachte 9] blijkt dat op 4 augustus 2003 een bedrag van € 504.626,10 is overgemaakt door [medeverdachte 7] . Op diezelfde datum is er op de rekening van [medeverdachte 8] een bedrag van € 1.009.252,19 bijgeschreven door [medeverdachte 7] . [verdachte 2] verklaart dat in dit project tevens geld is weggevloeid is naar [medeverdachte 3]. Op een handgeschreven document dat bij [medeverdachte 7] is aangetroffen, staat vermeld dat [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 23] samenwerkingsverbanden hebben gesloten met diverse projecten/ontwikkelaars. De winst zal tussen hen drieën verdeeld worden. Naast geld dat door de winstdelingsovereenkomsten is weggesluisd, is er ook geld weggevloeid door middel van een valse factuur van [betrokkene 9] gevestigd te [vestigingsplaats] . [verdachte 1] en [verdachte 2] verklaren hierover dat zij deze factuur in opdracht van [medeverdachte 3] dienden te betalen . [eigenaar betrokkene 9], eigenaar van [betrokkene 9], verklaart over deze factuur dat hij deze in opdracht van [medeverdachte 3] heeft opgesteld. Hij heeft [verdachte 1] telefonisch het adres gevraagd van het bedrijf [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 3] heeft hem gezegd welke omschrijving op deze factuur vermeld diende te worden. [eigenaar betrokkene 9] heeft de factuur vervolgens verzonden en in zijn administratie opgenomen. Na binnenkomst van deze factuur zou deze boekhoudkundig worden doorgezet naar het juiste project.

Het project Solaris te Capelle aan den IJssel is het laatste project waar [handelsnaam verdachte 3 en 4] heeft samen gewerkt met [benadeelde 1]. [medeverdachte 2] heeft [verdachte 2] gebeld met de vraag of [verdachte 1] en [verdachte 2] geïnteresseerd waren het project uit te ontwikkelen en te realiseren . In dit project is een turnkeyovereenkomst gesloten tussen [benadeelde 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte 1], en [handelsnaam verdachte 3 en 4], vertegenwoordigd door haar dochteronderneming [medeverdachte 13] in de persoon van [verdachte 1]. Uit deze overeenkomst blijkt dat [benadeelde 1] is gestart met de feitelijke ontwikkeling van dit project waarna [medeverdachte 13] dit project heeft overgenomen teneinde het project na oplevering turn key weer aan [benadeelde 1] over te dragen. Hiertoe is een bedrag van fl. 127.500.000,- overeengekomen, met inbegrip van alle kosten, waarbij onder andere wordt verwezen naar de bouwclaim van [betrokkene 2] van 3 november 1999. Deze turnkeyovereenkomst is gedateerd 8 oktober 1999. In aansluiting hierop verklaart [verdachte 1] tijdens de zitting dat nadat bekend was geworden dat er een koper voor het project in beeld was gekomen, de datum op de overeenkomst naar voren is geschoven. In een gesprek dat [verdachte 1] en [verdachte 2] met [medeverdachte 2] hadden, is door hem gezegd dat [benadeelde 1] bereid was een bedrag van

