Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4410

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
15-700538-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; geldigheid dagvaarding; hennepteelt; hennephandel; witwassen; criminele organisatie;

Vrijspraak ter zake van criminele organisatie. Veroordeling ter zake van hennepteelt, handel in hennep en witwassen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 2,5 jaar tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de handel in hennep vanuit zijn growshop. Verdachte heeft gedurende deze periode tevens in een loods en een pand tezamen en in vereniging met anderen hennepkwekerijen gehad. De rechtbank houdt rekening met de leidinggevende rol die verdachte heeft gehad. Verdachte heeft voorts tezamen en in vereniging met een ander een groot contant geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – van misdrijf afkomstig was. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700538-09

Uitspraakdatum: 16 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 november 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 tm 6 augustus 2009 te Haarlem en/of Amsterdam en/of Zwaneburg en/of Zaandam, en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad op een of meer lokaties namelijk (in een pand aan [perceel A] te Amsterdam en/of in een pand aan [perceel B] te Zwanenburg en/of in een pand aan [perceel C] te Uithoorn en/of in een pand aan [perceel D] te Zaandam) (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 08 augustus 2009 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, (telkens) zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 03 augustus 2009 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7017 gram (7 kilo), zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 03 augustus 2009, te Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 22.305,00 Euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 03 augustus 2009 te Haarlem en/of Zaandam en/of Zwanenburg en/of Uithoorn en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, als leider en/of oprichter heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig hebben van (een)(grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep;

- het meermalen, althans eenmaal, witwassen van (een) (door een of meer van bovengenoemde misdrijven verkregen) geldbedrag(en).

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit omdat niet nader is omschreven uit welke personen de criminele organisatie bestaan zou hebben. Hij stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding ten aanzien van dat feit om die reden onvoldoende duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De omschrijving van het onder 5 ten laste gelegde feit biedt, in samenhang met het dossier, zoals dat is verstrekt aan de rechtbank en de verdediging, een voldoende duidelijke en feitelijke omschrijving van het aan verdachte gemaakte verwijt. Bij de behandeling ter terechtzitting is ook gebleken dat het verdachte duidelijk was waartegen hij zich had te verdedigen. Daarmee voldoet de tenlastelegging ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde aan de eisen die door artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot (partiële) vrijspraak ten aanzien van het telen van hennep op de locaties [perceel A] te Amsterdam en [perceel D] te Zaandam zoals onder 1 ten laste gelegd en bewezenverklaring van de onder 1 voor het overige, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten. Zij heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig (27) maanden met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraken feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte onder 1 met betrekking tot het telen van hennep op de locatie [perceel A] te Amsterdam ten laste is gelegd, nu zich in het dossier onvoldoende informatie bevindt over het aantreffen van deze hennepkwekerij. Verdachte dient van dit onderdeel van feit 1 te worden vrijgesproken.

Tevens is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder 1 met betrekking tot het telen van hennep op de locatie [perceel D] te Zaandam ten laste is gelegd, nu uit de beschikbare onderzoeksgegevens onvoldoende blijkt dat verdachte betrokken was bij de in deze woning aangetroffen hennepkwekerij. Verdachte dient derhalve ook van dit onderdeel van feit 1 te worden vrijgesproken.

4.2. Vrijspraak feit 5

De rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte in meer of mindere mate samenwerkte met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij onder andere het telen van hennep. De rechtbank is echter met de raadsman van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat daarbij sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband zoals begrepen dient te worden onder de in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen term organisatie. De rechtbank acht de betrokkenheid van [medeverdachte 2] hiervoor te gering, nu immers niet meer kan worden vastgesteld dan dat zijn naam als die van een onderhuurder voorkomt in overeenkomsten van onderhuur ten aanzien van een tweetal locaties waar hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Uit het dossier komt weliswaar naar voren dat tussen verdachte en [medeverdachte 1] een nauwere samenwerking bestond, maar de rechtbank acht deze samenwerking op zichzelf onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van het (als leider en/of oprichter) deelnemen aan een criminele organisatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 5 ten laste gelegde feit.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Op 16 juli 2009 is tijdens een observatie door de politie in een ander opsporingsonderzoek onder de naam Tavira gezien dat veel klanten van de growshop [bedrijfsnaam 1], gelegen aan [perceel E] in Haarlem, met de auto aankwamen, via de voordeur het pand betraden en aan de achterzijde via een garagedeur weer naar buiten kwamen. De klanten betraden met lege handen het pand en kwamen er met dozen weer uit.

