Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK5401

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
04-12-2009
Zaaknummer
15-750015-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; brandstichting; minderjarige verdachte; verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte ter zake van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Verdachte heeft een door hem in brand gestoken stuk plastic met opzet op een daarvoor door hem met olie overgoten bank gegooid, als gevolg waarvan deze bank vlam vatte en waardoor het pand waarin die bank stond in brand is komen te staan. Slechts door maximale inspanning en een accurate brandweerinzet werd de brand op het dak van het naastgelegen industriegebouw, waar zeer brandbare verpakkingsmaterialen lagen opgeslagen, bedwongen en werd brandoverslag ternauwernood voorkomen.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met een aantal strafverlichtende omstandigheden, waaronder het feit dat verdachte ten tijde van het feit verminderd toerekeningsvatbaar was. .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/750015-09

Uitspraakdatum: 4 december 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2009 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht

in een pand (van de Zeilmakerij en Tuigerij Zuiderzee BV) gelegen aan en/of naast een pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd was, aan de Julianaweg 200,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

lampolie over een zitbank gegooid en/of een brandend stuk plastic op die bank gegooid en/of bij die bank gehouden,in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met lampolie en/of een zitbank, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die bank en/of het pand aan de Julianaweg 200 geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand gelegen aan de Julianaweg 200 en/of het pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd is (gelegen aan de Julianaweg 196-202) en/of een of meer zich in voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) goed(eren) en/of voor een zich in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) pand(en)/woning(en)

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor zich in voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) perso(o)n(en), althans voor een ander of anderen te duchten was.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat niet bewezen dient te worden verklaard dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uur, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden*1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het navolgende, waarbij voor de bewijsmiddelen wordt verwezen naar de voetnoten.

Op woensdag 11 februari 2009 woedde in het pand van Zeilmakerij en Tuigerij Zuiderzee BV aan de Julianaweg 200 te Volendam een brand.*2 Ter plaatse gekomen constateerde de brandweer een grote uitslaande brand, waarbij het pand aan de Julianaweg 200 in brand stond. Door deze brand werd het naastgelegen deel van het pand van het industriegebouw KIVO ernstig bedreigd. Dit gedeelte van KIVO wordt gebruikt voor opslag van karton, polyethyleen (plastic), granulaat (grondstof voor plastic) en andere zeer brandbare verpakkingsmaterialen. Hier had het dak vlam gevat. Ook werd de zijgevel van het gebouw door het vuur direct aangestraald. De bevelvoerder van dienst kreeg de taak om alle aanwezige medewerkers van KIVO te evacueren.*3 Op dat moment waren er circa 40 personen in dat pand werkzaam.*4 Door maximale inspanning en een accurate brandweerinzet werd de brand op het dak van KIVO tijdig bedwongen en kon de brandoverslag via de door het vuur aangestraalde zijgevel ternauwernood worden voorkomen. Niet kon worden voorkomen dat het grootste deel van het betreffende pand aan de Julianaweg 200 afbrandde. De brand heeft geleid tot een gemeen gevaar voor goederen en er is sprake geweest van een zeer bedreigende situatie voor zowel het industriegebouw KIVO als de omgeving.*5

Verdachte was in de avond van woensdag 11 februari 2009 samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het pand aan de Julianaweg 200, te Volendam, in de gemeente Edam-Volendam, aanwezig.*6 Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd “We gaan het pand in de fik steken”.*7 Verdachte heeft aldaar (lamp)olie over een zich in het pand bevindende bank gegooid en een stuk plastic in brand gestoken.*8 Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat verdachte vervolgens het brandend stuk plastic op de bank heeft gegooid, waarna direct vlammen oplaaiden en zij alle drie zijn weggerend.*9 Buiten zijn zij nog gestopt en hebben zij gekeken naar het vuur. *10