fl. 7.500.000,- te betalen voor de ontwikkeling. De afspraken die tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [benadeelde 1] zijn gemaakt zijn verschillende malen gewijzigd. Er zijn door [benadeelde 1] verschillende calculaties gemaakt. Uit de calculatie die gedateerd is op 5 oktober 1999, blijkt dat de totale kosten van het project begroot werden op fl. 95.930.547,- en de opbrengsten op fl. 107.255.000,-. Ook [handelsnaam verdachte 3 en 4] heeft een begroting opgesteld waar uitgegaan werd van een bedrag van fl. 98.495.864,-. Echter, in de overeenkomst die [handelsnaam verdachte 3 en 4] met [benadeelde 1] heeft gesloten werd uitgegaan van een stichtingskostenbegroting van fl. 127.500.000,- die door [medeverdachte 3] werd aangedragen. Getuige [getuige 1] verklaart dat een kostenbatenanalyse door de projectontwikkelaar aangedragen wordt, de stichtingskostenbegroting zit hierin. Het hogere bedrag in de door [medeverdachte 3] aangedragen stichtingskostenbegroting werd verklaard door het risico dat de grondprijs omhoog zou gaan en door de verkoop van het project aan [betrokkene 15]. [verdachte 1] verklaart deze verhoogde stichtingskostenbegroting rechtstreeks overgenomen te hebben in de calculatie van [handelsnaam verdachte 3 en 4]. Hierbij werd rekening gehouden met een eventuele bouwclaim van [betrokkene 2]. De consequentie van deze verhoogde calculatie is geweest dat er op deze manier een potje bij [handelsnaam verdachte 3 en 4] is gecreëerd door [benadeelde 1]. Uit dit potje moest [handelsnaam verdachte 3 en 4] op aangeven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], facturen voldoen van Olivarius, Beagle en [medeverdachte 11]. Ook in het project Solaris is er een winstdelings¬overeenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] en ondertekend op 21 september 1999. Ter terechtzitting verklaart [verdachte 1]/[verdachte 2] dat deze overeenkomst vals is. [verdachte 2] verklaart tevens dat deze overeenkomst door [medeverdachte 3] is opgemaakt. Uit een winstdelingsovereenkomst tussen [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 23] blijkt dat zij de winst die behaald is in onder andere het project in Capelle aan den IJssel verdelen aan de hand van een nader overeen te komen verdeelsleutel. Er zijn hieromtrent verschillende volmachten en winstdelingsovereenkomsten aangetroffen waaruit blijkt dat de volgende verdeling overeen was gekomen: [medeverdachte 8] 50%, [medeverdachte 9] 25%, [medeverdachte 23] 25%. Op basis van deze winstdelingsovereenkomst heeft [medeverdachte 13] geld overgemaakt naar de derdengeldrekening van [medeverdachte 7] op 16 maart 2002. Tevens heeft [medeverdachte 13] facturen betaald. [verdachte 1] en [verdachte 2] geven in een fax uitleg omtrent verscheidene facturen die zij in opdracht van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dienden te betalen. Een aantal hiervan betrof oude plankosten. [medeverdachte 20] heeft op 15 december 1999 een brief aan [medeverdachte 13] gestuurd waarin zij op verzoek van [benadeelde 1] een aanbieding doet de verhuur van de gebouwen te realiseren tegen een vergoeding van fl. 2.000.000,-. Getuige [getuige 2] verklaart dat hoewel zijn naam onder de brief staat, hij hier niet van op de hoogte is. Ook de handtekening die op de brief staat is niet van hem. Het bedrag van fl. 2.000.000,- staat zijns inziens niet in verhouding tot de werkzaamheden die verricht zijn. Concreet heeft hij niet gewerkt aan de verhuur zoals in de brief omschreven. Twee dagen later is er door [medeverdachte 21] een brief gestuurd aan [medeverdachte 13] waarin [handelsnaam verdachte 20, 21 en 22] een aanbieding doet om nader begeleidings- en adviseringswerkzaamheden te verrichten tegen een vergoeding van fl. 2.254.150,-. [medeverdachte 13] accepteert beide aanbiedingen. [verdachte 1] verklaart dat de brieven later zijn opgemaakt toen duidelijk werd welke bedragen opgenomen