Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6083

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
15-500100-02
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6930, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat – nu bij het uitbrengen van de dagvaarding de termijn voor de vervolging van de daarin ten laste gelegde feiten was verstreken – het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie was komen te vervallen. Het openbaar ministerie dient derhalve alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/500100-02

Uitspraakdatum: 15 oktober 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

1 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

gevestigd te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na bij een eerdere gelegenheid toegelaten wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij, in of omstreeks de periode van 20 juni 2002 tot en met 27 juni 2002, te Badhoevedorp, althans in het arrondissement Haarlem en/of (elders) in Nederland, als afzender, opzettelijk een zending gevaarlijke stoffen, te weten:

a) een hoeveelheid (zogenaamd) evenementen vuurwerk met UN-kenmerk UN 0333 en/of 0334 en/of 0335 en/of 0336 en/of 0337 en/of

b) een hoeveelheid (zogenaamd) indoor vuurwerk of theater vuurwerk met UN-kenmerk UN 0431 en/of 0432,

ten vervoer (over land in een vervoermiddel) heeft aangeboden,

I) terwijl die onder a) en/of b) genoemde soorten vuurwerk, in strijd met het bepaalde in referentie 4.1.10 jo 4.1.10.4, MP24, van het ADR samen waren verpakt, en/of

II) terwijl (een gedeelte van dat onder a) genoemd vuurwerk, in strijd met het bepaalde in referentie 4.1.10 jo referentie 4.1.10.4, MP23, van het ADR was verpakt met niet ontplofbare voorwerpen (zoals plakband en/of een plakbandhouder en/of lijm en/of spijkers).

Feit 2:

zij, in of omstreeks de periode van 20 juni 2002 tot en met 27 juni 2002, te Badhoevedorp, althans in het arrondissement Haarlem, en/of (elders) in Nederland, als afzender, opzettelijk een zending gevaarlijke stoffen, te weten 42, althans een of meer doos/dozen met in totaal (ongeveer) 900 kilogram, althans een hoeveelheid (professioneel) vuurwerk/ontplofbare stoffen, bestaande uit (onder meer):

- een of meer kleureffectbom(men), en/of

- een of meer cilinderbom(men), en/of

- een of meer (zogenaamde) Romeinse kaars(en), en/of

- een of meer (zogenaamde) mijn(en), en/of

- een of meer cakebox(en), en/of

- een of meer kaars(en), en/of

- een of meer fontein(en), en/of

- een of meer gerb(s), en/of

- een of meer flame projector(s), en/of

- een of meer (zogenaamde) Waterfall Stick(s), en/of

diversen, zijnde:

- een of meer elektrische ontsteker(s), en/of

- een of meer kaars(en),

ten verfvoer (over land in een vervoermiddel) heeft aangeboden, terwijl die zending niet voldeed aan de voorschriften van het ADR, aangezien:

I) zij, verdachte, in strijd met het bepaalde in referentie 1.4.2.1.1 van het ADR onder a zich niet ervan heeft vergewist, dat voren omschreven gevaarlijke goederen overeenkomstig het ADR waren ingedeeld en/of ten vervoer waren toegelaten, en/of

II) zij, verdachte, in strijd met het bepaalde in referentie 1.4.2.1.1 onder c van het ADR niet heeft zorg gedragen dat een of meer verpakkingen, waarin voren omschreven gevaarlijke stoffen / goederen zich bevonden, van de in het ADR voorgeschreven kenmerking waren/was voorzien, en/of

III) zij, verdachte, niet de voorschriften voor de wijze van verzending en/of de beperking van verzending, in acht heeft genomen.

2. Voorvragen.

2.1. Algemeen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot onderdeel III van feit 2 nietig dient te worden verklaard. Voorts heeft hij aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging in verband met de zeer aanzienlijke overschrijding van wat nog een redelijke termijn van vervolging kan worden geacht te zijn.

2.2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Wat er zij van de door de raadsman opgeworpen verweren, in het licht van het verloop van de strafzaak zoals daarvan blijkt uit de stukken van het dossier zal de rechtbank uit praktische overwegingen eerst ambtshalve de vraag onder ogen zien of het openbaar ministerie ontvankelijk is in het recht tot vervolging. Zoals hieronder nader zal worden uiteengezet laten die stukken geen andere conclusie toe dan dat de dagvaarding is uitgebracht op een moment dat de in de tenlastelegging omschreven overtreding was verjaard.

Bij de bespreking van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat – ook al waren de ten laste gelegde overtredingen bij het uitbrengen van de dagvaarding verjaard – de toegelaten wijziging van de tenlastelegging tot gevolg heeft dat vanaf dát moment door invoeging van het bestanddeel “opzettelijk” vervolging ter zake van nog niet verjaarde misdrijven aan de orde is.