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel bleek dat de growshop aan [perceel E] te Haarlem op naam stond van verdachte en dat informatie uit het politiesysteem aangaf dat verdachte reeds geruime tijd in verband wordt gebracht met hennep(handel).

[getuige 1], onder meer werkzaam als installateur van beveiligings- en camerasystemen, heeft verklaard dat hij op 16 juli 2009 nabij de achterdeur van de growshop aan [perceel E] drie grijze vuilniszakken vol met meer dan vermoedelijk henneptoppen heeft gezien. Hij heeft voorts gezien dat [medeverdachte 1] de toppen aan het wegen was en aan de reactie van verdachte gemerkt dat hij niet gewenst was aan de achterzijde van de growshop. Tevens zegt [getuige 1] enkele maanden daarvoor een gesprek opgevangen te hebben tussen verdachte en een klant waarin door verdachte werd gezegd: “ja, het wordt steeds moeilijker en daarom heb ik wat tuinkeukens voor in de winkel staan, dat biedt nog enige afscherming”. [getuige 1] begreep uit dit gesprek dat verdachte het pand als dekmantel had verbouwd.

In de ochtend van 3 augustus 2009 werd [verbalisant 1] gebeld door [getuige 1], die aangaf dat hij op 31 juli 2009 een gesprek in de growshop had opgevangen tussen [medeverdachte 1] en een man uit Zandvoort. De man uit Zandvoort had tegen [medeverdachte 1] gezegd: “Ik ga weer knippen en ik kom het maandag brengen.” Volgens de getuige zou de man maandag 3 augustus 2009 tussen 13.00 uur en 17.00 uur leveren en zou dit meer dan vermoedelijk gaan om hennep dan wel de toppen daarvan.

Op grond van het voorgaande is op 3 augustus 2009 growshop [bedrijfsnaam 1] in observatie genomen. Op 3 augustus 2009 om 12.55 uur werd gezien dat een grijskleurige bestelbus, van het merk Mercedes, type Vito CDI en voorzien van [kenteken], kwam aanrijden en parkeerde in de [straatnaam]. Een man, die later opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 1], stapte uit de auto en liep vervolgens naar de voordeur van de growshop. De man droeg een blauwkleurige tas, gelijkend op een AH boodschappentas, bij zich en ging naar binnen.

Om 13.05 uur kwam er een man aanlopen, die via de voordeur naar binnen ging.

Om 13.10 uur zagen de observerende verbalisanten een oudere en een jonge man aan komen lopen en via de voordeur de growshop binnengaan. De jonge man droeg een grote blauwkleurige weekendtas.

Om 13.20 uur zagen verbalisanten dat deze mannen de growshop verlieten en dat de jonge man een zwartkleurige weekendtas met zich mee droeg. Beide mannen stapten in een personenauto van het merk Volkswagen, type Jetta voorzien van [kenteken].

Om 13.45 uur ging een man, die later opgaf te zijn genaamd [betrokkene 1] via de voordeur de growshop binnen.

Verbalisanten zagen dat [medeverdachte 1] om 13.50 uur een weekendtas uit de Mercedesbus pakte en met deze tas weer naar binnen ging.

Om 14.00 uur zagen verbalisanten dat een roodkleurige bestelauto met het [kenteken] en tenaamgesteld op [medeverdachte 3] kwam aanrijden. Een man, die later opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 3], liep de growshop binnen.

Om 14.01 uur kwam [medeverdachte 1] naar buiten met een donkerblauwe weekendtas in zijn hand. Hij stopte deze tas vervolgens in de grijze Mercedes en liep zonder goederen weer terug.

Om 14.02 uur zagen verbalisanten een personenauto voorzien van [kenteken] en tenaamgesteld op [betrokkene 2] aan komen rijden. Een manspersoon die verbalisanten om 13.05 uur al hadden waargenomen, stapte uit en stopte een vuilniszak in de kofferbak.

Op grond van deze observaties zijn verbalisanten op 3 augustus 2009 de growshop [bedrijfsnaam 1] binnengetreden en hebben daar twee personen aangetroffen, te weten [medeverdachte 1] en [betrokkene 1]. Beide personen bevonden zich in een kleine ruimte achter de glazen deuren, die deze ruimte scheidden van de winkelruimte. In deze ruimte stonden rondom langs de wanden stellages die van de vloer tot het plafond vol stonden met flessen voedingsmiddelen en groeimiddelen die gebruikt worden bij hennepplantages.

