Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4809

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
137140 / HA ZA 07-896
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6470, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzegging duurovereenkomst, opzegtermijn. Geen afnameverplichting.

Vervolg op het tussenvonnis van 24 december 2008, LJN: BK4807.

Het respecteren van een opzegtermijn houdt naar het oordeel van de rechtbank onder meer in, dat de overeenkomst feitelijk wordt voortgezet totdat de opzegtermijn is verstreken. Daardoor krijgt de opgezegde partij de gelegenheid om zich voor te bereiden op het einde van de overeenkomst en wordt zij niet geconfronteerd met schade, die het gevolg is van een verrassende en ontijdige (feitelijke) beëindiging van de overeenkomst. Doordat Ratiopharm na de opzegging feitelijk geen uitvoering meer heeft gegeven aan de overeenkomst, kan niet gezegd worden dat zij de opzegtermijn in materiële zin heeft gerespecteerd. Niet is vast komen te staan dat Duchefa enige schade heeft geleden als gevolg van het feit dat Ratiopharm feitelijk geen opzegtermijn in acht heeft genomen. Vorderingen in reconventie tot opheffing van beslagen en verklaring voor recht dat beslaglegger aansprakelijk is voor schade toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137140 / HA ZA 07-896

Vonnis van 28 oktober 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUCHEFA FARMA B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat aanvankelijk mr J.P. Koets, thans mr. N.M.N. Klazinga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RATIOPHARM B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H. Oomen.

Partijen zullen hierna Duchefa en Ratiopharm genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2009

- de akte tevens wijziging eis van de kant van Duchefa met één productie

- de antwoordakte van de kant van Ratiopharm

- de verwijzing van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Toelichting op het tussenvonnis

2.1. Uit het behandelde ter comparitie van partijen en de nadien door elk van partijen genomen akte komt naar voren dat bij partijen onduidelijkheid is ontstaan omtrent de overwegingen 5.5 en 5.6 uit genoemd tussenvonnis (verder te noemen het tussenvonnis). Hoewel de rechtbank van mening is dat de inhoud van het tussenvonnis duidelijk is, zal de rechtbank ten behoeve van partijen haar in het tussenvonnis gegeven oordeel allereerst nader toelichten.

2.2. Bij dagvaarding heeft Duchefa kort gezegd het standpunt ingenomen dat tussen partijen is overeengekomen dat Ratiopharm gedurende de duur van de Overeenkomst minimaal de in de (herziene) annexen A en B opgenomen jaarafzet van Duchefa diende af te nemen en dat Duchefa, nadat zij de Overeenkomst bij brief van 12 maart 2007 tegen 18 september 2007 had opgezegd, die verbintenis in het geheel niet is nagekomen. In die stelling van Duchefa ligt besloten dat Ratiopharm gedurende genoemde opzegtermijn van Ratiopharm diende af te nemen en wel genoemde jaarafzet.

2.3. In het ter comparitie van 18 december 2007 gewezen tussenvonnis heeft de rechtbank Duchefa met het bewijs daarvan belast. In het tussenvonnis van 24 december 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat Duchefa niet was geslaagd in het bewijs dat Ratiopharm gedurende de duur van de Overeenkomst minimaal de in de (herziene) annexen A en B opgenomen jaarafzet van Duchefa diende af te nemen. Tevens is echter geoordeeld dat de Overeenkomst niet inhield dat Ratiopharm gerechtigd was om gedurende de opzegtermijn - gelijk zij wel heeft gedaan - in het geheel niets van Duchefa af te nemen. Nu dit oordeel kennelijk tot onduidelijkheid heeft geleid, moge het volgende ter toelichting dienen.

2.4. Er is in het onderhavige geval sprake van de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Opzegging daarvan is in algemene zin mogelijk, mits een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen. Partijen zijn contractueel overeengekomen dat deze opzegtermijn zes maanden bedraagt. Het respecteren van een opzegtermijn houdt naar het oordeel van de rechtbank onder meer in, dat de overeenkomst feitelijk wordt voortgezet totdat de opzegtermijn is verstreken. Daardoor krijgt de opgezegde partij de gelegenheid om zich voor te bereiden op het einde van de overeenkomst en wordt zij niet geconfronteerd met schade, die het gevolg is van een verrassende en ontijdige beëindiging van de overeenkomst.