De rechtbank acht de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende dat hij het brandend stuk plastic naar medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gegooid, waarna deze het heeft afgeweerd en het stuk plastic op die wijze ‘per ongeluk’ op de met olie overgoten bank is terechtgekomen, ongeloofwaardig in het licht van de betrouwbaar geachte verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Deze verklaringen vinden naar het oordeel van de rechtbank overigens ondersteuning in diverse verklaringen van getuigen die eerder op de dag samen met verdachte en zijn medeverdachten in het pand aanwezig waren en die hebben verklaard dat door verdachte gesproken werd over brand stichten. Betrokkene [betrokkene] heeft verklaard dat hij de dag van de brand aanwezig was in het pand. Even na 19.00 uur hoorde hij verdachte zeggen dat hij een olielamp wilde stukgooien en dat hij de bank ermee in de fik wilde steken. *11 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte de avond van 11 februari 2009 twee keer heeft gezegd: “Zal ik dit pand in de fik steken”.*12 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte die avond tot twee keer toe heeft gezegd dat “er hier nu al zoveel mensen komen en jullie hier iedereen uitnodigen dat we dit pand net zo goed in de fik kunnen steken”.*13 Tot slot heeft ook verdachte zelf verklaard dat hij heeft gezegd dat ze het pand net zo goed in de fik konden steken als er oudere jongens werden uitgenodigd.*14

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank derhalve bewezen dat verdachte het door hem in brand gestoken stuk plastic met opzet op de door hem met olie overgoten bank heeft gegooid, waarna deze bank vlam vatte en waardoor het pand van de Zeilmakerij en Tuigerij Zuiderzee BV in brand is komen te staan.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het gedrag van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de avond van 11 februari 2009 mede een sfeer heeft gecreëerd waarin het handelen van verdachte heeft kunnen gedijen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot de brandstichting, zodat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat de door verdachte afgelegde verklaring van 17 februari 2009 (dossierpagina 87) van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu verdachte voordat hij deze verklaring aflegde niet in staat was gesteld met een advocaat of zijn ouders te spreken. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer, wat daar ook van zij, geen doel treft, nu de rechtbank de desbetreffende verklaring niet voor het bewijs heeft gebruikt.

4.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 11 februari 2009 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand van de Zeilmakerij en Tuigerij Zuiderzee B.V., gelegen naast een pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd was, aan de Julianaweg 200,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

lampolie over een zitbank gegooid en een brandend stuk plastic op die bank gegooid, ten gevolge waarvan die bank en het pand aan de Julianaweg 200 geheel en/of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand gelegen aan de Julianaweg 200 en het pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd is gelegen aan de Julianaweg 196-202 en zich in voornoemde panden bevindende goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor zich in het pand van KIVO bevindende personen te duchten was.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties en van overige beslissingen

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, uitgebrachte rapport van 13 november 2009 en het door [psychiater], psychiater/kinder- en jeugdpsychiater, opgestelde psychiatrisch Pro Justitia rapport van 29 mei 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte was op 11 februari 2009 met diverse andere jongeren aanwezig in een leegstaand pand aan de Julianaweg 200 in Volendam. Dit pand, waarin verdachte wel vaker met andere jongeren afsprak, was door hen met diverse meubels ingericht. In de avond van 11 februari 2009 bleef verdachte uiteindelijk met twee anderen over. Verdachte heeft lampolie over een bank gegooid en hier vervolgens een brandend stuk plastic op gegooid. Als gevolg daarvan vatte die bank direct vlam en verdachte en die anderen zijn daarop weggerend. De brandweer is ter plaatse gegaan en werd geconfronteerd met een grote uitslaande brand in het pand aan de Julianaweg 200. Tevens werd een deel van het naastgelegen pand van KIVO, waar diverse brandbare materialen, waaronder karton en plastic, lagen opgeslagen, ernstig door de vlammen bedreigd. Alle daar aanwezige medewerkers van de fabriek zijn op last van de brandweer geëvacueerd. Slechts door maximale inspanning en een accurate brandweerinzet werd de brand op het dak van KIVO tijdig bedwongen en werd brandoverslag ternauwernood voorkomen.

De rechtbank rekent verdachte deze brandstichting zwaar aan. De brand heeft aanzienlijke materiële schade veroorzaakt en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de werknemers van de aangrenzende fabriek Van KIVO veroorzaakt.

Delicten als de onderhavige behoren tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De ervaring leert dat mensen die dergelijke branden van dichtbij hebben meegemaakt hiervan nog lange tijd de nadelige en traumatische gevolgen kunnen ondervinden.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting met betrekking tot de op te leggen straf (subsidiair) aangevoerd dat de rechtbank met diverse strafverlichtende factoren rekening dient te houden, zodat primair kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest en subsidiair met een beperkte werkstraf. Een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur is volgens de raadsvrouw een brug te ver.

