Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4539

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
15-700529-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; geldigheid dagvaarding; hennepteelt; hennephandel; witwassen; criminele organisatie; Vrijspraak ter zake van criminele organisatie. Veroordeling ter zake van hennepteelt, handel in hennep en witwassen. Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaren tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de handel in hennep vanuit de growshop van zijn medeverdachte . Daarbij heeft verdachte gedurende deze periode tevens in een loods tezamen en in vereniging met anderen een hennepkwekerij gehad, waaraan hij de laatste anderhalf jaar actief heeft meegewerkt. Naast deze hennepkwekerij had hij in deze periode tezamen en in vereniging met anderen nog een andere hennepkwekerij. Tevens is in zijn eigen woning een ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen. Verdachte heeft voorts tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte een groot contant geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – van misdrijf afkomstig was. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700529-09

Uitspraakdatum: 16 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 tm 6 augustus 2009 te Haarlem en/of Amsterdam en/of Zwaneburg en/of Zaandam, en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad op een of meer lokaties namelijk (in een pand aan [perceel A] te Amsterdam en/of in een pand aan [perceel B] te Zwanenburg en/of in een pand aan [perceel C] te Uithoorn en/of in een pand aan [perceel D] te Zaandam) (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 08 augustus 2009 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, (telkens) zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 03 augustus 2009 te Haarlem (in een pand aan [perceel E] en/of in een nabij geparkeerde auto) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7017 gram (7 kilo), zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 26 augustus te Zaandam (in een pand aan [perceel D]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,300 gram (16,3 kilo) henneptoppen, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 03 augustus 2009, te Haarlem, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 22.305,00 Euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

6.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 03 augustus 2009 te Haarlem en/of Zaandam en/of Zwanenburg en/of Uithoorn en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstreken en/of vervoeren van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig hebben van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep;

- het meermalen, althans eenmaal, witwassen van (een)(door een of meer van bovengenoemde misdrijven verkregen) geldbedrag(en).

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit omdat niet nader is omschreven uit welke personen de criminele organisatie bestaan zou hebben. Zij stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding ten aanzien van dat feit om die reden onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De omschrijving van het onder 6 ten laste gelegde feit biedt, in samenhang met het dossier, zoals dat is verstrekt aan de rechtbank en de verdediging, een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van het aan verdachte gemaakte verwijt. Bij de behandeling ter terechtzitting is ook gebleken dat het verdachte duidelijk was waartegen hij zich had te verdedigen. Daarmee voldoet de tenlastelegging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan de eisen die door artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot (partiële) vrijspraak ten aanzien van het telen van hennep op de locatie [perceel A] te Amsterdam zoals mede onder 1 ten laste gelegd, bewezenverklaring van de onder 1 voor het overige, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig (21) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslaggenomen voorwerpen, op de desbetreffende lijst opgenomen onder de nummers 23 tot en met 37, verbeurd worden verklaard.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte onder 1 met betrekking tot het telen van hennep op de locatie [perceel A] te Amsterdam ten laste is gelegd, nu zich in het dossier onvoldoende informatie bevindt over het aantreffen van deze hennepkwekerij en de eventuele betrokkenheid van verdachte daarbij. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.2. Vrijspraak feit 6

De rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte in meer of mindere mate samenwerkte met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij onder andere het telen van hennep. De rechtbank is echter met de raadsvrouw van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat daarbij sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband zoals begrepen dient te worden onder de in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen term organisatie. De rechtbank acht de betrokkenheid van [medeverdachte 2] hiervoor te gering, nu immers niet meer kan worden vastgesteld dan dat zijn naam als die van onderhuurder voorkomt in overeenkomsten van onderhuur ten aanzien van een tweetal locaties waar hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Uit het dossier komt weliswaar naar voren dat tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een nauwere samenwerking bestond, maar de rechtbank acht deze samenwerking op zichzelf onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van deelnemen aan een criminele organisatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 6 ten laste gelegde feit.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Op 16 juli 2009 is tijdens een observatie door de politie in een ander opsporingsonderzoek onder de naam Tavira gezien dat veel klanten van de Growshop [bedrijfsnaam 1], gelegen aan [perceel E] in Haarlem, met de auto aankwamen, via de voordeur het pand betraden en aan de achterzijde via een garagedeur weer naar buiten kwamen. De klanten betraden met lege handen het pand en kwamen er met dozen weer uit.

