Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4553

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
15-700551-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; geldigheid dagvaarding; hennepteelt; criminele organisatie; Vrijspraak ter zake van hennepteelt en criminele organisatie. Enkel het aantreffen van een getekend huurcontract voor het pand, waaromtrent verdachte ter terechtzitting heeft verklaard daarvan niets af te weten, is onvoldoende om het medeplegen van de hennepteelt in dat pand aan wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Vrijspraak hennepteelt. Geen gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten. Vrijspraak criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700551-09

Uitspraakdatum: 16 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 augustus 2009 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [perceel B]) (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, althans 400 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, (telkens) zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 6 augustus 2009 te Haarlem, en/of Zaandam en/of Zwanenburg en/of Uithoorn, en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk - het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of - het meermalen, althans eenmaal opzettelijk aanwezig hebben van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep.

De rechtbank zal het onder 3 ten laste gelegde feit hierna aanduiden als het onder 2 ten laste gelegde feit.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit omdat niet nader is omschreven uit welke personen de criminele organisatie bestaan zou hebben. Zij stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding ten aanzien van dat feit om die reden onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De omschrijving van het onder 2 ten laste gelegde feit biedt, in samenhang met het dossier, zoals dat is verstrekt aan de rechtbank en de verdediging, een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van het aan verdachte gemaakte verwijt. Bij de behandeling ter terechtzitting is ook gebleken dat het verdachte duidelijk was waartegen hij zich had te verdedigen. Daarmee voldoet de tenlastelegging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan de eisen die door artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Tevens heeft zij gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdvierennegentig (194) dagen waarvan honderdvijftig (150) dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee (2) jaar alsmede tot een werkstraf voor de duur van tweehonderd en veertig (240) uur, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door honderdtwintig (120) dagen hechtenis.

4. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en moet verdachte daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In een pand aan [perceel B] te Zwanenburg is door de politie een hennepplantage aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ten aanzien van deze plantage verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte 2] betrokken waren bij het opzetten daarvan en het telen en oogsten van de planten. Ook in het pand aan [perceel C] is in 2007 een hennepplantage aangetroffen door de politie. [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 2] op naam van verdachte zowel voor [perceel B] als voor de [perceel C] een huurcontract heeft opgesteld, opdat verdachte zou opdraaien voor de in die panden gevestigde hennepkwekerijen, mochten deze ontdekt worden door de politie. Medeverdachte [medeverdachte 1] noemt verdachte de sukkel die ervoor zou opdraaien als het fout zou gaan.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat enkel het tekenen van een huurcontract voor het pand aan de [perceel C] te Uithoorn en het aantreffen van een getekend huurcontract voor het pand aan de [perceel B] te Zwanenburg , waaromtrent verdachte ter terechtzitting heeft verklaard daarvan niets af te weten, onvoldoende is om het medeplegen van de hennepteelt in het pand aan de [perceel B] te Zwanenburg wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de stukken van het dossier wordt genoegzaam duidelijk dat verdachte een huurcontract heeft getekend voor het pand aan de [perceel C] te Uithoorn en dat een ondertekend huurcontract is aangetroffen voor de [perceel B] te Zwanenburg. Ook kwam verdachte wel eens in de growshop van medeverdachte [medeverdachte 2] om, naar eigen zeggen, het blad Essensie te kopen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat deze feitelijke gegevens op zichzelf onvoldoende basis vormen om te kunnen spreken van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde feit.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

6. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. J.C. van den Bos en A.J. Medze, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2009.

Mr. J.C. van den Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.