2.5. Ratiopharm heeft de tussen partijen geldende opzegtermijn in formele zin gerespecteerd. De overeenkomst op papier bleef immers bestaan tot zes maanden na de datum van de opzegging. Doordat Ratiopharm na de opzegging feitelijk geen uitvoering meer heeft gegeven aan de overeenkomst, kan echter niet gezegd worden dat zij de opzegtermijn in materiële zin heeft gerespecteerd. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat Ratiopharm, door de opzegtermijn feitelijk niet na te leven, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen.

2.6. Daarmee is de rechtbank niet buiten de rechtstrijd van partijen getreden. Duchefa heeft immers steeds de stelling ingenomen dat Ratiopharm gedurende de opzegtermijn diende af te nemen. De rechtbank heeft die stelling in het tussenvonnis gegrond geacht, echter niet de door Duchefa gestelde omvang van die afnameplicht (te weten de in de (herziene) annexen A en B opgenomen jaarafzet). Rechtsoverweging 5.6 is ingegeven door de omstandigheid dat het accent tot aan dat moment in de procedure sterk heeft gelegen op de meest verstrekkende stelling van Duchefa en de daarbij behorende schadeberekening, terwijl de uitslag van de bewijslevering leidt tot een andere wijze van berekening van de schade, in verband waarmee partijen zich wellicht opnieuw willen beraden en de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie. In dat verband moet de rechtbank erkennen dat de woorden “ter voorkoming van een mogelijk nieuwe procedure tussen partijen op basis van een andere grondslag voor de vordering van Duchefa…” minder gelukkig zijn gekozen en bij partijen aanleiding hebben kunnen geven tot misverstanden. Omdat Ratiopharm in de dagvaarding door Duchefa in algemene zin werd verweten tijdens de opzegperiode in het geheel niet te hebben afgenomen, was, toen de rechtbank in het tussenvonnis oordeelde dat opzegging op de wijze die Ratiopharm had gedaan niet mocht maar dat de daaruit voortvloeiende schade niet was bewezen, er geen noodzaak voor een nieuwe procedure op basis van een andere grondslag om de hoogte van die schade wel vastgesteld te krijgen.

Schade

2.7. Nu vast staat dat Ratiopharm toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de overeenkomst, dient te worden vastgesteld welke schade Duchefa als gevolg daarvan heeft geleden.

Verweer - toelaatbaarheid

2.8. Als meest verstrekkende verweer heeft Ratiopharm aangevoerd dat Duchefa geen schade heeft geleden als gevolg van enige tekortkoming van Ratiopharm. Dit verweer heeft Ratiopharm prijsgegeven ter comparitie van 18 december 2007. Ter comparitie van 18 maart 2009 heeft zij aangegeven het verweer te willen doen herleven, omdat zij het slechts zou hebben prijsgegeven voor het geval vast zou komen te staan dat zij een afnameverplichting had jegens Duchefa. Nu na bewijslevering vast is komen staan dat er geen afnameverplichting was, wil Ratiopharm het verweer handhaven. Duchefa heeft zich ter comparitie van 18 maart 2009 verzet tegen de wens van Ratiopharm om genoemd verweer te doen herleven.

2.9. Gelet op het feit dat het accent tijdens de comparitie van 18 december 2007 nog geheel lag op de meest verstrekkende stelling van Duchefa dat Ratiopharm jegens haar een afnameverplichting had, volgt de rechtbank Ratiopharm in haar standpunt dat zij destijds haar verweer slechts heeft willen prijsgeven in de situatie dat vast komt te staan dat zij een afnameverplichting jegens Duchefa had. Nu die situatie zich niet voordoet, zal de rechtbank het verweer beoordelen.

