Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4415

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
08-3252
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Zodange gebreken in de loonadministratie dat de vof niet aan haar administratieverplichtingen heeft voldaan. Bewijslast terecht omgekeerd. Redelijke schatting. Boete, redelijke termijn overschreden. Korting 20%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2594

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3252

Uitspraakdatum: 20 november 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de vennootschap onder firma X, gevestigd te Z, hierna: de vof,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft ten name van de vof over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 met dagtekening 31 augustus 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van € 112.689, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 112.689.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak van 12 december 2005 de tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 26 november 2007 heeft deze rechtbank die uitspraak op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

1.2. Verweerder heeft bij nieuwe uitspraak op bezwaar van 26 februari 2008 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Tegen de (tweede) uitspraak op bezwaar is (tijdig) beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 12 mei 2009. Het onderzoek ter zitting is die dag geschorst. De rechtbank heeft aan verweerder schriftelijk vragen gesteld. A en B, vennoten van de vof, en verweerder hebben de vragen beantwoord. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 29 oktober 2009. B is verschenen, bijgestaan door C, tolk in de Turkse taal. Namens verweerder zijn verschenen D, E en F. A is bij aangetekende brief van 31 augustus 2009 uitgenodigd ter zitting te verschijnen. Nadat de brief teruggekomen was op de rechtbank en uit onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens was gebleken dat de heer A stond ingeschreven op het adres waarheen de uitnodiging is gezonden, is de uitnodiging nogmaals, per gewone post, aan hem toegezonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De vof is opgericht op 10 januari 2000 door A en B en voerde vanaf 2001 tevens de handelsnaam G. De vof is in 2003 of 2004 beëindigd.

2.2. De ondernemingsactiviteiten van de vof bestonden uit het uitlenen van personeel voor onder meer staalvlechtwerkzaamheden. In de periode 2000 tot en met 2002 heeft de vof onder meer personeel te werk gesteld in het kader van het project H.

2.3. Verweerder heeft vanaf 25 augustus 2003 bij de vof een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over de jaren 2000 tot en met 2002. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 juli 2004. Lopende het onderzoek heeft verweerder aan de vof, bij brief van 28 april 2004, kennisgegeven van zijn voornemen een vergrijpboete op te leggen.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht tot de onder 1.1 genoemde bedragen een naheffingsaanslag en een vergrijpboete heeft opgelegd.

3.2. Verweerder voert aan dat de vof niet heeft voldaan aan de wettelijke administratieplicht en dat de (loon)administratie van de vof verregaand ondeugdelijk en onbetrouwbaar is. Hij heeft geconcludeerd dat in de administratie verloonde uren voor personeel niet juist zijn geboekt omdat van uren is vermeld dat personeel van derden zou zijn ingeleend en dat daarvoor geen loonheffing is aangegeven of afgedragen, terwijl verweerder voor die uren geen inkoopfacturen in de administratie heeft aangetroffen. Voorts is op manurenstaten personeel vermeld dat reeds uit dienst was of nog niet in dienst was genomen. Verweerder heeft de naheffing berekend op basis van uren waartegenover hij in de administratie geen inkoopfacturen heeft aangetroffen en op basis van de geboekte uren voor personeel dat niet meer of nog niet in dienst was. Hij beroept zich op de zogenaamde omkering van de bewijslast. De vergrijpboete baseert verweerder op artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Ter zitting heeft verweerder het nader standpunt ingenomen dat de boete in plaats van op 100% gesteld moet worden op 40% van het nageheven bedrag.

3.3. Namens de vof is aangevoerd dat verweerder ten onrechte concludeert dat de administratie van de vof niet juist is. Namens de vof wordt geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag en de boete.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank stelt vast, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, dat de vof sedert in elk geval ultimo 2004 niet langer bestaat, maar dat de (voormalig) vennoten als belanghebbenden namens de vof beroep hebben kunnen instellen tegen de naheffingsaanslag en de vergrijpboete, zoals zij ook hebben gedaan.

