Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4826

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
158587 - HA ZA 09-857
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidenteel vonnis. Vordering tot onbevoegdverklaring.

De verbintenis die eiseres aan haar vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag legt betreft in essentie de door gedaagde uit hoofde van de tussen partijen geldende (duur)overeenkomst(en) te verrichten betalingen en niet de (af)levering van goederen door eiseres aan gedaagde.

Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd moet het er voor worden gehouden dat partijen niet zijn overeengekomen waar de zaken geleverd werden c.q. hadden moeten worden. Dat betekent dat gedaagde ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en sub c jo. sub a EEX-Verordening kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de betalingen hadden moeten plaatsvinden.

Nu partijen bij overeenkomst niet anders zijn overeengekomen, diende gedaagde op grond van artikel 57 Weens Koopverdrag eiseres ter plaatse van diens vestigingsplaats, zijnde Badhoevedorp, te betalen. De rechtbank te Haarlem is daarom bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158587 / HA ZA 09-857

Vonnis in incident van 4 november 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAAL TOELEVERINGSBEDRIJF VAN METAALWAREN,

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het verzet en tevens verweerster in het incident,

advocaat mr. L. Koning,

tegen

de naamloze vennootschap

PUNCH METALS N.V.,

gevestigd te Hamont-Achel, België,

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het verzet en tevens eiseres in het incident,

advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen.

Partijen zullen hierna ITM en Punch genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verstekvonnis van 4 februari 2009,

- de dagvaarding in het verzet, aan te merken als incidentele vordering tot onbevoegdverklaring van Punch,

- de incidentele conclusie van antwoord van ITM,

- de akte uitlating in het incident van Punch.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Punch vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. ITM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. ITM heeft primair als verweer gevoerd dat Punch heeft berust in het verstekvonnis en dat Punch daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen. Daartoe heeft ITM aangevoerd dat Punch door middel van een exploot van 29 mei 2009 een verzetdagvaarding aan ITM heeft uitgebracht en gedagvaard tegen de rolzitting van 10 juni 2009, welke roldatum was gelegen voor de eerste roldatum in de onderhavige zaak. Punch heeft die zaak bij de rechtbank aangebracht en vervolgens ingetrokken.

2.3. Punch heeft daartegen ingebracht dat zij als gevolg van een interne communicatiestoornis zowel aan mr. H.F.A. Leenders te Eindhoven als aan mr. Lensen, advocaat van Punch in onderhavige zaak, opdracht heeft verstrekt tot het instellen van een rechtsmiddel tegen het verstekvonnis van 4 februari 2009. Mr. Lensen heeft vervolgens de onderhavige verzetdagvaarding van 6 mei 2009 doen uitbrengen, waarbij ITM werd gedagvaard tegen de zitting van 17 juni 2009. Mr. Leenders heeft de verzetdagvaarding van 29 mei 2009 doen uitbrengen tegen de zitting van 10 juni 2009. Op de rolzitting van 10 juni 2009 heeft mr. Leenders vervolgens de zaak, ingeleid bij dagvaarding van 29 mei 2009, ingetrokken. Volgens Punch wist ITM dat Punch zich niet bij het verstekvonnis wilde neerleggen, nu de verzetdagvaarding van 6 mei 2009 uitdrukkelijk door Punch is gehandhaafd.

2.4. Het betoog van Punch slaagt. Uit de enkele omstandigheid dat Punch de zaak ingeleid bij dagvaarding van 29 mei 2009 heeft ingetrokken, blijkt niet ondubbelzinnig dat Punch zich bij het verstekvonnis heeft neergelegd. De onderhavige zaak, reeds eerder ingeleid bij dagvaarding van 6 mei 2009, heeft Punch immers niet ingetrokken. Dat daarover aan de zijde van ITM kennelijk ook geen misverstand heeft bestaan, blijkt reeds uit het feit dat zij op de eerste rolzitting op 17 juni 2009 is verschenen. Er is derhalve geen grond Punch wegens berusting niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzet, waaronder de onderhavige incidentele vordering tot onbevoegdverklaring.