Kort na het binnentreden werd gezien dat het rolluik werd geopend door een onbekende man, welke opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] betrof de persoon die om 14.00 uur was komen aanrijden en de winkel was binnengelopen. In de achterbak van de auto van [medeverdachte 3] werd 4048 gram gedroogde hennep aangetroffen.

In een kantoorruimte achterin het pand zagen verbalisanten een stelling staan met daarin onder meer verpakkingen met ventilatoren, armaturen, stapels met tientallen zilverkleurige grote sealzakken en doorzichtige gripzakken met afsluitstrip. De zilverkleurige sealzakken werden herkend als gebruikelijk verpakkingsmateriaal voor grote partijen hennep die bij eerdere onderzoeken in coffeeshops en woningen werden aangetroffen.

Verbalisanten zagen dat [medeverdachte 1] direct bij het bureau ging staan en dat hij een zwart lederen tas en een Albert Heijn tas pakte en deze naast het bureau neerzette. [medeverdachte 1] antwoordde bevestigend op de vraag van een van de verbalisanten of deze twee tassen van hem waren. Verbalisant trof in de zwart lederen tas een klein zwart tasje aan, dat helemaal vol bleek te zitten met eurobiljetten in diverse kleuren. Verbalisant zag dat de Albert Heijn tas eveneens goed gevuld was met diverse eurobiljetten in grote coupures. In totaal is een bedrag van 22.305 euro aangetroffen in de tassen van [medeverdachte 1].

In de auto van [medeverdachte 1], van het merk Mercedes Vito, is vervolgens een grote donkerblauwe weekendtas aangetroffen met daarin een grote zilverkleurige sealbag en een doorzichtige plastic sealzak waarin een grote hoeveelheid henneptoppen zichtbaar was. In de laadruimte van de Mercedes lagen twee grote boodschappentassen in elke waarvan een grote zilverkleurige sealbag zat. In totaal is in de auto van [medeverdachte 1] een gewicht van 7017 gram gedroogde hennep aangetroffen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in juli 2007 voor het eerst op growshop [bedrijfsnaam 1] heeft gelet. [medeverdachte 1] stond in de growshop als verdachte op vakantie was en hij hielp verdachte af en toe op zaterdag. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de eigenaar van de growshop is en dat hij vanaf 24 juli tot en met 5 augustus 2009 op vakantie was. In die tijd heeft [medeverdachte 1] in de growshop gewerkt.

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat er tijdens zijn vakantie mensen zouden kunnen komen die hennep kwamen brengen en dat [medeverdachte 1] het in ontvangst moest nemen. Verdachte zou vervolgens het geld en de verkoop van de hennep regelen, aldus [medeverdachte 1]. Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij sinds 3,5 jaar weet dat verdachte hennep verhandelt vanuit de growshop.

Met betrekking tot 3 augustus 2009 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat er rond één uur mensen binnen kwamen die een tas hennep kwamen brengen. Verdachte had al tegen [medeverdachte 1] verteld dat er hennep werd gebracht en dat het dan weer werd opgehaald. [medeverdachte 1] heeft vervolgens de hennep gewogen en in een tas gedaan en in zijn Mercedes Vito gestopt. Hij dacht dat dit ongeveer vier kilo hennep betrof.

Daarnaast is ene [voornaam 1] langs geweest die ook hennep kwam brengen. Dit betrof ongeveer drie en een halve kilo. [medeverdachte 1] heeft ook dit in zijn Mercedes Vito gelegd. De hennep zou daarna worden opgehaald door een [voornaam 2] of door een [voornaam 3].

De rechtbank acht, anders dan de raadsman van verdachte, de verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar en geloofwaardig, nu deze steun vinden in de verklaring van [medeverdachte 3], het proces-verbaal van observatie, alsmede het aantreffen van de ruim 7 kilo hennep. Van belang voor dit oordeel is ook dat [medeverdachte 1] ook zichzelf belast met het afleggen van deze verklaringen.

In de auto van [medeverdachte 3], die op 3 augustus 2009 de growshop binnenging en bij het verlaten daarvan werd aangehouden, is ruim 4 kilo gedroogde hennep aangetroffen. Voorts zijn in de slaapkamer van diens woning aan [perceel F] te [plaats] onderdelen van een reeds ontmantelde hennepkwekerij aangetroffen en bleek zich in de kelder een hennepkwekerij te bevinden, waarvan de planten inmiddels verdwenen waren.

