Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK7177

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
152873 - HA ZA 08-1612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Akte niet dienen repliek en afgezegd pleidooi. Verweer dat bij antwoord was gevoerd niet weersproken. Feitelijkheden als onbetwist vastgesteld met als gevolg dat de vordering is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152873 / HA ZA 08-1612

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Naarden,

eiser,

advocaat mr. L.J. Böhmer,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Florida, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

advocaat mr. T.J. van Veen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de akte niet dienen aan de zijde van [eiser].

1.2. Aansluitend heeft [eiser] pleidooi gevraagd. Het geplande pleidooi heeft vervolgens, op verzoek van [eiser], geen doorgang gevonden. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. International Computer Products B.V. te Weesp (hierna: ICP Weesp) is een groothandel in computerproducten, waarvan [eiser] van 18 november 1991 tot 29 oktober 1995 enig bestuurder was.

2.2. ICP USA (niet gelieerd aan ICP Weesp) is een Amerikaanse onderneming te Naples, Florida, Verenigde Staten, die door [gedaagde] werd bestuurd.

2.3. ICP Weesp bestelde computeronderdelen bij [gedaagde], die deze onderdelen via ICP USA, leverde aan Nederlandse leveranciers. De Nederlandse leveranciers leverden de onderdelen vervolgens af bij ICP Weesp.

2.4. FedEx, een internationale expediteursonderneming, heeft in de periode van 17 oktober 1995 tot en met 16 april 1996 in opdracht van [gedaagde] en/of de Nederlandse leveranciers computeronderdelen vanuit Amerika naar Nederland vervoerd en de noodzakelijke aangiften ten invoer verzorgd.

2.5. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] facturen met te lage verkoopprijzen aan FedEx heeft overgelegd en dat FedEx deze onjuiste facturen heeft gebruikt ten behoeve van de aangiften ten invoer. Voorts staat vast dat ICP Weesp de op de juiste facturen vermelde BTW in vooraftrek bracht, maar dat de Nederlandse leveranciers de door haar ontvangen BTW niet afdroegen.

2.6. Op 17, 18 en 19 maart 1998 is [gedaagde] door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: Fiod) ter zake van de hiervoor onder 2.5. genoemde frauduleuze handelingen verhoord. Van zijn verhoor zijn processen-verbaal opgemaakt. [gedaagde] heeft ten overstaan van de Fiod onder meer verklaard dat hij de frauduleuze constructie heeft opgezet en dat [eiser] wetenschap had van voornoemde frauduleuze handelingen. [gedaagde] heeft deze verklaring gehandhaafd na te zijn geconfronteerd met een verklaring die [eiser] ter zake tegenover de Fiod heeft afgelegd.

2.7. FedEx is tussen 16 en 29 oktober 1998 ter zake van de onder 2.4. genoemde aangiften ten invoer door de Belastingdienst aangeslagen in de vorm van 121 uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s).

2.8. Op 14 april 2000 heeft [gedaagde] onder ede een verklaring afgelegd voor de United States District Court for the Middle district of Florida, te Fort Myers, Florida USA. Daarbij waren in ieder geval mr. C.J. van Bavel en mr. T.B. Trotman, als advocaten van [eiser], aanwezig.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en gewaarmerkt als Europese executoriale titel, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van een bedrag van EUR 2.599.460,61 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 1998 tot aan de voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum van het vonnis tot aan de voldoening, de buitengerechtelijke kosten en de kosten van juridische bijstand voor een bedrag van EUR 185.000,--.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat [gedaagde] frauduleuze handelingen heeft verricht door goederen onder opgave van een te lage waarde in Nederland te doen invoeren, de ontvangen BTW niet af te dragen en over de betrokkenheid van [eiser] daarbij in ieder geval één valse verklaring af te leggen. [eiser] stelt dat hij hierdoor is gedupeerd, nu hij door FedEx in een gerechtelijke procedure is betrokken waarin hij (onder meer) op basis van zijn door [gedaagde] gestelde wetenschap van de frauduleuze handelingen aansprakelijk wordt gehouden voor de schade die FedEx lijdt als gevolg van de door de Belastingdienst ter zake aan haar opgelegde UTB’s. [eiser] stelt dat [gedaagde] op grond hiervan jegens hem aansprakelijk is, zodat [gedaagde], voor zover [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade van FedEx, deze schade aan [eiser] dient te vergoeden.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen gelet op het bepaalde in artikel 6 sub e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) – dat ontleend is aan artikel 5 aanhef en sub 3 van de EEX-Verordening – en in aanmerking nemend dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat het schadetoebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, aangezien de facturen door [gedaagde] bij FedEx zijn ingediend die statutair gevestigd is te Haarlem.