konden worden. Toen bleek dat in Solaris veel was verdiend, zei [medeverdachte 3] tegen [handelsnaam verdachte 3 en 4] dat er geld naar [handelsnaam verdachte 20, 21 en 22] diende te vloeien. Hierna heeft [handelsnaam verdachte 3 en 4] verschillende facturen van [handelsnaam verdachte 20, 21 en 22] ontvangen en betaald. Met betrekking tot de facturen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] verklaart [verdachte 1] het volgende. In het project Solaris werd meer verdiend dan zij hadden verwacht en [medeverdachte 1] zei hem toen dat, nu [handelsnaam verdachte 3 en 4] een dusdanige winstruimte had, daaruit nog wel een aantal facturen betaald konden worden. [eigenaar betrokkene 3] geeft aan deze factuur opgemaakt te hebben, waarbij de omschrijving en de hoogte van de factuur hem door [handelsnaam verdachte 3 en 4] werd gegeven. Hij heeft de werkzaamheden die op de factuur vermeld staan niet uitgevoerd. [verdachte 2] verklaart hierover dat [eigenaar betrokkene 3] een verklaring nodig had voor het opmaken van deze factuur. [verdachte 2] heeft hierop een brief opgesteld en verstuurd aan [betrokkene 3] waarbij omtrent de inhoud hiervan overleg is gevoerd met [medeverdachte 1]. [eigenaar betrokkene 4] verklaart dat [betrokkene 4] op aangeven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is opgezet. De BV had geen klanten en er zijn geen werkzaamheden verricht. De factuur die aan [medeverdachte 13] is gestuurd is hem door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangedragen. Zij vertelden hem het op deze manier te doen. De rechtbank is hierboven reeds tot de conclusie gekomen dat deze beide facturen valselijk zijn opgemaakt. [eigenaar betrokkene 4] verklaart verder dat hij van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] facturen gekregen heeft van onder andere [betrokkene 10]. Hij heeft echter geen opdrachten aan [betrokkene 10] verstrekt en [betrokkene 10] heeft ook geen werkzaamheden voor [betrokkene 4] verricht. De omschrijving op deze facturen klopte niet. [eigenaar betrokkene 3] verklaart omtrent [betrokkene 10] dat dit een BV van [medeverdachte 5] is. [medeverdachte 5] heeft een rapport voor hem opgesteld en stuurde vervolgens een factuur van [betrokkene 10] met een onjuiste omschrijving. De rechtbank concludeert daaruit dat het geld dat door [handelsnaam verdachte 3 en 4] aan [betrokkene 4] en [betrokkene 3] is betaald, ook weer werd doorbetaald. Dit gebeurde door middel van facturen die in opdracht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan [betrokkene 10] gestuurd moesten worden. Dit geld is ten goede gekomen aan [medeverdachte 5]. Een derde manier om geld dat op de rekening bij [handelsnaam verdachte 3 en 4] stond door te sluizen, is het bedenken van projecten waarop [medeverdachte 2] een factuur zou kunnen sturen. Hij vroeg aan [verdachte 1] en [verdachte 2] om deze projecten te bedenken. [verdachte 1] verklaart hierover in zijn algemeenheid dat de facturen die [handelsnaam verdachte 3 en 4] op aangeven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] diende te betalen, zijn ingediend om de extra winst die is behaald in de drie projecten af te romen tot het bedrag waarvan [handelsnaam verdachte 3 en 4] heeft aangegeven hiermee genoegen te nemen voor de ontwikkeling. De werkzaamheden en kosten die op deze facturen vermeld staan, hebben betrekking op andere projecten dan de drie hier genoemde. De facturen waren onder andere afkomstig van [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8], [medeverdachte 10], [medeverdachte 12], [medeverdachte 11], [verdachte 4], [medeverdachte 14] en [medeverdachte 16]. De facturen waren onder andere gericht aan [medeverdachte 18], [medeverdachte 19], [medeverdachte 15] en [medeverdachte 17]. Deze facturen zijn in de administratie van [handelsnaam verdachte 3 en 4] opgenomen. [verdachte 2] legt hieromtrent een soortgelijke verklaring af.