[medeverdachte 3] heeft op 21 augustus 2009 verklaard dat hij al twee tot tweeënhalf jaar bezig is met het kweken van hennep en dat hij zijn hennepstekken al die tijd bij [bedrijfsnaam 1] koopt. Hij heeft sinds tweeënhalf jaar contact met verdachte en sinds ongeveer 12 weken met [medeverdachte 1]. Hij weet dat verdachte en [medeverdachte 1] afspraken maken met hun klanten over de aankoop van de hennep. Verdachte heeft destijds tegen [medeverdachte 3] gezegd dat hij de opbrengst bij hem kon inleveren. Op 3 augustus 2009 is [medeverdachte 3] naar growshop [bedrijfsnaam 1] gegaan om te kijken of men daar vier kilo wiet voor hem kon verkopen.

Op 3 augustus 2009 werd eveneens gezien dat twee mannen de growshop binnengingen met een blauwe weekendtas en de growshop weer verlieten met een zwarte grote weekendtas. De volkswagen Jetta waarin de mannen in plaatsnamen bleek gebruikt te worden door [betrokkene 3]. [betrokkene 3] verklaarde dat hij op 3 augustus 2009 om 13.00 uur met zijn vriend [betrokkene 4] in de growshop te Haarlem was. Zij gingen daarheen omdat [betrokkene 4] 2,6 kilo gedroogde henneptoppen had die hij wilde verkopen.

Op 23 augustus 2009 heeft vervolgens een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [betrokkene 4] aan [perceel G] te [plaats]. In een kamer is een volledig in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met vijftig hennepplantjes. Eveneens werden twee zakken met gedroogde hennep met een nettogewicht van 1,1 kilogram aangetroffen.

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij drie zakken met daarin de opbrengst van zijn plantage, te weten tweeënhalve kilo gedroogde hennep, heeft verkocht aan de growshop [bedrijfsnaam 1] te Haarlem.

Gelet op het proces-verbaal van observatie, de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij op aangeven van verdachte de hennep tijdens diens vakantie in ontvangst heeft genomen en dat verdachte het geld en de verkoop van de hennep verder zou regelen, de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij tweeënhalf jaar geleden is gevraagd door verdachte om de opbrengst van zijn hennepkwekerij bij de growshop van verdachte in te leveren en de verklaring van [getuige 1] dat hij op 16 juli 2009 - voordat verdachte op vakantie is gegaan - heeft gezien dat in de ruimte aan de achterzijde van het pand zakken met henneptoppen stonden en dat [medeverdachte 1] henneptoppen aan het wegen was terwijl verdachte daar ook aanwezig was, acht de rechtbank, anders dan de raadsman van verdachte, voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de opzet heeft gehad op het medeplegen van de handel in hennep en daarmee ook de opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de ruim 7 kilo gedroogde henneptoppen die onder [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen.

Anders dan de raadsman van verdachte is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het geldbedrag dat onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen kennelijk de opbrengst betreft van de verkoop van hennep en dat verdachte zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Dat verdachte geen wetenschap zou hebben van de aanwezigheid van het geld omdat hij op dat moment niet in Nederland was, acht de rechtbank - gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen - niet aannemelijk; de rechtbank is immers van oordeel dat het initiatief tot de hennephandel juist bij verdachte lag en dat hij degene is geweest die [medeverdachte 1] heeft gevraagd de hennep tijdens zijn afwezigheid in ontvangst te nemen.

Na aanhouding van [medeverdachte 1] werd in diens bestelbus een nota aangetroffen van PWN met het adres [perceel B] te Zwanenburg. Op 4 augustus 2009 bleek dat [medeverdachte 1] bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2], gevestigd in onder andere [perceel B] te Zwanenburg.

Op grond van deze bevindingen heeft op 6 augustus 2009 een onderzoek plaatsgevonden in een loods aan [perceel B], welk pand sinds 1 juni 2006 door [medeverdachte 1] werd gehuurd. In deze loods werd op de eerste etage een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen met 400 hennepplanten. In totaal is op 6 augustus 2009 een hoeveelheid van 18,9 kilo netto gedroogde hennep aangetroffen.

[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat verdachte anderhalf tot twee jaar geleden met het plan kwam een hennepplantage op te zetten en dat verdachte daar een paar mensen de hennepplantage heeft laten plaatsen. Volgens [medeverdachte 1] zat er sinds zo’n twee jaar een hennepplantage in het pand aan [perceel B] en bemoeide hij zich sinds anderhalf jaar zelf met de hennepplantage en hield hij deze een beetje bij. Verdachte regelde dat de planten geknipt werden. [medeverdachte 1] kreeg van verdachte een niet onaanzienlijk deel van de opbrengst van de oogst van de hennep uit het bedrijfspand in Zwanenburg.