4.2. De rechtbank zal eerst onderzoeken of verweerder terecht aanvoert, dat de (loon)administratie van de vof niet voldeed aan de daaraan op grond van artikel 52 AWR te stellen eisen en dat er daarom grond is voor omkering van de bewijslast. Verweerder heeft aangevoerd, dat hij voorafgaand aan het boekenonderzoek beschikte over enkele manurenstaten van personeel van de vof, die hij had ontvangen van opdrachtgevers binnen het project H. De manurenstaten van de opdrachtgevers weken, zo stelt verweerder, af van de gegevens in de administratie van de vof. De loonstaten in de administratie van de vof zijn, zo is namens de vof aan verweerder verklaard, achteraf opgemaakt. Volgens verweerder is namens de vof tijdens het onderzoek ook erkend dat de manurenstaten in de administratie niet correct waren. De toenmalig adviseur van de vof heeft gedurende de controle bij opdrachtgevers verkoopfacturen en daarbij horende manurenstaten opgevraagd en in een nieuw overzicht verwerkt. Volgens verweerder waren de in de administratie eerder opgenomen manurenstaten dan ook vals. Voorts zijn in de administratie wel uren opgevoerd van een onderaannemer, I BV, van een moment dat deze onderneming nog niet bestond en ontbreken in de administratie inkoopfacturen voor, gesteld, door de vof ingeleend personeel, aldus steeds verweerder.

4.3. In bezwaar (motivering van het bezwaar in een brief van 20 december 2004, gedingstuk B10) heeft de vof onder overlegging van overzichten die volgens haar afkomstig waren uit haar administratie, aangevoerd dat haar administratie wel de juiste (loon)gegevens bevatte. De rechtbank volgt de vennoten niet in dat, naar de rechtbank begrijpt, in beroep gehandhaafde standpunt. In datzelfde bezwaar wordt immers erkend dat de lonen over 2001 pas achteraf administratief zijn berekend. Voorts wijst de vof er daar zelf op dat de overzichten om de lonen achteraf te berekenen een afgeleide zijn van oorspronkelijke mandagenregisters. De vof sluit vervolgens niet uit dat die overzichten (hulplijsten genoemd) kunnen afwijken van de mandagenregisters. De vennoten hebben dus niet weerlegd dat, zoals verweerder in wezen tijdens zijn onderzoek constateerde, in de administratie van de vof niet de juiste manurenstaten voorhanden waren.

De vof had in datzelfde bezwaarschrift van eind 2004 voorts aangevoerd dat zij het bestaan van de onderaannemer I BV toen “recent” nog had geverifieerd. De vennoten hebben daarmee echter niet overtuigend weerlegd verweerders gemotiveerde stelling in de uitspraak op bezwaar, onder verwijzing naar hem uit eigen systemen bekende informatie, dat I BV eerst na 2002 is opgericht. De vennoten hebben voorts – ook niet in dat bezwaar van 20 december 2004 – niet gemotiveerd bestreden de stelling van verweerder dat tegenover een substantieel deel van de gesteld ingeleende uren geen inkoopfacturen zijn aangetroffen. Voorts hebben de vennoten met dat bezwaarschrift in wezen ook erkend dat van een viertal door hen met name genoemde werknemers (J, K, L en M), naar de rechtbank begrijpt de personeelsleden die in wel verloonde perioden niet meer of nog niet in dienst waren, de lonen niet juist zijn verantwoord.

Voorts heeft verweerder in zijn rapport nog onweersproken op enige andere gebreken gewezen, waaronder verschil in lay-out tussen in de administratie van de vof aangetroffen en van opdrachtgevers ontvangen afschriften van facturen, en zich onweersproken beroepen op een waarneming ter plaatse, naar de rechtbank begrijpt op het werk, dat bij controle kennelijk personen waren weggelopen die in naam van de vof daar werkten en zich daarmee aan controle onttrokken.

De rechtbank concludeert dat verweerder zodanige gebreken in de loonadminstratie aannemelijk heeft gemaakt, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de vof niet aan haar (loon)administratieverplichtingen heeft voldaan. Daaruit volgt dat de rechtbank het beroep tegen de naheffingsaanslag op grond van artikel 27 e AWR ongegrond moet verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Op de vennoten rust derhalve de bewijslast aan te tonen dat zij niet het bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd zijn, dat in de naheffingsaanslag is begrepen (zogenaamde omkering van bewijslast).