Verweer - beoordeling

2.10. Ratiopharm heeft gemotiveerd betwist dat Duchefa enige schade heeft geleden als gevolg van het feit dat – zakelijk weergegeven - Ratiopharm feitelijk geen opzegtermijn heeft gehanteerd. Voorop staat dat Ratiopharm in beginsel niet gehouden is om een bepaalde hoeveelheid bij Duchefa af te nemen. Ratiopharm stelt voorts dat zij gedurende de opzegtermijn hoe dan ook geen bestelling meer zou hebben gedaan bij Duchefa. Door marktomstandigheden gedwongen heeft Ratiopharm geen bestellingen meer gedaan bij Duchefa. Aangezien zij geen markt had voor haar producten, was het zinloos om nog meer bij Duchefa te bestellen. Hieruit volgt dat zij hoe dan ook tijdens de opzegtermijn in de periode 17 maart 2007 – 17 september 2007 niets meer van Duchefa zou hebben afgenomen, aldus Ratiopharm.

2.11. Bovendien had Duchefa dit kunnen en moeten weten, aangezien de afname van diverse producten vanaf 2005 is gestopt vanwege afgenomen vraag. Dit is Duchefa medegedeeld. Duchefa wist derhalve dat de vraag sterk afnam en dat de voorraad van Ratiopharm te groot was om binnen de houdbaarheidsdatum af te zetten. Duchefa had daarom ruimschoots voor afloop van de overeenkomst rekening kunnen en moeten houden met deze omstandigheden. Daarmee kan niet worden gezegd dat Duchefa enige schade heeft geleden doordat Ratiopharm niets meer heeft afgenomen tijdens de opzegtermijn, aldus nog steeds Ratiopharm.

2.12. Duchefa heeft nagelaten om inhoudelijk op dit verweer van Ratiopharm te reageren. Zij heeft niet betwist dat de marktomstandigheden van dien aard waren, dat het voor Ratiopharm vanuit bedrijfseconomisch oogpunt zinloos was om nog bestellingen bij Duchefa te doen. Evenmin heeft zij betwist dat zij van deze gewijzigde marktomstandigheden op de hoogte was en daar om die reden rekening mee heeft kunnen houden. Bij gebreke van een deugdelijk onderbouwde weerlegging van het verweer van Ratiopharm zal de rechtbank uit moeten gaan van de juistheid van de in dit verband door Ratiopharm aangevoerde feiten. Uit de door Duchefa overgelegde stukken blijkt voorts dat het volume van de door Ratiopharm afgenomen goederen reeds in het half jaar voorafgaand aan de opzegging aanmerkelijk achterbleef bij de prognose. Het voorgaande in aanmerking nemende is Duchefa naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid geweest om zich in te stellen op het staken van de afname door Ratiopharm.

2.13. Daar komt bij dat Duchefa heeft nagelaten om de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat Ratiopharm feitelijk geen opzegtermijn heeft gehanteerd, op deugdelijke wijze te onderbouwen. De rechtbank heeft Duchefa in het tussenvonnis van 24 december 2008 verzocht om een met alle in dat verband relevante bescheiden onderbouwde berekening over te leggen van de door haar daadwerkelijk geleden schade.

2.14. Duchefa heeft, ook bij haar akte van 22 april 2009, nagelaten de verzochte berekening over te leggen. Duchefa heeft ter voldoening aan het verzoek van de rechtbank verwezen naar de schadeopstelling, die zij reeds bij dagvaarding had overgelegd. Uit deze schadeopstelling is af te leiden welke schade Duchefa stelt te hebben geleden doordat Ratiopharm haar afnameplicht niet is nagekomen. In genoemd tussenvonnis was echter reeds vastgesteld dat Ratiopharm een dergelijke afnameplicht niet had. Aan de beantwoording van de vraag welke schade Duchefa heeft geleden doordat Ratiopharm de overeengekomen opzegtermijn niet heeft gerespecteerd, draagt de door Duchefa overgelegde informatie niet bij. Het achterwege blijven van een nadere onderbouwing van de schade sluit aan bij de stelling van Ratiopharm dat zij gedurende de opzegtermijn niet hoefde en zou afnemen.