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel bleek dat de growshop aan de [perceel E] op naam stond van [medeverdachte 1] en dat informatie vanuit het politiesysteem aangaf dat [medeverdachte 1] reeds geruime tijd in verband wordt gebracht met hennep(handel).

Getuige [getuige 1], onder meer werkzaam als installateur van beveiligings- en camerasystemen, heeft verklaard dat hij op 16 juli 2009 nabij de achterdeur van de growshop aan [perceel E] drie grijze vuilniszakken vol met meer dan vermoedelijk henneptoppen heeft gezien. Hij heeft voorts gezien dat verdachte de toppen aan het wegen was.

In de ochtend van 3 augustus 2009 werd verbalisant [verbalisant 1] gebeld door getuige [getuige 1], die aangaf dat hij op 31 juli 2009 een gesprek in de growshop had opgevangen tussen verdachte en een man uit Zandvoort. De man uit Zandvoort had tegen verdachte gezegd: “Ik ga weer knippen en ik kom het maandag brengen.” Volgens de getuige zou de man maandag 3 augustus 2009 tussen 13.00 uur en 17.00 uur leveren en zou dit meer dan vermoedelijk gaan om hennep dan wel de toppen daarvan.

Op grond van het voorgaande is op 3 augustus 2009 de growshop [bedrijfsnaam 1] in observatie genomen. Op 3 augustus 2009 om 12.55 uur werd gezien dat een grijskleurige bestelbus, van het merk Mercedes, type Vito CDI en voorzien van kentekennummer [kenteken] kwam aanrijden en parkeerde in de [straatnaam]. Een man, die later verdachte bleek te zijn, stapte uit de auto en liep vervolgens naar de voordeur van de growshop. De man droeg een blauwkleurige tas, gelijkend op een AH boodschappentas, bij zich en ging naar binnen.

Om 13.05 uur kwam er een man aanlopen, die via de voordeur naar binnen ging.

Om 13.10 uur zagen de observerende verbalisanten een oudere en een jonge man aan komen lopen En via de voordeur de growshop binnengaan. De jonge man droeg een grote blauwkleurige weekendtas.

Om 13.20 uur zagen verbalisanten dat deze mannen de growshop verlieten en dat de jonge man een zwartkleurige weekendtas met zich mee droeg. Beide mannen stapten in een personenauto van het merk Volkswagen, type Jetta voorzien van het kenteken [kenteken].

Om 13.45 uur ging een man, die later opgaf te zijn genaamd [betrokkene 1] via de voordeur de growshop binnen.

Verbalisanten zagen dat verdachte om 13.50 uur een weekendtas uit de Mercedesbus pakte en met deze tas weer naar binnen ging.

Om 14.00 uur zagen verbalisanten dat een roodkleurige bestelauto met het kenteken [kenteken] en tenaamgesteld op [medeverdachte 3] kwam aanrijden. Een man, die later opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 3], liep de growshop binnen.

Om 14.01 uur kwam verdachte naar buiten met een donkerblauwe weekendtas in zijn hand. Hij stopte deze tas vervolgens in de grijze Mercedes en liep zonder goederen weer terug.

Om 14.02 uur zagen verbalisanten een personenauto voorzien van kenteken [kenteken] en tenaamgesteld op [betrokkene 2] aan komen rijden. Een manspersoon die verbalisanten om 13.05 uur al hadden waargenomen, stapte uit en stopte een vuilniszak in de kofferbak.

Op grond van deze observaties zijn verbalisanten op 3 augustus 2009 de growshop [bedrijfsnaam 1] binnengetreden en hebben daar twee personen aangetroffen, te weten verdachte en [betrokkene 1]. Beide personen bevonden zich in een kleine ruimte achter de glazen deuren, die deze ruimte scheidden van de winkelruimte. In deze ruimte stonden rondom langs de wanden stellages die van de vloer tot het plafond vol stonden met flessen voedingsmiddelen en groeimiddelen die gebruikt worden bij hennepplantages.