2.5. ITM heeft subsidiair als verweer gevoerd dat Punch zich niet voor alle weren ten gronde op de onbevoegdheid van de rechter heeft beroepen, waardoor ingevolge artikel 110 Rv het recht van Punch om zich te beroepen op de onbevoegdheid is komen te vervallen. ITM heeft daartoe aangevoerd dat Punch in haar verzetdagvaarding pas als vierde onderwerp de bevoegdheid van de rechter aan de orde heeft gesteld en in het petitum allereerst heeft gevorderd Punch te ontheffen van de veroordeling in het verstekvonnis en pas daarna dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.

2.6. Dit verweer van ITM slaagt evenmin, reeds omdat de regeling in artikel 110 lid 1 Rv, dat de exceptie van onbevoegdheid dient te worden opgeworpen vóór alle weren ten gronde, er niet toe dwingt een beroep op de onbevoegdheid van de rechter ter zijde te stellen op de enkele grond dat de gedaagde in zijn conclusie van antwoord eerst de ingestelde vordering ten gronde heeft bestreden en pas daarna in deze conclusie de onbevoegdheid van de rechter heeft ingeroepen. Voldoende is dat de gedaagde die onbevoegdheid inroept in de eerste door hem genomen schriftelijke conclusie (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994, 488). Nu Punch de exceptie van onbevoegdheid heeft ingeroepen in de verzetdagvaarding, haar eerste schriftelijke conclusie, bestaat geen grond voor het oordeel dat zij haar exceptie niet voor alle weren ten gronde heeft ingeroepen.

2.7. Meer subsidiair heeft ITM inhoudelijk het betoog van Punch bestreden dat de (Nederlandse) rechter niet bevoegd is van de vorderingen van ITM in de hoofdzaak kennis te nemen.

2.8. Punch heeft betoogd dat op grond van artikel 2 en artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, EEX-Verordening de Belgische rechter bevoegd is en dat de Nederlandse rechter zich daarom onbevoegd dient te verklaren, omdat volgens Punch de leveringsverplichting van ITM op grond van de koopovereenkomst(en) tussen partijen diende te worden uitgevoerd in België, te Hamont-Achel, de vestigingsplaats van Punch.

2.9. ITM heeft daartegen ingebracht dat partijen niet een bepaalde plaats voor aflevering zijn overeengekomen. ITM betaalde het vervoer, maar de koopovereenkomst(en) tussen partijen omvatte niet tevens het vervoer. ITM leverde af aan de transporteur. De overeenkomst(en) had(den) betrekking op individueel bepaalde zaken, dan wel op naar de soort bepaalde zaken die van een bepaalde voorraad moesten worden afgenomen of die nog moeten worden vervaardigd of voortgebracht. Volgens ITM diende zij daarom op grond van het bepaalde in artikel 31, aanhef en onder b, van het Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken (Weens Koopverdrag, hierna: WKV) de zaken op de plaats van vervaardiging c.q. voortbrenging, dat wil zeggen Nederland, aan Punch ter beschikking te stellen, hetgeen zij steeds heeft gedaan door aflevering aan de transporteur. Op grond van artikel 5 lid 1, aanhef en onder a, EEX-Verordening is daarom volgens ITM de Nederlandse rechter bevoegd, als gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Daarnaast heeft ITM, bij inleidende dagvaarding, aangevoerd dat haar vorderingen zien op de verbintenissen tot betaling van Punch, en dat die betalingen ingevolge artikel 57 WKV uitgevoerd dienden te worden in de vestigingingsplaats van ITM, zijnde Badhoevedorp. Ook op die grond is, volgens ITM, de rechtbank Haarlem bevoegd.

2.10. Artikel 5, eerste lid aanhef en onder a van de EEX-Verordening bevat – voor zover hier van belang – als hoofdregel dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, zoals in dit geval Punch, in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt moet worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de verbintenis die ITM aan haar vorderingen ten grondslag legt in essentie de door Punch uit hoofde van de tussen partijen geldende (duur)overeenkomst(en) te verrichten betalingen (zoals ook door ITM bij inleidende dagvaarding gesteld) en niet de (af)levering van goederen door ITM aan Punch.