2.15. Het vorenstaande voert tot de conclusie dat niet is vast komen te staan dat Duchefa enige schade heeft geleden als gevolg van het feit dat Ratiopharm feitelijk geen opzegtermijn in acht heeft genomen. Daarop moet de vordering van Duchefa stranden.

2.16. Nu het meest verstrekkende verweer van Ratiopharm slaagt, behoeven de overige door haar aangevoerde verweren geen nadere beoordeling.

2.17. Duchefa zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ratiopharm worden begroot op:

- vast recht EUR 2.285,00

- salaris advocaat 8.526,00 (6,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 10.811,00

In reconventie

2.18. Nu de vordering in conventie zal worden afgewezen, ligt de eis in voorwaardelijke reconventie ter beoordeling voor. Ratiopharm legt aan haar vordering tot opheffing van de door Duchefa gelegde beslagen ten grondslag, dat zij daarbij belang heeft omdat de beslagen pas van rechtswege zullen vervallen wanneer dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Aan haar vordering tot verklaring voor recht dat Duchefa aansprakelijk is voor de schade die Ratiopharm lijdt als gevolg van de door Duchefa gelegde beslagen, legt Ratiopharm ten grondslag dat zij de schade die zij lijdt momenteel nog niet kan begroten.

2.19. Duchefa verweert zich met de stelling dat er geen reden is om af te wijken van de wettelijke regeling voor het vervallen van conservatoire beslagen als bedoeld in artikel 704 lid 2 Rv. en dat Ratiopharm ook niet stelt dat daarvoor reden is. Tegen de gevorderde verklaring voor recht verweert Duchefa zich met de stelling dat Ratiopharm geen belang heeft bij haar vordering, nu de aansprakelijkheid in principe reeds uit de wet en jurisprudentie volgt. Als Ratiopharm schade lijdt door het beslag, ligt het op haar weg om deze schade te beperken door vervangende zekerheid aan te bieden en aldus haar schade te beperken.

2.20. De rechtbank oordeelt als volgt. Aangezien de vordering in conventie wordt afgewezen, is duidelijk dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd. De vordering tot opheffing van de beslagen is dan ook toewijsbaar op grond van artikel 705 Rv. Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen vermag niet om wijziging in dit oordeel te brengen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt in het dictum.

2.21. De vordering tot verklaring voor recht is eveneens toewijsbaar. Anders dan Duchefa betoogt, dient de aansprakelijkheidsvraag door de rechter te worden beoordeeld, zodat Ratiopharm wel degelijk een belang heeft bij haar vordering. Nu Duchefa haar aansprakelijkheid niet gemotiveerd heeft betwist, zal de vordering worden toegewezen. De omvang van de schadevergoedingsplicht van Duchefa zal in een schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld, waarbij tevens de nakoming door Ratiopharm van haar schadebeperkingsplicht aan de orde kan komen.

2.22. Duchefa zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ratiopharm worden begroot op:

- salaris advocaat 1.356,00 (3 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.356,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt Duchefa in de proceskosten, aan de zijde van Ratiopharm tot op heden begroot op EUR 10.811,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

3.4. bepaalt dat de door Duchefa ten laste van Ratiopharm als beslagene gelegde beslagen worden opgeheven,

3.5. veroordeelt Duchefa om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mededeling te doen aan derden onder wie de onder 3.4 bedoelde beslagen zich uitstrekken en alles te doen wat nodig is om de beslagen door te halen, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Duchefa nalaat om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van EUR 20.000,00,

3.6. verklaart voor recht dat Duchefa aansprakelijk is voor de schade die Ratiopharm als gevolg van de door Duchefa ten laste van Ratiopharm als beslagene gelegde beslagen heeft geleden en zal leiden,

3.7. veroordeelt Duchefa tot vergoeding van de onder 3.6 genoemde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.8. veroordeelt Duchefa in de proceskosten, aan de zijde van Ratiopharm tot op heden begroot op EUR 1.356,00,

3.9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft het bepaalde onder 3.5 en 3.8.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, mr. M.A.C. Hofman en mr J.E. van Praag en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2009.?