Kort na het binnentreden werd gezien dat het rolluik werd geopend door een onbekende man, die opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] betrof de persoon die om 14.00 uur was komen aanrijden en de winkel was binnengelopen. In de achterbak van de auto van [medeverdachte 3] werd 4048 gram gedroogde hennep aangetroffen.

In een kantoorruimte achterin het pand zagen verbalisanten een stelling staan met daarin onder meer verpakkingen met ventilatoren, armaturen, stapels met tientallen zilverkleurige grote sealzakken en doorzichtige gripzakken met afsluitstrip. De zilverkleurige sealzakken werden herkend als gebruikelijk verpakkingsmateriaal voor grote partijen hennep die bij eerdere onderzoeken in coffeeshops en woningen werden aangetroffen.

Verbalisanten zagen dat verdachte direct bij het bureau ging staan en dat hij een zwart lederen tas en een Albert Heijn tas pakte en deze naast het bureau neerzette. Verdachte antwoordde bevestigend op de vraag van een van de verbalisanten of deze twee tassen van hem waren. Op de vraag van verbalisant of deze in de tas mocht kijken, pakte verdachte de tas en opende deze vluchtig waarna hij deze weer probeerde weg te zetten. Verbalisant trof vervolgens in de zwart lederen tas een klein zwart tasje aan, dat helemaal vol bleek te zitten met eurobiljetten in diverse kleuren. Verbalisant zag dat de Albert Heijn tas eveneens goed gevuld was met diverse eurobiljetten in grote coupures. In totaal is een bedrag van 22.305 euro aangetroffen in de tassen van verdachte.

In de bestelbus van verdachte van het merk Mercedes Vito is vervolgens een grote donkerblauwe weekendtas aangetroffen met daarin een grote zilverkleurige sealbag en een doorzichtige plastic sealzak waarin een grote hoeveelheid henneptoppen zichtbaar was. In de laadruimte van de Mercedes lagen twee grote boodschappentassen in elke waarvan een grote zilverkleurige sealbag zat. In totaal is in de auto van verdachte een hoeveelheid van 7017 gram gedroogde hennep aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in juli 2007 voor het eerst op de growshop [bedrijfsnaam 1] van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gelet. Hij stond in de growshop als medeverdachte [medeverdachte 1] op vakantie was en hij hielp af en toe op zaterdag. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegen verdachte gezegd dat er tijdens zijn afwezigheid mensen zouden kunnen komen die hennep kwamen brengen en dat verdachte het in ontvangst moest nemen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zou vervolgens het geld en de verkoop van de hennep regelen, aldus verdachte. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij sinds 3,5 jaar weet dat medeverdachte [medeverdachte 1] hennep verhandelt vanuit de growshop.

Verdachte heeft voorts verklaard dat er op 3 augustus 2009 rond één uur mensen binnen kwamen die een tas hennep kwamen brengen. Medeverdachte [medeverdachte 1] had al verteld dat er hennep zou worden gebracht en dat het dan weer zou worden opgehaald. Verdachte heeft vervolgens de hennep gewogen en in een tas gedaan en in zijn Mercedes Vito gestopt. Verdachte dacht dat dit ongeveer vier kilo hennep betrof.

Daarnaast is er ene [voornaam 1] langs geweest die ook hennep kwam brengen. Dit betrof ongeveer drie en een halve kilo, aldus verdachte. Verdachte heeft ook dit in zijn Mercedes Vito gelegd. De hennep zou daarna worden opgehaald door een [voornaam 2] of door een [voornaam 3].

In de auto van [medeverdachte 3], die op 3 augustus 2009 de growshop binnenging en bij het verlaten daarvan werd aangehouden, is ruim 4 kilo gedroogde hennep aangetroffen. Voorts zijn in de slaapkamer van diens woning aan de [perceel F] te Zandvoort onderdelen van een reeds ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen en bleek zich in de kelder een hennepkwekerij te bevinden, waarvan de planten inmiddels verdwenen waren.

[medeverdachte 3] heeft op 21 augustus 2009 verklaard dat hij al twee tot tweeënhalf jaar bezig is met het kweken van hennep en dat hij weet dat er hennep wordt verkocht in de growshop sinds hij daar voor het eerst geleverd heeft, zo’n tweeënhalf jaar geleden. Sinds die tijd heeft hij contact met medeverdachte [medeverdachte 1] en sinds ongeveer 12 weken met verdachte. Hij weet dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte afspraken maken met hun klanten over de aankoop van hennep. [medeverdachte 1] heeft destijds tegen hem gezegd dat hij de opbrengst bij hem kon inleveren.