Op 2 februari 2007 was reeds een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen op [perceel C] in Uithoorn. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij dat pand huurde vanaf augustus/september 2006. Voorts heeft hij verklaard dat hij op verzoek van [verdachte] een huurcontract voor zowel [perceel B] als [perceel C] heeft opgesteld, zodat [medeverdachte 2] als zogenaamde onderhuurder zou opdraaien voor de hennepkwekerijen, mochten deze ontdekt worden. Het tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot [perceel B] te Zwanenburg gesloten huurcontract, ingaande per 1 juli 2006, is bij [medeverdachte 1] in diens woning aan [perceel E] aangetroffen. Op de USB stick die eveneens is aangetroffen in die woning stond voorts een tweetal huurcontracten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot [perceel B] te Zwanenburg alsmede de [perceel C] te Uithoorn. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wel voor [medeverdachte 1] een contract heeft ondertekend voor het pand in Uithoorn en dat daar een hennepkwekerij is aangetroffen.

Uit onderzoek in Blue view is naar voren gekomen dat op 13 oktober 2004 een wietplantage werd aangetroffen in [perceel A] in Amsterdam. Het pand was op dat moment eigendom van [vader verdachte] die verklaarde dat het onderverhuurd werd aan verdachte. Verdachte verklaarde dat hij het pand weer had onderverhuurd aan [medeverdachte 2]. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij werd aangesproken door [medeverdachte 2] toen hij bezig was in het pand aan [perceel A] en dat [medeverdachte 2] het pand van hem wilde huren. Verdachte heeft derhalve eerder een huurcontract met [medeverdachte 2] afgesloten met betrekking tot een pand waarin later een hennepkwekerij is aangetroffen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte de hennepplantage in het pand aan [perceel B] heeft laten opbouwen en dat hij op verzoek van verdachte de contracten voor de panden aan [perceel B] en [perceel C] heeft opgesteld, welke contracten door [medeverdachte 2], die eveneens het pand aan [perceel A] van verdachte heeft gehuurd, zijn ondertekend, van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de hennepteelt in de panden aan [perceel B] te Zwanenburg en [perceel C] te Uithoorn.

4.4. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 augustus 2009 te Haarlem en/of Zwanenburg en/of Uithoorn, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan [perceel B] te Zwanenburg en in een pand aan [perceel C] te Uithoorn, telkens een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 8 augustus 2009 te Haarlem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, telkens een grote hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 3 augustus 2009 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7017 gram (7 kilo), zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij op 3 augustus 2009 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag van 22.305,00 Euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van de feiten 1 en 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van feit 3: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van feit 4: medeplegen van witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de handel in hennep vanuit zijn growshop te Haarlem. Verdachte heeft gedurende deze periode tevens in een loods aan [perceel B] te Zwanenburg alsmede in een pand aan [perceel C] te Uithoorn tezamen en in vereniging met anderen hennepkwekerijen gehad.

Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep, zeker wanneer dat gebeurt op een schaal als waarvan hier sprake is, worden grote illegale winsten behaald. Daarmee heeft het kweken van hennep een sterk corrumperende werking. Verdachte heeft met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor gebruikers uit louter winstbejag zich gedurende lange tijd op grote schaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van het kweken van hennep alsmede de handel daarin.

De rechtbank houdt voorts rekening met de leidinggevende rol die verdachte in de handel in hennep vanuit zijn growshop alsmede de plaatsing van de hennepkwekerij in de loods aan [perceel B] te Zwanenburg heeft gehad. Zo is het initiatief tot de plaatsing van de hennepkwekerij in de loods aan [perceel B] te Zwanenburg en de handel vanuit de growshop van verdachte uitgegaan. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachte heeft geprobeerd buiten schot te blijven door de hennepkwekerijen te plaatsen in een loods en een pand die werden gehuurd door [medeverdachte 1]. Ook nog ter terechtzitting heeft verdachte er geen been in gezien de volledige verantwoordelijkheid en daarmee de schuld op het bordje van [medeverdachte 1] te leggen. Een dergelijke opstelling getuigt bepaald niet van inzicht in de ernst van de feiten.

Verdachte heeft voorts tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] een groot contant geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – van misdrijf afkomstig was. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie en de fiscus te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de hoogte van de straf in verhouding tot die welke wordt opgelegd aan zijn medeverdachte tevens rekening met de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling zoals neergelegd in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht

3, 11 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 5 ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

De rechtbank beveelt de gevangenneming van verdachte ten aanzien van feit 1.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. J.C. van den Bos en A.J. Medze, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 november 2009.

Mr. J.C. van den Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.