Om bovengenoemde strafbare feiten te kunnen plegen was een zekere vorm van organisatie noodzakelijk. Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat hiervan sprake is. In het bijzonder overweegt zij hiertoe nog het volgende.

In 1995 is [medeverdachte 1], samen met [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] werkzaam geworden voor [benadeelde 1]. Binnen de projecten Coolsingel, Hollandse Meester en Solaris zijn door [benadeelde 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] die hier algemeen directeur was, overeenkomsten gesloten met de projectontwikkelaar [handelsnaam verdachte 3 en 4]. De vergoeding die [handelsnaam verdachte 3 en 4] kreeg van [benadeelde 1] was iedere keer hoger dan de vergoeding die [handelsnaam verdachte 3 en 4] hier ten minste voor wilde ontvangen. Deze hogere bedragen werden door [medeverdachte 1] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] opgelegd, in de (valse) overeenkomst opgenomen en uitbetaald. Op deze manier werd er bij [handelsnaam verdachte 3 en 4] een “potje” met geld gecreëerd. Een deel hiervan werd op basis van winstdelingsovereenkomsten met [medeverdachte 9], via de derdengeld¬rekening van [medeverdachte 7], uitbetaald aan [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8]. Hieruit blijkt dat een deel van het potje dat bij [handelsnaam verdachte 3 en 4] gecreëerd werd ten goede kwam aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Een ander deel van het potje is doorgesluisd, via het opstellen en versturen van valse facturen, naar andere BV’s. Een aantal van deze BV’s diende het bedrag dat zij overgemaakt kreeg, weer verder door te sluizen naar bijvoorbeeld [betrokkene 10]. [medeverdachte 2] verklaart dat er niets gebeurde zonder dat de Raad van Bestuur hiervoor toestemming had gegeven; deze was op de hoogte van al hetgeen de directie deed. [medeverdachte 4], die in 1999 en 2000 voorzitter van de Raad van Bestuur van [benadeelde 1] was , bevestigt dat de gehele Raad van Bestuur op de hoogte was van deze drie projecten en dat er daarnaast een goede interne controle bestond op alle niveaus. Hij verklaart tevens vrij veelvuldig contact te hebben met [medeverdachte 1]. De directie van [benadeelde 1] bestond uit [medeverdachte 1] als algemeen directeur, [medeverdachte 3] als financieel directeur en [medeverdachte 5] als commercieel directeur en later als opvolger van [medeverdachte 1]. [getuige 3] merkt hierover op dat hij deze benoeming discutabel vond gezien de vooropleiding en ervaring van [medeverdachte 5] binnen het commercieel vastgoed. [medeverdachte 2] stond niet op de loonlijst van [benadeelde 1] maar werd beschouwd als adviseur van de directie. Hij verklaart verschillende vergaderingen met de directie van [benadeelde 1] gevoerd te hebben in de horecagelegenheid [naam horecagelegenheid]. Dit waren een op een gesprekken met [medeverdachte 1]. Ook [getuige 3] verklaart hierover, [medeverdachte 2] hield volgens hem kantoor bij een horecagelegenheid, [naam horecagelegenheid] in [plaatsnaam], waar de groep rond [medeverdachte 1] regelmatig werd ontboden. Hij geeft aan dat er een splitsing bestond tussen het groepje rond [medeverdachte 1] en de [benadeelde 1] groep. Met het groepje rond [medeverdachte 1] doelt hij op onder andere [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3]. Ook [verdachte 1] verklaart over de groep [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en later [medeverdachte 3], hij geeft aan dat van deze groep een bepaalde druk uitging. Uit onderzoek naar de agenda’s van [verdachte 1] en [verdachte 2] blijkt dat zij regelmatig overleg hadden met de groep [medeverdachte 1]. Dit overleg vond met name plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in iets mindere mate. In de agenda’s van deze medeverdachten komt de term [afkorting] voor. De secretaresse van [medeverdachte 1] verklaart dat dit staat voor [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Als er een vergadering gepland moest worden dan schreef zij dit op deze manier in de agenda. Ook na het vertrek van [medeverdachte 2] bij [benadeelde 1] in juni 2001 en het vertrek van [medeverdachte 1] in oktober 2001 blijft er contact bestaan tussen deze twee medeverdachten en hun ex-[benadeelde 1] collega’s en [verdachte 1] en [verdachte 2]. [medeverdachte 4] verklaart zelf ook dat hij na zijn vertrek nog veel contact met [medeverdachte 1] heeft gehad, ook toen [medeverdachte 1] weg was bij [benadeelde 1]. Dit omdat hij met [medeverdachte 1] heel actief is bezig geweest met een aantal projecten. [getuige 4] verklaart omtrent [medeverdachte 4] dat hij de enige was binnen de Raad van Bestuur die verstand had van commercieel vastgoed en de voorstellen van [medeverdachte 1] eerst met hem besprak voordat deze in de Raad van Bestuur ter sprake kwamen. Pas als [medeverdachte 4] het met een voorstel eens was, werd dit voorstel besproken in de Raad van Bestuur. [medeverdachte 1], en later zijn opvolger [medeverdachte 5], konden zelfstandig besluiten nemen als zij onder een bepaald niveau bleven. Als zij boven dit niveau uit kwamen dan dienden zij deze beslissingen aan [medeverdachte 4] voor te leggen. De rechtbank komt tot de conclusie dat [medeverdachte 4] door zijn positie als voorzitter van de Raad van Bestuur op de hoogte is geweest van de handelingen die met betrekking tot de genoemde drie projecten en binnen die positie tevens toestemming heeft kunnen verlenen voor deze handelingen.