Pychiater [psychiater] heeft vastgesteld, dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis (ADHD) die in sterke mate de gedragingen en gedragskeuzes van verdachte heeft beïnvloed. De rechtbank kan zich verenigen met het standpunt van deze deskundige dat verdachte als gevolg daarvan ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar was en houdt daarmee rekening bij de strafoplegging. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de zeer jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij niet eerder met de politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank houdt ook rekening met de sociale en emotionele gevolgen die het feit en de daaruit voortkomende reacties in [plaats] voor verdachte en zijn ouders hebben gehad. Voor verdachte zelf heeft het feit in elk geval meegebracht dat hij vrienden is kwijtgeraakt en dat hij zeer gebukt gaat onder de negatieve reacties in het dorp op hem en zijn familie. Tot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij sinds enkele maanden door een jeugdpsychiater wordt begeleid en op vrijwillige basis, trouw naar de gesprekken met die psychiater gaat. Daar staat evenwel tegenover dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, waarvan de schadelijke gevolgen niet alleen voor gebouwen, maar vooral ook voor personen nog aanmerkelijk groter hadden kunnen zijn als de brandweer niet zo adequaat had opgetreden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van na te noemen voorwaardelijke jeugddetentie en na te noemen werkstraf, passend en geboden is en recht doet niet alleen aan de ernst van het feit, maar ook aan de persoon van verdachte. In de onvoorwaardelijke lagere werkstraf dan gevorderd, houdt de rechtbank rekening met de hiervoor geschetste strafverlichtende omstandigheden. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, een forse voorwaardelijke jeugddetentie dient te worden opgelegd uit een oogpunt van speciale en generale preventie.

De rechtbank zal aan de vooralsnog niet ten uitvoer te leggen jeugddetentie een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank - mede in verband daarmee - verplicht contact met Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, thans in de persoon van [jeugdreclasseringswerker] gedurende de proeftijd wenselijk, zoals door de heer [jeugdreclasseringswerker] ter terechtzitting is geadviseerd. Een dergelijke verplichting met daaraan verbonden de opdracht aan Bureau Jeugdzorg tot het verlenen van hulp en steun zal als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijk op te leggen straf worden verbonden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twee (2) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

?verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, thans in de persoon van [jeugdreclasseringswerker], zolang deze instelling dat nodig oordeelt.

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van honderd (100) uren, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor iedere dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, twee uren werkstraf in mindering wordt gebracht.

De werkstraf moet worden voltooid binnen een termijn van zes maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. T. Avedissian en L.M. Kos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. ten Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 december 2009.

*1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

*2 Het proces-verbaal van aangifte van eigenaar [eigenaar] d.d. 18 februari 2009, dossierpagina 43.

*3 Een schriftelijk stuk, te weten een rapportage van [naam], Adjunct Hoofdbrandmeester 1e klas, Officier van Dienst binnen het verzorgingsgebied van de regionale brandweer Zaanstreek-Waterland, waaronder begrepen de gemeente Edam-Volendam, d.d. 19 februari 2009, dossierpagina 102.

*4 Het proces-verbaal d.d. 17 maart 2009, dossierpagina 6 onder het kopje ‘aangifte Julianaweg 200’.

*5 Een schriftelijk stuk, te weten een rapportage van [naam], Adjunct Hoofdbrandmeester 1e klas, Officier van Dienst binnen het verzorgingsgebied van de regionale brandweer Zaanstreek-Waterland, waaronder begrepen de gemeente Edam-Volendam, d.d. 19 februari 2009, dossierpagina 103.

*6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd; het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 17 februari 2009, p. 76 en 77 en het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 februari 2009, p. 68 en 69.

* 7 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 17 februari 2009, p. 77.

*8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd; het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 17 februari 2009, p. 76 en 77 en het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 februari 2009, p. 68 en 69.

*9 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 17 februari 2009, p. 77 en 78 en het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 februari 2009, p. 68.

*10 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 17 februari 2009, p. 78.

*11 Het proces-verbaal van verhoor van betrokkene [betrokkene] d.d. 13 februari 2009, dossierpagina 56.

*12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 18 februari 2009, dossierpagina 58.

*13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 17 februari 2009, dossierpagina 61.

*14 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.