Op 3 augustus 2009 is [medeverdachte 3] naar de growshop [bedrijfsnaam 1] gegaan om te kijken of men daar vier kilo wiet voor hem kon verkopen.

Op 3 augustus 2009 werd eveneens gezien dat twee mannen de growshop binnengingen met een blauwe weekendtas en de growshop weer verlieten met een zwarte grote weekendtas. De volkswagen Jetta waar de mannen in plaatsnamen bleek gebruikt te worden door [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] verklaarde dat hij op 3 augustus 2009 om 13.00 uur met zijn vriend [betrokkene 4] in de growshop te Haarlem was. Zij waren daar omdat [betrokkene 4] 2,6 kilo gedroogde henneptoppen had die hij wilde verkopen.

Op 23 augustus 2009 heeft vervolgens een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [betrokkene 4] aan de [adres] te Amstelveen. In een kamer van deze woning is een volledig in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met vijftig hennepplantjes. Eveneens werden twee zakken met gedroogde hennep met een nettogewicht van 1,1 kilogram aangetroffen. [Betrokkene 4] heeft verklaard dat hij drie zakken met daarin de opbrengst van zijn plantage, te weten 2660 gram gedroogde hennep, heeft verkocht aan de growshop [bedrijfsnaam 1] te Haarlem. De naam van [betrokkene 3] en de hoeveelheid werden door verdachte in [bedrijfsnaam 1] opgeschreven.

Anders dan de raadsvrouw van verdachte acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat een deel van het geldbedrag dat bij hem in beslag is genomen, te weten 12.000,- euro, afkomstig is van de verkoop van een auto, onaannemelijk. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij het aantreffen van het geldbedrag heeft verklaard dat het kasgeld betrof en dat hij pas op 2 september 2009 heeft verklaard dat het geldbedrag deels afkomstig zou zijn van de verkoop van een auto. Verdachte heeft bij die gelegenheid niet willen zeggen wie de koper van de auto was, zonder daarvoor een aannemelijke reden te geven. Ter terechtzitting is door de raadsvrouw van verdachte een kopie van een e-mailbericht overgelegd waarin staat dat [betrokkene 5] op 3 augustus 2009 een auto van het merk Austin Sheerline van verdachte heeft gekocht en daarvoor 12.000,- euro contant heeft betaald. Onder de zojuist geschetste omstandigheden en in aanmerking genomen het feit dat verdachte geen kwitantie aangaande de verkoop kan overhandigen, terwijl hij een legaal bedrijf heeft, acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit geldbedrag daadwerkelijk afkomstig is van de opbrengst van de verkoop van een auto.

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat de overige 10.000,- euro kasgeld betreft van growshop [bedrijfsnaam 1] en dat hij 4.000,- euro van medeverdachte [medeverdachte 1] had gekregen om goederen in te kopen.

Gelet op deze verklaring van verdachte en de vaststelling van de rechtbank dat de 12.000,- euro niet afkomstig zijn van de verkoop van de auto, zou verdachte in korte tijd meer dan 18.000,- euro moeten hebben omgezet door de verkoop van goederen, waaronder zakken met aarde, lampen en groeimiddelen, uit de growshop, hetgeen de rechtbank onaannemelijk acht. Gelet op het ontbreken van een aannemelijke verklaring betreffende de herkomst van het aangetroffen geldbedrag en gelet op de hiervoor door de rechtbank vastgestelde betrokkenheid van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] bij de handel in hennep vanuit de growshop, betreft het geldbedrag dat onder verdachte in beslag is genomen kennelijk de opbrengst van de verkoop van hennep. Gelet op het voorgaande en mede gelet op het feit dat er geen kasregistratie plaatsvond in de growshop, alsmede de wijze waarop het contante geld voorhanden was, te weten in een plastic tas en een leren zwarte tas en tenslotte de wijze waarop verdachte reageerde op de vraag van verbalisanten of zij in de tas mochten kijken, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat het totale onder hem in beslag genomen geldbedrag afkomstig was van enig misdrijf.