2.11. Ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en sub b EEX-verordening geldt een uitzondering op deze hoofdregel voor - kort gezegd - overeenkomsten betreffende de koop en verkoop van roerende zaken, in die zin dat in dat geval de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt geacht wordt de plaats te zijn waar de zaken volgens de overeenkomst hadden moeten worden geleverd.

2.12. Punch heeft weliswaar gesteld dat partijen een plaats van aflevering zijn overeengekomen, te weten Hamont-Achel te België, maar Punch heeft haar stelling niet onderbouwd, zodat Punch, gelet op de gemotiveerde betwisting door ITM, daarin niet kan worden gevolgd. De enkele stelling van Punch in dit verband dat de transporteur die voor het vervoer van de gekochte zaken naar Hamont-Achel in België zorg droeg de vervoersopdracht van ITM kreeg en door ITM werd betaald, kan niet leiden tot de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat de aflevering in Hamont-Achel diende plaats te vinden. Die omstandigheid sluit immers niet uit dat ITM de gekochte zaken ter plaatse van haar vestiging in Nederland afleverde aan de transporteur en daarmee de zaken ter beschikking stelde aan Punch. Nu Punch haar stelling dat partijen Hamont-Achel zijn overeengekomen als plaats van aflevering niet nader heeft onderbouwd, zal de rechtbank het bewijsaanbod van Punch terzake passeren.

2.13. Gelet op het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat partijen niet zijn overeengekomen waar de zaken geleverd werden c.q. hadden moeten worden en is, ingevolge art 5, eerste lid, aanhef en sub c EEX-Verordening, de hiervoor geformuleerde hoofdregel van toepassing. Dat betekent dat Punch kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de betalingen hadden moeten plaatsvinden.

2.14. Tussen partijen is niet in geschil dat op de overeenkomst(en) tussen hen het Weens Koopverdrag van toepassing is. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen bij overeenkomst anders zijn overeengekomen, diende Punch op grond van artikel 57 WKV ITM terplaatse van diens vestigingsplaats, zijnde Badhoevedorp, te betalen. Nu Badhoevedorp zich bevindt in het arrondissement Haarlem, is de rechtbank Haarlem bevoegd.

2.15. Punch kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat ITM niet aan haar stelplicht heeft voldaan door bij haar inleidende dagvaarding ter onderbouwing van haar stelling dat de Nederlandse rechter bevoegd is te verwijzen naar artikel 5 aanhef en sub 1 EEX-Executieverdrag en artikel 6, aanhef en onder a, Rv. Punch heeft weliswaar terecht naar voren gebracht dat voornoemde verdragsbepaling sedert de inwerkingtreding van de EEX-Verordening tussen Nederland en België niet meer van kracht is en artikel 6 Rv in dit verband naast de EEX-Verordening geen zelfstandige betekenis heeft, maar dat leidt niet tot de conclusie dat ITM niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu zij voldoende feiten aan haar stelling dat de Nederlandse rechter bevoegd is ten grondslag heeft gelegd en de rechter ingevolge artikel 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden aanvult.

2.16. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van Punch tot onbevoegdverklaring afwijzen. Punch zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

2.17. Nu Punch in haar verzetdagvaarding heeft toegelicht dat haar conclusie niet een (volledige) weergave van haar inhoudelijke verweer tegen de vorderingen van ITM betreft, maar slechts dient als schets van de tussen partijen geldende rechtsverhouding teneinde de grondslag van haar exceptie van onbevoegdheid te onderbouwen en zij voorts haar verweer ten gronde heeft gereserveerd, zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen voor conclusie van antwoord aan de zijde van Punch.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt Punch in de kosten van het incident, aan de zijde van ITM tot op heden begroot op EUR 452,-,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 december 2009 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.L. Grosheide en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.?