Naast deze groep personen die gelieerd was aan [benadeelde 1] bestonden er nog verschillende tussenpersonen die allen hun eigen rol hadden om de bovengenoemde frauduleuze handelingen te kunnen laten plaatsvinden. [verdachte 1] en [verdachte 2] kunnen in dit verband genoemd worden als projectontwikkelaars die geldbedragen die zij via [benadeelde 1] betaald kregen dienden door te betalen. Ook medeverdachte [medeverdachte 6] kan gezien worden als een tussenpersoon. Hij presenteerde zich naar buiten toe als het secretariaatsbureau van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 6] verklaart hierover dat dit ongeveer eens in de twee weken voorkwam dat hij zich op die manier presenteerde. Dit ging al jaren zo en was bedoeld om “de dingen die [medeverdachte 1] gedaan wilde krijgen wat meer cachet te geven”. [verdachte 1] en [verdachte 2] verklaren hieromtrent dat [medeverdachte 6] hen facturen zou sturen en dat zij in opdracht van [medeverdachte 1] maar moesten verzinnen waarover hij een factuur zou kunnen sturen.

De verdediging heeft primair betoogd dat de criminele organisatie in 2004 heeft opgehouden te bestaan en is gewijzigd in een andere organisatie, namelijk de [benadeelde 2]-organisatie, met een andere samenstelling en een andere modus operandi. Subsidiair is betoogd dat de deelname van [verdachte 1] en [verdachte 2] in het jaar 2004 is gestopt. De onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten eindigen immers allemaal uiterlijk in 2004 en de delicten die zijn opgenomen bij de criminele organisatie duren ook niet voort na deze datum. Het enkele feit dat [verdachte 1] en [verdachte 2] na deze datum [benadeelde 1] niet op de hoogte hebben gebracht van de malversaties, is voorts onvoldoende om van een voortdurende deelname aan de (niet meer bestaande) criminele organisatie te spreken.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In 2005 heeft PriceWaterhouseCoopers in opdracht van [benadeelde 1] onderzoek gedaan naar de ontwikkelingskosten van het project Luxortoren (Coolsingel). [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben in het kader van dit onderzoek het verzoek gekregen om alle dossiers Coolsingel naar [benadeelde 1] te brengen. In een gesprek hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de hoogte gesteld van het onderzoek. [medeverdachte 2] heeft tot kalmte gemaand en gezegd dat het om een intern onderzoek van [benadeelde 1] ging. In een schriftelijk verklaring heeft [verdachte 1] aangegeven dat hen gevraagd werd om bewijzen te verwijderen. [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben vervolgens voordat medewerkers van PriceWaterhouseCoopers langskwamen de dossiers doorgelopen op belastend materiaal. Op 30 juni 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden met medewerkers van PriceWaterhouseCoopers. In dit gesprek hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] zich gehouden aan de lezing van de feiten zoals deze besproken was met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Deze lezing kwam niet overeen met de werkelijkheid. Aan het einde van het gesprek hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] gezegd dat bij hen geen kennis aanwezig is van feiten of omstandigheden die voor het onderzoek van belang kunnen zijn en die in het gesprek niet aan de orde gekomen zijn. [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben geen van beiden in het gesprek gemeld dat [handelsnaam verdachte 3 en 4] winstdelingsovereenkomsten had gesloten met [medeverdachte 9]. [verdachte 2] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 2] dit vermoedelijk verzocht heeft, maar dat ze het hoe dan ook niet gedaan zouden hebben.