Na aanhouding van verdachte werd in diens bestelbus een nota aangetroffen van PWN met het adres [perceel B] te Zwanenburg. Op 4 augustus 2009 bleek dat verdachte bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2], gevestigd in onder andere het perceel [perceel B] te Zwanenburg.

Op grond van deze bevindingen is de politie op 6 augustus 2009 binnengetreden in een loods, zijnde een bedrijfsruimte - en niet zoals de raadsvrouw kennelijk lijkt te veronderstellen een woning - aan de [perceel B], welk pand sinds 1 juni 2006 door verdachte werd gehuurd. In deze loods werd op de eerste etage een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met 400 hennepplanten. In totaal is op 6 augustus 2009 een hoeveelheid van 18,9 kilo netto gedroogde hennep aangetroffen.

Verdachte heeft hierover verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] anderhalf tot twee jaar geleden met het plan kwam om een hennepplantage op te zetten in het pand aan de Venenweg. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daar een paar mensen de hennepplantage laten plaatsen, aldus verdachte. Volgens verdachte zat er sinds zo’n twee jaar een hennepplantage in het pand aan de Venenweg en bemoeide hij zich sinds anderhalf jaar zelf met de hennepplantage en hield hij deze een beetje bij. Verdachte kreeg naar eigen zeggen van medeverdachte [medeverdachte 1] een niet onaanzienlijk deel van de opbrengst van de oogst van de hennep uit het bedrijfspand aan de Zwanenburg. Verdachte kreeg ongeveer 1.500,- euro per maand.

Door de opsporingsambtenaren die in de loods van verdachte aan de [perceel B] te Zwanenburg zijn binnengetreden op grond van de hen door artikel 9 van de Opiumwet gegeven bevoegdheid daartoe, is in een bruine kast met lades een laptop aangetroffen, die in beslag is genomen. Het openen van een dergelijke lade betreft een handeling die valt onder het doorzoeken van een plaats. De bevoegdheid tot toegang op grond van artikel 9 lid 1 van de Opiumwet in combinatie met de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van artikel 9 lid 3 van de Opiumwet biedt echter niet de bevoegdheid tot het doorzoeken van de binnengetreden plaats (HR 21 oktober 2003, NJ 2007, 9). De rechtbank stelt derhalve vast dat sprake is van een vormverzuim, dat niet meer kan worden hersteld. De rechtbank overweegt dat de ernst van het verzuim evenwel gering is, nu de laptop aan verdachte is geretourneerd zonder dat (delen van) de in die laptop opgeslagen gegevens in het dossier zijn weergegeven. De rechtbank stelt verder vast dat het door het verzuim aan verdachte toegebrachte nadeel eveneens gering is. Weliswaar kan gesteld worden dat het recht op privacy van verdachte is geschonden, maar deze schending is beperkt gebleven nu de onrechtmatige zoekingshandeling plaatsvond in een bedrijfsruimte en niet in de woning van verdachte en voorts is de laptop geretourneerd zonder dat gegevens hieruit in het dossier zijn opgenomen. De rechtbank zal om die redenen geen consequenties verbinden aan het vormverzuim.

Op 20 augustus 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [perceel D] te Zaandam. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat redelijkerwijs vermoed kon worden dat aldaar een overtreding van de Opiumwet gepleegd zou worden, gelet op de observaties op 3 augustus 2009, het aantreffen van ruim 7 kilo hennep in de bestelbus van verdachte alsmede het aantreffen van een hennepplantage op de [perceel B] te Zwanenburg. De rechtbank acht de doorzoeking van het pand aan de [perceel D] te Zaandam derhalve rechtmatig.

Op de begane grond van deze woning is een zogenaamde hennep-droogruimte aangetroffen. In deze ruimte zijn onder andere zes zakken hennep aangetroffen. Op de eerste etage is tevens een ontmantelde hennepplantage aangetroffen. In totaal betrof het een netto hoeveelheid van 16,3 kilogram hennep.

Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn woning aan de [perceel D] te Zaandam een niet in werking zijnde hennepplantage had. De hennepplantage heeft volgens verdachte een keer in januari 2009 gedraaid. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de aangetroffen 16 kilo afval en resten van hennepplanten betreft.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ruim 16 kilo henneptoppen voorhanden heeft gehad, nu niet uitgesloten kan worden dat de op 20 augustus 2009 aangetroffen hoeveelheid geheel of grotendeels plantenresten betreft, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Gelet op de verklaring van verdachte dat de hennepplantage in januari 2009 wel een keer heeft gedraaid, kan echter wel worden vastgesteld dat verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009 een hoeveelheid henneptoppen van meer dan 30 gram voorhanden heeft gehad.

Op 2 februari 2007 was reeds een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen in het pand aan de [perceel C] te Uithoorn. Verdachte heeft verklaard dat hij het pand aan de [perceel C] huurde vanaf augustus/september 2006. Ter terechtzitting d.d. 2 november 2009 heeft verdachte voorts verklaard dat hij wist dat er in het pand aan de [perceel C] een hennepkwekerij aanwezig was. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] een huurcontract voor de [perceel C] heeft opgesteld, zodat [medeverdachte 2] in geval van ontdekking zou opdraaien voor de hennepkwekerij.

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 augustus 2009 te Haarlem en/of Zwanenburg en/of Zaandam en/of Uithoorn, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan de [perceel B] te Zwanenburg en in een pand aan de [perceel C] te Uithoorn en in een pand aan de [perceel D] te Zaandam, telkens een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 8 augustus 2009 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, telkens een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 3 augustus 2009 te Haarlem in een pand aan [perceel E] en/of in een nabij geparkeerde auto tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7017 gram (7 kilo), zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 26 augustus 2009 te Zaandam in een pand aan de [perceel D] opzettelijk aanwezig heeft gehad meer dan 30 gram henneptoppen, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op 3 augustus 2009, te Haarlem, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 22.305,00 Euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van de feiten 1 en 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van feit 3: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van feit 4: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van feit 5: medeplegen van witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de hoofdstraf

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaren tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de handel in hennep vanuit de growshop van medeverdachte [medeverdachte 1] te Haarlem. Daarbij heeft verdachte gedurende deze periode tevens in een loods aan [perceel B] te Zwanenburg tezamen en in vereniging met anderen een hennepkwekerij gehad, waaraan hij de laatste anderhalf jaar actief heeft meegewerkt. Naast deze hennepkwekerij had hij in deze periode tezamen en in vereniging met anderen nog een andere hennepkwekerij in een pand aan [perceel C] te Uithoorn. Tevens is in zijn eigen woning aan de [perceel D] te Zaandam een ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen.

Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep, zeker wanneer dat gebeurt op een schaal als waarvan hier sprake is, worden grote illegale winsten behaald. Daarmee heeft het kweken van hennep een sterk corrumperende werking. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor gebruikers uit louter winstbejag zich gedurende lange tijd op grote schaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van het kweken van hennep alsmede de handel daarin.

Daarbij dient wel te worden aangetekend dat verdachte een beduidend minder grote rol heeft gehad in de handel in hennep vanuit de growshop alsmede de plaatsing van de hennepkwekerij in de loods aan de [perceel B] dan medeverdachte [medeverdachte 1]. Het initiatief tot de plaatsing van de hennepkwekerij in een pand aan de [perceel B] te Zwanenburg en de handel vanuit de growshop is uitgegaan van medeverdachte [medeverdachte 1].

Verdachte heeft voorts tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] een groot contant geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – van misdrijf afkomstig was. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de fiscus te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de hoogte van de straf in verhouding tot die welke wordt opgelegd aan zijn medeverdachte tevens rekening met de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling zoals neergelegd in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een zwarte leren herentas, een blauwe plastic AH tas, een blauwe sporttas, een brief, twee documenten, een map met administratie, diverse soorten sealzakken, een weegschaal, een sleutel van de Mercedes Vito en een bestelauto van het merk Mercedes-Benz Vito en hennepresten, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot respectievelijk met behulp van deze voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht

3, 11 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 6 ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

Beslagbeslissing als vermeld in vonnis.

Beveelt de gevangenneming van verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 4.

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. J.C. van den Bos en A.J. Medze, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2009.

Mr. J.C. van den Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.