De rechtbank acht voor de vorming van haar oordeel de volgende omstandigheden relevant:

a. de aan verdachte ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd in de periode van 20 juni 2002 tot en met 27 juni 2002. Op laatstgenoemde datum is na een melding van de douane het onderzoek gestart naar de wijze waarop een partij vuurwerk afkomstig van verdachte ten vervoer was aangeboden. *1 Op 3 juli 2002 werd in opdracht van de officier van justitie bedoelde partij in beslag genomen.*2

b. op 5 juli 2004 is de dagvaarding van verdachte tegen de terechtzitting van de economische politierechter van 24 september 2004 uitgegaan en diezelfde dag ter griffie betekend en is een vertaalde versie van deze dagvaarding naar verdachte in Groot-Brittannië verstuurd. Tot deze datum is geen sprake geweest van een eerdere daad van vervolging van de zijde van het openbaar ministerie.

c. de tenlastelegging bevat een tweetal omschrijvingen van op grond van het bepaalde in artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen verboden gedragingen, strafbaar gesteld bij artikel 1a sub 1e van de Wet op de economische delicten (hierna: WED). Doordat in de omschrijvingen het bestanddeel “opzettelijk” ontbreekt is sprake van overtredingen (artikel 2 lid 1 WED).

d. ter terechtzitting van 24 september 2004 is door de officier van justitie op grond van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering een wijziging van de tenlastelegging gevorderd; deze vordering hield in dat in beide in de tenlastelegging opgenomen omschrijvingen het bestanddeel “opzettelijk” werd ingevoegd, als gevolg waarvan het verwijt betrekking ging hebben op de misdrijfvariant van artikel 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen (artikel 1a sub 1e jo artikel 2 lid 1 WED). Deze wijziging is door de politierechter toegestaan.

Overwegingen

Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding (5 juli 2004) door de officier van justitie gold op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat toen luidde, een verjaringstermijn van twee jaren voor alle overtredingen. Gelet op de pleegdatum van de als overtredingen ten laste gelegde gedragingen was op dat moment het recht tot strafvervolging voor deze feiten door verjaring vervallen.

Die vaststelling roept de vraag op of een specifieke wettelijke uitzonderingsbepaling dan wel de wetsystematiek ruimte of een aanknopingspunt biedt voor aanpassing van de grondslag voor de strafvervolging door de tenlastelegging toe te snijden op de nog wel vervolgbare misdrijfvarianten.

Zo’n aanknopingspunt, dat een inbreuk zou inhouden op het toepasselijke wettelijke voorschrift aangaande de vervolgingsverjaring, ziet de rechtbank niet voorhanden. Wel heeft zij kennis genomen van een arrest van de Hoge Raad van 24 april 2007 (NJ 2008, 357). In dit arrest geeft de Hoge Raad in elk geval uitsluitsel over de vraag of opneming van het woord “opzettelijk” of een soortgelijke term in een casus als welke zich hier voordoet gemist zou kunnen worden om in de tenlastelegging toch nog de opzettelijk begane gedraging te kunnen lezen. Het antwoord op die vraag luidt, dat bij het ontbreken van die term uitsluitend de als overtreding ten laste gelegde gedragingen zijn ten laste gelegd (r.o. 3.7).

De in het middel als rechtsvraag verwoorde kwestie betrof evenwel de honorering door het Hof van de gevorderde wijziging van de tenlastelegging door daarin de term “opzettelijk” op te nemen, terwijl die tenlastelegging voor het desbetreffende onderdeel de omschrijving van een inmiddels verjaarde overtreding bevatte. De Hoge Raad spreekt uit, dat artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering zich er niet tegen verzet dat een tenlastelegging die op een inmiddels verjaarde overtreding is toegesneden binnen de grenzen van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd in een tenlastelegging ter zake van een nog niet verjaard misdrijf. Hij wijst in dat verband op artikel 284 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, waarin artikel 313 van toepassing wordt verklaard, zelfs als het aan de vordering wijziging tenlastelegging ten grondslag liggende oordeel tot stand is gekomen naar aanleiding van een preliminair verweer aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De wet maakt immers geen onderscheid naar de gronden waarop die vastgestelde niet-ontvankelijkheid steunt, aldus de Hoge Raad.

De rechtbank is van oordeel dat de zojuist weergegeven uitleg van de wet niet zonder meer in alle voorkomende gevallen opgeld kan doen. Daarmee zou een onwenselijke inbreuk op de systematiek en de uitgangspunten van het rechtssysteem worden gecreëerd. Een belangrijk uitgangspunt dient immers nog steeds te zijn, dat de officier van justitie uit het voorhanden feitensubstraat een keuze maakt. Die keuze verwoordt hij in een tenlastelegging, tot het uitbrengen waarvan alleen hij bevoegd is. De omschrijving van het aan de feiten ontleende verwijt in de tenlastelegging mag daarom worden uitgelegd als een doordachte of op zijn minst overdachte keuze. Deze functie als dominus litis wordt bevestigd en geaccentueerd doordat de officier van justitie de mogelijkheid heeft – binnen aangegeven grenzen – een wijziging van de tenlastelegging te vorderen, maar bovenal doordat hij – mits tijdig – een eenmaal uitgebrachte dagvaarding kan intrekken en vervangen door een andere, die beter is toegesneden op de feiten.

De rechtbank kent bijzondere betekenis toe aan het feit, dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval van deze laatste, voor de hand liggende mogelijkheid heeft afgezien. Uit die vaststelling leidt zij af, dat het van aanvang af het verwijt van de overtredingvariant aan verdachte voor ogen heeft gehad, een keuze overigens die de rechtbank, gezien de inhoud van het dossier en het daaromtrent verhandelde ter terechtzitting, alleszins begrijpelijk voorkomt.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat – nu bij het uitbrengen van de dagvaarding de termijn voor de vervolging van de daarin ten laste gelegde feiten was verstreken – het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie was komen te vervallen. Het openbaar ministerie dient derhalve alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

3. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. de Jong,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2009.

Mr. Sassenburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

*1 Proces-verbaal d.d. 12 mei 2004, opgemaakt door J.R. Rausch en S.H. Oosterhoff, procesdossier blz. 3.

*2 Proces-verbaal d.d. 12 mei 2004, opgemaakt door J.R. Rausch en S.H. Oosterhoff, procesdossier blz. 12.