In het dossier bevindt zich voorts een door [verdachte 1] ondertekende brief van [verdachte 4] aan [medeverdachte 9] ten name van [medeverdachte 2] gedateerd 3 juni 2005 met als onderwerp de afrekening van de winstdeling in het project Coolsingel.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het vorenstaande dat [verdachte 1] en [verdachte 2] in juni 2005 nog bezig waren met betalingen aan [medeverdachte 2] die voortvloeiden uit de valse winstdelingsovereenkomst in het project Coolsingel. In 2005 hebben zij bovendien nog een bijeenkomst gehad met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waarin is gesproken over het onderzoek van PriceWaterhouseCoopers en hoe zij daarmee om moesten gaan. Eind juni 2005 hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] in een gesprek met medewerkers van PriceWaterhouseCoopers bewust onjuiste informatie verstrekt en relevante informatie achtergehouden over door [benadeelde 1] teveel betaalde bedragen in het project Coolsingel. Anders dan de verdediging acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat in ieder geval tot met eind juni 2005 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband waarvan [verdachte 1] en [verdachte 2] deel hebben uitgemaakt.

Gelet op het bovenstaande blijkt dat verdachten, in wisselende samenstellingen, regelmatig overleg met elkaar hebben gevoerd over de bovengenoemde frauduleuze handelingen. De rechtbank komt tot de conclusie dat gedurende de periode juni 1999 tot en met juni 2005, sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven, aan welke organisatie verdachte heeft deelgenomen.

Conclusie

Alle feitelijke gedragingen van [verdachte 1] en [verdachte 2] die zijn beschreven ten aanzien van het witwassen en ten aanzien van de criminele organisatie kunnen worden gezien als gedragingen die zijn verricht in het kader van bedrijfsactiviteiten die aan een onderneming als verdachte niet vreemd zijn en daardoor vallen binnen de invloedsfeer van verdachte. Daarbij zijn de gedragingen terug te voeren op de door het zusterbedrijf van verdachte, te weten [verdachte 3], opgemaakte valse overeenkomsten in de projecten Coolsingel, Hollanse Meester en Solaris. Voorts zijn de strafbare gedragingen, het witwassen en de gedragingen, genoemd onder deelneming aan een criminele organisatie, telkens verricht door [verdachte 1] en [verdachte 2]. Zij hebben in hun hoedanigheid als bestuurder telkens gehandeld namens en in het belang van verdachte. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de gedragingen kunnen worden toegerekend aan verdachte.

Ten aanzien van de opzet kan nog opgemerkt worden dat nu vaststaat dat [verdachte 1] en [verdachte 2], als bestuurders van de genoemde BV’s, opzet hebben gehad op de frauduleuze handelingen, deze opzet toegerekend kan worden aan verdachte. .

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

(PROJECT HOLLANDSE MEESTER):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in de periode van 14 december 2001 tot en met 4 augustus 2003, te Den Haag en Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met anderen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 1.179.829,- (Fl.2.600.000,-),

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was (te weten [medeverdachte 9])

door voor te wenden dat dit voorwerp was verkregen op basis van een overeenkomst inzake verkoop rechten uit optieovereenkomst van de stationslocatie aan het plein van de Verenigde Naties te Zoetermeer gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [benadeelde 1] (D-0003/D-1331)

en

door voor te wenden dat dit voorwerp was doorbetaald op basis van een of winstdelingsovereenkomst gesloten tussen [medeverdachte 9] en [handelsnaam verdachte 3 en 4] (D-0091)

en

door dit voorwerp te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0014),

terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat dat voorwerp geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

