Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4698

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
08/6904 tot en met 08/6906
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verzoek afgifte VAR-winst afgewezen, want eiser drijft geen onderneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2580
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 08/6904, 08/6905 en 08/6906

Uitspraakdatum: 26 november 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 mei 2008 drie beschikkingen Verklaring arbeidsrelatie resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: VAR-row) afgegeven.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 september 2008 de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij één beroepschrift van 29 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 31 oktober 2008, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen de VAR-row “chauffeursdiensten” geregistreerd onder zaaknummer 08/6904, tegen de VAR-row “koeriersdiensten” geregistreerd onder nummer 08/6905 en tegen de VAR-row “advies geven met betrekking tot en het doen van administraties” geregistreerd onder zaaknummer 08/6906. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A. De beroepen zijn gelijktijdig behandeld. Ter zitting heeft eiser het eveneens door hem ingestelde beroep tegen een VAR-row ”ontwerp software” ingetrokken. Dit beroep stond bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 08/6902.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft in verband met het voornemen om diverse werkzaamheden te gaan verrichten onder de bedrijfsnaam “[naam]” voor het jaar 2008 Verklaringen arbeidsrelatie (hierna: VAR) aangevraagd voor (voor zover van belang) werkzaamheden omschreven als 1) “chauffeursdiensten”, 2) “koeriersdiensten”, en 3) “advies geven met betrekking tot en het doen van administraties”.

2.2. Eiser heeft vanaf medio 2008 tot eind 2008 voor twee opdrachtgevers administratieve werkzaamheden verricht. Deze opdrachtgevers waren B en C. Met de opdrachtgevers heeft eiser mondeling afspraken gemaakt over de te verrichten werkzaamheden. De werkzaamheden voor B verrichtte eiser in de desbetreffende periode gedurende vijf dagen per week op het kantoor van B. B had tevens werknemers in loondienst die dezelfde werkzaamheden verrichtten als eiser. De werkzaamheden voor C verrichtte eiser vanuit huis gedurende de avonden en de weekends. Eiser was de enige die dergelijke werkzaamheden voor C verrichtte. Eiser heeft in het verleden bij beide opdrachtgevers in loondienst gewerkt.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht drie maal een VAR-row heeft afgegeven of dat verweerder VAR’s had moeten afgeven waarin de door eiser te ontvangen vergoedingen werden aangemerkt als winst uit onderneming (hierna: VAR-wuo).

3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder drie maal een VAR-wuo had moeten afgeven. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder te gelasten drie maal een VAR-wuo af te geven.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij terecht drie maal een VAR-row heeft afgegeven.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid in de zaken 08/6904 en 08/6905

4.1. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard in de van belang zijnde periode geen chauffeurs- of koerierswerkzaamheden te hebben verricht en geen vergoedingen te hebben ontvangen voor het verrichten van dergelijke diensten. Een VAR is ten hoogste één kalenderjaar geldig (artikel 3.156, vierde lid, van de Wet IB 2001; tekst 2008). De rechtbank kan in haar uitspraak derhalve slechts oordelen over de kwalificatie van vergoedingen die zijn ontvangen voor in de van belang zijnde periode verrichte werkzaamheden, derhalve 2008. Nu eiser werkzaamheden waarop de bestreden VAR’s zien, niet heeft verricht in de van belang zijnde periode, ontbreekt bij eiser het vereiste procesbelang bij de beoordeling van de hiervoor vermelde werkzaamheden. Hij heeft immers over die periode geen inkomsten uit zodanige werkzaamheden ontvangen die alsnog zouden moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming. Eiser kan daarom door het beroep niet in een gunstiger positie komen. Zodanig belang ontstaat niet door het feit dat eiser voornemens is om in latere jaren dergelijke werkzaamheden te gaan verrichten, nu een VAR slechts ziet op het jaar waarvoor deze wordt verstrekt.

4.2. Eiser dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de beroepen met zaaknummers AWB 08/6904 en 08/6905 vanwege het ontbreken van procesbelang.

Arbeidsrelatie administratieve diensten (zaak 08/6906)

4.3. Op grond van artikel 3.156, eerste lid, van de Wet IB 2001 kan de belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij in een kalenderjaar geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of arbeidsrelaties waarin sprake is van dezelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als winst uit onderneming, als loon of als resultaat uit overige werkzaamheden, een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4.4. Beslissend voor het geschilpunt is het antwoord op de vraag of eiser de administratieve werkzaamheden heeft verricht in het kader van een onderneming. Het is aan eiser de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat dit het geval is.

4.5. Als onderneming valt aan te merken een duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal van kapitaal deel te nemen aan het maatschappelijke productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Bij de beoordeling of er sprake is van een onderneming dient onder meer met de volgende factoren rekening te worden gehouden:

- de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden;

- de grootte van de bruto-baten;

- de winstverwachting;

- het lopen van (ondernemers)risico;

- de beschikbare tijd;

- de bekendheid die naar buiten toe aan de werkzaamheid wordt gegeven;

- het aantal opdrachtgevers;

- het spraakgebruik.

4.6. Eiser heeft zich onder meer beroepen op de feiten zoals hiervoor onder 2.1 en 2.2 vermeld ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een onderneming. Wat ondernemersrisico betreft heeft eiser onweersproken gesteld dat hij het risico loopt van niet-betaling bij arbeidsongeschiktheid en ziekte. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij zichzelf beschouwt als ondernemer en dat hij de intentie heeft om verschillende werkzaamheden onder eigen regie en planning te gaan verrichten. Daarvoor heeft hij naar eigen zeggen al een aantal potentiële opdrachtgevers, echter de concretisering van deze voornemens is afhankelijk van het verkrijgen van de volgens eiser juiste VAR, derhalve een VAR-wuo. Wanneer eiser hierover beschikt is hij tevens voornemens schriftelijke voorwaarden op te stellen waaronder hij de werkzaamheden zal gaan verrichten. Opdrachtgevers krijgt hij via zijn netwerk, aldus eiser.

4.7. Uit hetgeen hij heeft aangevoerd en daaromtrent is komen vast te staan, kan niet de conclusie worden getrokken dat de door eiser verrichte administratieve werkzaamheden zijn verricht in het kader van een onderneming. Het aantal opdrachtgevers en de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd duiden niet op de voor een onderneming vereiste duurzame organisatie. Het risico dat eiser loopt van niet-betaling bij arbeidsongeschiktheid en ziekte is op zich niet voldoende voor het aannemen van een onderneming. Het bestaan van een onderneming dient beoordeeld te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden in de periode waarvoor de VAR wordt afgegeven, zodat de enkele wil van eiser om een onderneming te drijven niet beslissend is voor het aannemen hiervan. Evenmin kan de intentie om activiteiten te gaan verrichten die er wellicht op termijn toe leiden dat sprake is van werkzaamheden verricht binnen het kader van een onderneming, ertoe leiden dat hiervan sprake is.

4.8. Nu de door eiser verrichte werkzaamheden niet zijn verricht in het kader van een onderneming zijn de inkomsten die eiser heeft genoten uit deze werkzaamheden niet aan te merken als winst uit onderneming en moet er - binnen de grenzen van het geschil - van worden uitgegaan dat verweerder terecht een VAR-row heeft afgegeven.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep met zaaknummer 08/6906 ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen met zaaknummers 08/6904 en 08/6905 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep met zaaknummer 08/6906 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C. van As, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.