4.4. De vennoten hebben in dit verband geen ander bewijs bijgebracht dan de bij de motivering van het bezwaar van 20 december 2004 gevoegde overzichten. Die overzichten vormen geen primair nader bewijs van de verloonde uren maar slechts een weergave van de gegevens in de hiervoor verworpen loonadministratie. Daarmee hebben de vennoten het van hen verlangde bewijs derhalve niet geleverd.

4.5. Dat er grond is voor omkering van de bewijslast neemt niet weg dat verweerder zijn berekening van de naheffingsaanslag, die het karakter heeft van een schatting, zodanig moet onderbouwen dat geoordeeld kan worden dat sprake is van een redelijke schatting. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat van de zijde van de vof in het kader van het boekenonderzoek bij de belangrijkste opdrachtgever, N, alle verkoopfacturen en daarbij behorende manurenstaten zijn opgevraagd en dat op basis daarvan door de vof een berekening is gemaakt van de eerder niet verantwoorde uren. Verweerder heeft vervolgens alle uren voor personeel waarvan in de administratie van de vof was aangegeven dat sprake was van van derden ingeleend personeel, maar waar tegenover geen inkoopfacturen zijn aangetroffen, in de berekening betrokken alsmede het op manurenstaten vermeld personeel dat reeds uit dienst was of nog niet in dienst was. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat die berekening, zoals die is uitgewerkt in het rapport van boekenonderzoek, tot een onredelijk schatting heeft geleid. De vennoten hebben daartegenover overigens geen argumenten, anders dan een beroep op de eigen, hiervoor verworpen gegevens uit de loonadministratie, aangevoerd, die tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.6. De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep voor zover gericht tegen de naheffingsaanslag ongegrond is. De naheffingsaanslag moet derhalve in stand blijven.

4.7. De vennoten hebben tegen de oplegging van de vergrijpboete geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Uit de erkenning door de vof dat tenminste een deel van de lonen en dus kennelijk de verschuldigde loonbelasting eerst achteraf is berekend en dat van een viertal personeelsleden (J, K, L en M) de lonen niet juist zijn berekend, volgt reeds dat het aan opzet van de vof is te wijten dat de loonbelasting gedeeltelijk niet en niet binnen de gestelde wettelijke termijn is voldaan. Dat oordeel wordt voorts gerechtvaardigd door de door verweerder geschetste gebreken in de administratie, die zo heeft verweerder onweersproken gesteld, aan de vof kunnen worden toegerekend.

4.8.1. Ter zitting heeft verweerder aangegeven niet langer vast te houden aan de maximale boete van 100% van de nageheven belasting maar gezien alle omstandigheden van het geval, waaronder de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, een boete van 40% redelijk te achten. De rechtbank begrijpt dat standpunt aldus dat verweerder thans wenst te volstaan met de standaard boete in geval van opzet van 50% van de nageheven belasting, derhalve in beginsel € 56.344. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder daar, gelet op de omstandigheden van het geval, niet in te volgen en acht die boete in dit geval passend en geboden, waarbij mede in aanmerking is genomen de omstandigheid dat het bedrag van de naheffing met omkering van bewijslast is tot stand gekomen. Andere gronden voor matiging zijn gesteld noch gebleken. De huidige financiële omstandigheden van de vennoten, zijn - anders dan op dit punt ter zitting is aangevoerd - geen reden de aan de vof opgelegde boete te matigen.

4.8.2. Sedert de aankondiging van de oplegging van de vergrijpboete op 28 april 2004 is een termijn van ruim 4,5 jaar verstreken, zodat er in verband met overschrijding van een redelijke termijn voor berechting reden is een korting op de boete toe te passen. De rechtbank volgt ook op dit punt het standpunt van verweerder dat in verband hiermee een korting van 20% dient te worden toegepast. De rechtbank stelt gelet op een en ander de boete vast op een bedrag van € 45.075. Voor wat betreft de boete dient het beroep derhalve gegrond te worden verklaard en de uitspraak op bezwaar te worden aangepast.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die de vennoten in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1) en voor reiskosten van B naar de zitting op een geschat bedrag van € 11. Andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de vergrijpboete;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de vergrijpboete;

- vermindert de boete tot € 45.075 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de naheffingsaanslag ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de vennoten ten bedrage van € 333;

- gelast dat verweerder het betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 november 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. H.A.M. Röell-Mulder en E. Jochem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.