(PROJECT SOLARIS):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in de periode van 14 december 2001 tot en met 9 december 2004, te Hoevelaken en Den Haag en Capelle aan den IJssel en Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 8.352.712,- exclusief btw

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbenden op de voorwerpen waren, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

door voor te wenden dat die voorwerpen waren verkregen op basis van een turnkeyovereenkomst gesloten tussen [benadeelde 1] , en [handelsnaam verdachte 3 en 4], handelend namens de nog op te richten [medeverdachte 13] (D-0006/D-1270)

en

door voor te wenden dat die voorwerpen waren doorbetaald op basis van een ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] (D-0010) en twee ontwikkelingsovereenkomsten gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 12] (D-1430 en D-1431) en een ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 10] (D-1426) en

een afkoopbrief ten bedrage van in totaal circa Euro 675.000,- van [handelsnaam verdachte 3 en 4] aan [medeverdachte 12] (D-1432) en zes facturen van [medeverdachte 12] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in totaal circa Euro 707.500,- (D-1441 en D-1442 en D-1443 en D-1444 en D-1445 en D-1445-1) en acht facturen van [medeverdachte 10] aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in totaal circa Euro 837.500,- (D-1428 en D-1429 en D-1429-1 en D-1429-2 en D-1429-3 en D-1434 en D-1435 en D-1436) en vijf facturen van [medeverdachte 11] BV aan [handelsnaam verdachte 3 en 4] ten bedrage van in totaal circa Euro 150.000,- (D-1437 en D-1438 en D-1438-1 en D-1439 en D-1440)

en

door een gedeelte van dit voorwerp, circa Euro 5.982.712,-, te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0021/D-1234-1 t/m D-1234-5),

terwijl zij, verdachte en haar mededaders wisten dat die voorwerpen geheel onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

(PROJECT COOLSINGEL):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in de periode van 14 december 2001 tot en met 4 augustus 2003, te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging met anderen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 1.843.000,- (exclusief btw),

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was (te weten [medeverdachte 9])

door voor te wenden dat dit voorwerp was verkregen op basis van een overeenkomst inzake de ontwikkeling van de Luxorloactie te Rotterdam gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [benadeelde 1] , (D-0002/D-1579)

en

door voor te wenden dat dit voorwerp was doorbetaald op basis van een winstdelingsovereenkomst gesloten tussen [handelsnaam verdachte 3 en 4] en [medeverdachte 9] (D-0007/D-1031)

en

door dit voorwerp te storten op een derdengeldrekening van [medeverdachte 7] (D-0014),

terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten, dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL):

Zij (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) in de periode van 14 augustus 2000 tot en met juni 2005 te Capelle aan den IJssel en Hoevelaken en Den Haag en Bergschenhoek en Delft en 's-Gravenzande en Bilthoven en Amsterdam en Amstelveen en Heemstede en Buitenkaag tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, bestaande uit haar, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [verdachte 2] en [verdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en [verdachte 3] (van 2 februari 1994 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [handelsnaam verdachte 3 en 4]) en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] en [medeverdachte 12] en [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] BV en [medeverdachte 16] en [medeverdachte 15] en [medeverdachte 17] en [medeverdachte 18] en [medeverdachte 19] en [medeverdachte 20] en [medeverdachte 21] en [medeverdachte 22] en een of meer andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

- oplichting van [benadeelde 1]

- verduistering in dienstbetrekking bij [benadeelde 1]

- valsheid in geschrifte

- niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping

- witwassen

- opzetheling

bestaande die deelneming onder meer uit:

het aangaan van valse overeenkomsten

en

het opmaken van valse facturen en overeenkomsten en brieven en kostenbatenanalyses (KBA)

en

het opnemen van valse facturen en overeenkomsten en brieven in bedrijfsadministraties

en

het verzenden van valse facturen en overeenkomsten en brieven

en

het doorbetalen en beheren en ontvangen en verhullen van geldbedragen, al dan niet via [medeverdachte 7], die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven

en

het doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn voor de op te maken valse facturen en overeenkomsten en brieven

en

het doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn om geldbedragen, die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven, door te (kunnen) sluizen

en

het beleggen van vergaderingen/bijeenkomsten met overige leden van de organisatie

en

het verzwijgen tegenover [benadeelde 1] dat inzake de projecten "Hollandse Meester" en "Solaris" en "Coolsingel" door [benadeelde 1] te veel geld is betaald.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 3.

medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon;

2.

medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

4.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de hoedanigheid van de rechtspersoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte wordt vervolgd en gestraft voor strafbare feiten die in haar naam zijn begaan en aan haar kunnen worden toegerekend, maar die feitelijk zijn uitgevoerd door haar bestuurders [verdachte 1] en [verdachte 2]. [verdachte 1] en [verdachte 2] zelf worden voor deze strafbare feiten eveneens bestraft. Niet alleen met dat feit houdt de rechtbank rekening, ook met de omstandigheid dat [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben ingezien dat zij ernstige fouten hebben gemaakt, spijt hebben betoond, hebben geaccepteerd dat aan hun gedrag strafrechtelijke consequenties worden verbonden en dat zij volledige openheid van zaken hebben gegeven welke openheid van groot belang was in het onderhavige fraudeonderzoek. Voorts wordt in het voordeel van verdachte meegenomen dat [verdachte 1] en [verdachte 2] weliswaar willens en wetens hebben meegewerkt aan het plegen van strafbare feiten, maar dat het initiatief hiertoe niet van hen is uitgegaan en dat zij zich hebben laten gebruiken door personen die zowel in zakelijk als in persoonlijk opzicht een grote mate van overwicht op hen hadden. Het door [benadeelde 1] teveel betaalde geld is daarnaast niet naar verdachte doorgesluisd. Verder wordt in het voordeel van verdachte meegenomen dat zij met haar bestuurders als eerste van vele verdachten in dit fraudeonderzoek terecht staat, waardoor zij onevenredig veel publicitaire aandacht heeft gekregen. De hieruit voortvloeiende negatieve publiciteit zal zijn weerslag hebben op het voortbestaan van verdachte. Ten slotte wordt ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat zij niet alleen met [benadeelde 1] ter zake van de schade als met het openbaar ministerie ter zake van de ontneming een schikking heeft getroffen, hetgeen van invloed is geweest op de financiële situatie van verdachte.

De bewezen verklaarde feiten zijn echter ernstig. Op naam van verdachte is opzettelijk meegewerkt aan een grove benadeling van [benadeelde 1]. Daartoe zijn veelvuldig valse documenten opgesteld waardoor geldstromen in een juridische kader werden geplaatst met de bedoeling om de ware aard van die geldstromen te verhullen. Verdachte is hierbij gedurende een aantal jaren betrokken geweest en heeft ook zelf, in financieel en zakelijk opzicht, geprofiteerd van deze praktijken doordat haar onderneming of die van de aan haar gelieerde medeverdachte opdracht kreeg tot het ontwikkelen van grote en prestigieuze bouwwerken waarvoor riant werd betaald. De schaal waarop dit gebeurde, met name gelet op de hoogte van de bedragen die daarmee gemoeid waren, is ongekend in het Nederlandse zakenleven en heeft grote schade toegebracht, niet alleen aan [benadeelde 1], maar ook aan het vertouwen dat in het zakendoen in het algemeen en in deze zaak met name in de sfeer van het vastgoed, gesteld moet kunnen worden. De hele branche is als het ware besmeurd geraakt. Al deze aspecten worden in het nadeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

Nu het gaat om een rechtspersoon is de enige mogelijke straf een geldboete. De rechtbank ziet aanleiding de door de officier geëiste geldboete te matigen met 1/3, gelet op de door bestuurders van verdachte gegeven openheid van zaken en de negatieve publiciteit. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van na te noemen hoogte moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikelen: 23, 47, 51, 57, 140, 420bis.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 17.000, - (zeventien duizend euro).

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Monster, voorzitter,

mr. J.J. Dijk en mr. M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. E. de Witte en M.C.C. Kaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2009.