4.2. Tussen partijen is in geschil of de door [gedaagde] gepleegde fraude en de door hem afgelegde verklaringen een onrechtmatige daad jegens [eiser] opleveren en, zo ja, of hij gehouden is de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden.

4.3. [gedaagde] heeft allereerst tot zijn verweer aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard op de voet van artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hij stelt dat [eiser] reeds in 1998, althans in april 2000, althans in ieder geval vóór 14 november 2003 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. [gedaagde] voert hiertoe, onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.6. en onder 2.8. genoemde verklaringen, aan dat [eiser] in 1998, althans in ieder geval in april 2000 bekend was met de frauduleuze handelingen en verklaringen van [gedaagde]. Voorts wijst hij erop dat de UTB’s reeds in 1998 door de Belastingdienst aan FedEx zijn verzonden zodat, mede gelet op de inmiddels in hoger beroep aanhangige procedure tussen FedEx en [eiser], de aansprakelijkstelling van [eiser] door FedEx in elk geval zal hebben plaatsgevonden vóór 14 november 2003. Nu [eiser] [gedaagde] eerst bij dagvaarding van 14 november 2008 in rechte heeft betrokken is zijn vordering verjaard, aldus nog steeds [gedaagde].

4.4. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. De verhaalsvordering van [eiser] op [gedaagde] is een vordering als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW. Krachtens dat artikel verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijk persoon bekend is geworden. Ingevolge bestendige rechtspraak van de Hoge Raad moet het criterium “bekend geworden met” subjectief worden opgevat, met dien verstande dat deze verjaringstermijn niet gaat lopen voordat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen.

4.5. De vraag die beantwoord moet worden is vanaf welk moment er sprake was van subjectieve bekendheid bij [eiser] in de zojuist beschreven zin. Het uitgangspunt daarbij is dat degene die zich op verjaring beroept, stelt en zonodig bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de stellingen en conclusies van [gedaagde] niet heeft weerlegd. Zo staat tussen partijen vast dat de door [gedaagde] gepleegde fraude dateert van de periode tussen oktober 1995 en april 1996. [eiser] heeft de stelling van [gedaagde] dat [eiser] in ieder geval vóór 14 november 2003 door FedEx aansprakelijk moet zijn gesteld niet betwist terwijl hij daartoe door [gedaagde] is uitgenodigd, onder meer door de stukken in de procedure tegen FedEx – in eerste aanleg en in hoger beroep – waarop [eiser] zelf een beroep doet, in het geding te brengen en [eiser] daartoe ook de mogelijkheid had bij repliek en bij pleidooi, maar waarvan hij heeft afgezien.

4.7. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [eiser] de onderbouwde stellingen van [gedaagde] niet heeft betwist, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] reeds vóór 14 november 2003 bekend was met de frauduleuze handelingen van [gedaagde] en diens verklaring omtrent de betrokkenheid van [eiser] daarbij en de vordering van FedEx op hem in verband met de aan haar door de Belastingdienst opgelegde UTB’s, zodat vaststaat dat [eiser] vóór 14 november 2003 bekend was met de schade en daarvoor aansprakelijke persoon. Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] vóór 14 november 2003 niet in staat was een rechtsvordering in te stellen. [eiser] heeft slechts gesteld dat hij tot de televisie-uitzendingen op 10 en 29 september 2008 onbekend is geweest met de verblijfplaats van [gedaagde]. Afgezien van het feit dat de hiervoor onder 2.8. genoemde verklaring van [gedaagde] door de advocaten van [eiser] in april 2000 is afgenomen in Florida, USA, de verblijfplaats van [gedaagde], staat de onbekendheid met de woon- en/of verblijfplaats van [gedaagde] gelet op het bepaalde in artikel 54 lid 2 Rv niet aan het instellen van een rechtsvordering in de weg. Tenslotte staat als niet weersproken tussen partijen vast dat [eiser] [gedaagde] eerst op 14 november 2008 in rechte heeft betrokken en hij [gedaagde] voordien niet aansprakelijk heeft gesteld of anderszins heeft getracht zijn vordering op hem te verhalen.

4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] zich met succes beroept op de verjaring van de vordering die [eiser] op hem stelt te hebben, nu als onbetwist is komen vast te staan dat deze vordering reeds vóór 14 november 2003 is ontstaan. De vordering van [eiser] ligt derhalve voor afwijzing gereed, zodat de overige weren van [gedaagde] verder geen bespreking behoeven.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 1.148,00

- salaris advocaat 3.211,00 (1,0 punt x EUR 3.211,00)

Totaal EUR 4.359,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 4.359,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.C. Hofman, mr. A.J. Wolfs en mr. S.M. Christiaan en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.?