Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6966

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
09/1255
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, vereisten bevel, veroordeling ter zake een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 Sv, minderjarige, afweging van belangen niet aan de orde

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd volgt uit artikel 2, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden slechts dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis heeft gegeven het bevel tot afname van het celmateriaal afgeeft. Voor het standpunt dat dit door de zaaksofficier van justitie behoort te worden gedaan en dat het bevel blijk geeft van een gemaakte belangenafweging, biedt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen grond.

Dat uit het bevel niet valt op te maken dat veroordeelde is veroordeeld ter zake een poging tot zware mishandeling, maakt dit niet anders. Het dient immers te gaan om een veroordeling ter zake van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering, derhalve een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het wettelijke strafmaximum is bepalend. Strafverzwarende en/of strafverlichtende omstandigheden spelen slechts dan een rol als deze zijn opgenomen in een bijzondere delictsomschrijving. Hiervan is het in geval van veroordeelde geen sprake.

Gelet op de hiervoor vermelde arresten waarin de Hoge Raad (o.a.: LJN: BC8231 en LJN: BC8234) heeft geoordeeld dat de uitzonderingen beperkt dienen te worden uitgelegd, zijn de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden, te weten de jeugdige leeftijd van veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit, het feit dat hij sinds de veroordeling door de kinderrechter niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat het nu erg goed gaat met veroordeelde en dat er geen vrees voor recidive bestaat, evenmin voldoende om aan te nemen dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en anderzijds het algemeen maatschappelijk belang is, zoals hiervoor reeds overwogen, blijkens de arresten van de Hoge Raad bij die beoordeling niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Kinderrechter

Registratienummer: 09/1255

Parketnummer: 15/750113-08

Uitspraakdatum: 10 december 2009

beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 19 oktober 2009 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. S.N.W. van Dam-Ouwens ingediend bezwaarschrift, gedateerd op diezelfde datum, van

[veroordeelde], veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te Haarlem,

wonende te Haarlem,

domicilie kiezende te (2111 GX) Aerdenhout, Zandvoorterweg 60 ten kantore van mr. van Dam-Ouwens.

Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 17 augustus 2009 op 14 oktober 2009 bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.

Op 26 november 2009 is dit bezwaarschrift achter gesloten deuren in raadkamer behandeld.

Veroordeelde is in raadkamer verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. van Dam-Ouwens voornoemd.

Voorts was aanwezig de officier van justitie mr. M. Kubbinga.

Tevens waren aanwezig de ouders en de stiefmoeder van veroordeelde.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Standpunten

2.1 Standpunt van veroordeelde

Formeel

De raadsvrouw van veroordeelde heeft in het bezwaarschrift, zoals dit is toegelicht tijdens het onderzoek in raadkamer, aangevoerd dat uit het bevel tot afname DNA-materiaal niet blijkt door welke officier van justitie dit bevel is afgegeven en of dit door de zaaksofficier is gebeurd. Evenmin is uit het bevel op te maken of er een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Daarnaast voldoet het bevel tot afname DNA-materiaal niet aan artikel 3, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, nu het slechts spreekt over een veroordeling op 2 april 2009 wegens overtreding van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Van enige omschrijving van het misdrijf, dan wel van enige (inhoudelijke) vermelding van het vonnis is geen sprake. Daarnaast blijkt uit het bevel dat veroordeelde is veroordeelde ter zake artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het hier een poging betreft.

Materieel

Voorts heeft de raadsvrouw van veroordeelde aangevoerd dat er sprake is van de uitzonderingsgrond zoals genoemd in artikel 2, tweede lid onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Er moet een afweging gemaakt worden of het maatschappelijke belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van veroordeelde. Het strafbare feit is begaan nadat [veroordeelde] door twee vrienden is overgehaald met hen mee te gaan. Één van deze jongens had ruzie met een andere jongen en [veroordeelde] is uitgescholden. [veroordeelde] was bezig met zijn fietsslot en heeft in een opwelling uitgehaald. Het slachtoffer had slechts een kleine snee, die vervolgens is afgeplakt. [veroordeelde] heeft gedetineerd gezeten voor het onderhavige feit en dit is zeer belastend geweest voor hem en zijn ouders. Sindsdien is [veroordeelde] niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Van recidivegevaar is geen sprake en het bepalen van het DNA-profiel heeft geen enkele toegevoegde waarde. In het geval van [veroordeelde] weegt zijn persoonlijke belang derhalve zwaarder dan het maatschappelijk belang.

2.2 Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de formele bezwaren heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de afname op de juiste wijze is geschied nu veroordeelde is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling tot een deels onvoorwaardelijke werkstraf. Met betrekking tot het bevel tot afname van DNA-materiaal merkt de officier van justitie op dat de wet niet de verplichting stelt dat uit het bevel moet blijken dat er een belangenafweging is gemaakt, evenmin is een omschrijving van het feit of het vonnis in het bevel verplicht. In het bevel dient slechts het gronddelict te worden vermeld. Dat is bepalend voor de beoordeling of een bevel dient te worden gegeven.

Ten aanzien van het materiele bezwaar heeft de officier van justitie verwezen naar de op 13 mei 2008 door de Hoge Raad gewezen arresten met betrekking tot het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van (minderjarige) veroordeelden en gesteld dat zich de in art. 2, eerste lid, van de Wet DNA genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen zich niet voordoen, ook het feit dat er thans geen recidivegevaar meer zou zijn, levert niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. De officier stelt zich op het standpunt dat niet onaannemelijk is dat veroordeelde in de toekomst nogmaals een strafbaar feit zal plegen waarvoor het DNA van belang kan zijn. De officier van justitie heeft derhalve geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het bezwaarschrift.

3. Beoordeling

3.1 Wettelijk kader

Artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet):

1. De officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, beveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, tenzij:

a. van deze persoon reeds een DNA-profiel is verwerkt op grond van artikel 151a, eerste lid, tweede volzin, of 195a, eerste lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, dan wel op grond van artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens;

b. redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

2. Het bevel, de tenuitvoerlegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging van het bevel kan achterwege blijven indien zich naar het oordeel van de officier van justitie zwaarwegende redenen voordoen het DNA-onderzoek aan ander celmateriaal van de veroordeelde dan afgenomen celmateriaal te laten plaatsvinden.

3. (...).

3.2 Jurisprudentie

In de op 13 mei 2008 gewezen arresten (o.a.: LJN: BC8231 en LJN: BC8234) stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Deze twee uitzonderingen dienen beperkt te worden uitgelegd. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats en er bestaat geen ruimte voor een generieke uitzondering voor minderjarigen. Een zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind worden ontleend. Vorenstaande brengt mee dat de rechtbank uitsluitend dient te beoordelen of zich de in art. 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzondering voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.

3.3 Oordeel van de rechtbank

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA-materiaal d.d. 17 augustus 2009 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA, waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van veroordeelde op 2 april 2009 door de kinderrechter in deze rechtbank ter zake van artikel (45 en) 302 van het Wetboek van Strafrecht. Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig en op juiste wijze ingediend.

Formele bezwaar

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd volgt uit artikel 2, eerste lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden slechts dat de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis heeft gegeven het bevel tot afname van het celmateriaal afgeeft. Voor het standpunt dat dit door de zaaksofficier van justitie behoort te worden gedaan en dat het bevel blijk geeft van een gemaakte belangenafweging, biedt de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen grond. Nu het bevel is gegeven door de officier van justitie van het arrondissementsparket te Haarlem is daarmee voldaan aan artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Voorts behoeft het bevel tot afname DNA-materiaal volgens artikel 3, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden slechts het misdrijf te beschrijven, alsmede het vonnis te vermelden waarbij de veroordeling heeft plaatsgevonden. Nu in het bevel staat vermeldt dat ‘(..) die op 2 april 2009 door de rechtbank te Haarlem is veroordeeld ter zake van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (..)’, is hiermee voldaan aan de vereisten van de wet. Dat uit het bevel niet valt op te maken dat veroordeelde is veroordeeld ter zake een poging tot zware mishandeling, maakt dit niet anders. Het dient immers te gaan om een veroordelingen ter zake van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering, derhalve een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Het wettelijke strafmaximum is bepalend. Strafverzwarende en/of strafverlichtende omstandigheden spelen slechts dan een rol als deze zijn opgenomen in een bijzondere delictsomschrijving. Hiervan is het in geval van veroordeelde geen sprake.

Het bevel tot afname van het celmateriaal voldoet derhalve aan de wettelijke vereisten.

Materiele bezwaar

De rechtbank overweegt ambtshalve dat de in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA genoemde uitzondering zich niet voordoet, nu niet is gebleken dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt.

Ten aanzien van de uitzonderingsgrond in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA, overweegt de rechtbank dat de afname van celmateriaal ten behoeve van de bepaling van het DNA profiel heeft plaats gevonden wegens veroordeling voor het in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf. Op grond van de aard van dit misdrijf, zoals dat ten laste van veroordeelde bewezen is verklaard, is van een uitzonderingsituatie naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen sprake. Gelet op de hiervoor vermelde arresten waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uitzonderingen beperkt dienen te worden uitgelegd, zijn de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden, te weten de jeugdige leeftijd van veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit, het feit dat hij sinds de veroordeling door de kinderrechter niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat het nu erg goed gaat met veroordeelde en dat er geen vrees voor recidive bestaat, evenmin voldoende om aan te nemen dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Van een situatie dat DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd is derhalve geen sprake. Een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en anderzijds het algemeen maatschappelijk belang is, zoals hiervoor reeds overwogen, blijkens de arresten van de Hoge Raad bij die beoordeling niet aan de orde.

4. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

5. Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier

en achter gesloten deuren uitgesproken op 10 december 2009.