Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3947

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
138867 / HA ZA 07-1137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op rb Haarlem 23 oktober 2008, LJN: BG1240. Gecombineerd vervoer van processors door de lucht en over de weg van Rotterdam naar Truccazzano (Italië). Na verkregen inlichtingen van de vervoerder rust nog steeds op de ladingbelanghebbende de last te bewijzen dat de vervoerder opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld. De ladingbelanghebbende heeft daarvoor onvoldoende gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/9

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138867 / HA ZA 07-1137

Vonnis van 21 oktober 2009

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INCOPARTS B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

eiseressen,

advocaat mr. J. Brons,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNITED PARCEL SERVICE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. H. Oomen.

Partijen zullen hierna HDI-Gerling en Incoparts en UPS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2008

- de akte na tussenvonnis met producties van UPS

- de antwoordakte van HDI-Gerling en Incoparts.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 15 oktober 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat UPS beperkt aansprakelijk is voor de schade die HDI-Gerling en Incoparts hebben geleden als gevolg van het zoekraken van een pakket processors, maar dat deze beperking doorbroken wordt voor zover de schade is ontstaan uit een eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met de opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

2.2. De rechtbank heeft bij datzelfde vonnis aan UPS bevel gedaan om haar betwisting van opzet of roekeloosheid toe te lichten. UPS heeft bij akte na tussenvonnis een met stukken onderbouwd verslag gedaan van hetgeen tijdens het vervoer is voorgevallen; zij heeft daarbij aangegeven welke actie is ondernomen nadat de vermissing van het pakket bekend was geworden en welke personen daarbij betrokken waren.

2.3. HDI-Gerling en Incoparts achten de inlichtingen van UPS ongenoegzaam en bepleiten dat daarmee de opzet dan wel bewuste roekeloosheid vaststaat.

2.4. De rechtbank volgt HDI-Gerling en Incoparts hierin niet. Weliswaar had het UPS gesierd, indien zij de informatie die zij nu bij akte in het geding heeft gebracht eerder aan HDI-Gerling en Incoparts ter beschikking zou hebben gesteld, maar niet kan worden gezegd dat UPS in dit stadium van de procedure aan HDI-Gerling en Incoparts onvoldoende aanknopingspunten voor bewijsvoering heeft verschaft door informatie achter te houden waarover zij wel beschikt. UPS heeft aldus aan de verzwaarde motiveringsplicht bij haar betwisting voldaan. Dat het onderzoek van Toplis Hettema zou zijn gefrustreerd, wat daar overigens van zij, maakt de inlichtingen van UPS niet ongenoegzaam.

2.5. Deze verzwaarde motiveringsplicht houdt geen omkering van de bewijslast in. Dat betekent dat het nog steeds aan HDI-Gerling en Incoparts is om te stellen en gezien de betwisting door UPS te bewijzen dat UPS opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld. In dat verband hebben HDI-Gerling en Incoparts bij dagvaarding verwezen naar een expertiserapport van Toplis Hettema, met daarin als hypothese vermeld dat het pakket uit het systeem is gehaald, dat de scanbarcode van het pakket is verwijderd, dat alleen de scanbarcode is gescand en dat een dergelijke modus operandi bekend is en is uitgevoerd bij andere integrators. Bij antwoord-akte hebben HDI-Gerling en Incoparts in aanvulling hierop nog aangevoerd dat er een zodanige chaos bij UPS heerste dat een vermissing van kostbare computeronderdelen alleszins te verwachten is, dat een groot aantal mensen in de desbetreffende ruimte bivakkeert, dat daarop geen enkele controle wordt uitgeoefend, dat er een roulatie van personen is, zodat betrokkenen zich achter elkaar kunnen verschuilen en dat een grondig onderzoek naar de verdwijning van de goederen ontbreekt (HDI-Gerling en Incoparts spreken van een “roversnest”). De verwijten van HDI-Gerling en Incoparts komen hierop neer dat medewerkers van het distributiecentrum in Milaan het pakket zouden hebben ontvreemd en dat UPS hiertegen onvoldoende maatregelen zou hebben getroffen en bovendien het onderzoek van Toplis Hettema zou hebben gefrustreerd.

2.6. De rechtbank roept in herinnering dat naar vaste rechtspraak van bewuste roekeloosheid sprake is, wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich verwezenlijkt aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. Bovendien moet het, in afwijking van artikel 29 CMR, in het geval van artikel 8:1108 BW gaan om gedragingen van de vervoerder zelf, dus om gedragingen van personen die in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de vennootschap (UPS Nederland B.V.) kunnen worden aangemerkt. Handelingen van ondergeschikten en hulppersonen kunnen, anders dan HDI-Gerling en Incoparts betogen niet als zodanig worden aangemerkt. Voor doorbreking van aansprakelijkheid moet dus komen vast te staan hetzij dat de schade opzettelijk is veroorzaakt, hetzij dat aan de onder 2.5 weergeven gedragingen het gevaar van vermissing van de zending verbonden was én dat de kans dat de zending zou zoekraken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren.

2.7. Het verwijt van HDI-Gerling en Incoparts dat het pakket in het distributiecentrum in Milaan door medewerkers van UPS is ontvreemd, is speculatief en niet met voldoende feiten onderbouwd. De enkele in het rapport van Toplis Hettema weergegeven omstandigheid dat het pakket wel is gescand, maar niet op de videobeelden voorkomt, is daarvoor onvoldoende. Voor het oordeel dat de schade van HDI-Gerling en Incoparts opzettelijk is veroorzaakt zijn dus onvoldoende aanknopingspunten voorhanden, waarbij de rechtbank nog daar laat dat niet is gesteld of gebleken dat die schade door UPS zelf is veroorzaakt, en niet door haar ondergeschikten.

2.8. Zo al zou kunnen worden geoordeeld dat aan de verweten chaos en onder 2.5 weergegeven bijkomende omstandigheden het gevaar van vermissing kleeft, dan nog is in elk geval gesteld noch gebleken dat de kans op dergelijke vermissing aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet gebeurt. In dat verband acht de rechtbank van belang dat HDI-Gerling en Incoparts onvoldoende hebben weersproken de met cijfers onderbouwde stelling van UPS dat op het totale aantal door UPS vervoerde pakketten slechts een gering aantal zoek raakt.

2.9. Het beroep van HDI-Gerling en Incoparts op doorbreking van de aansprakelijkheid faalt dus. Bij tussenvonnis van 15 oktober 2008 was reeds bepaald dat de gelimiteerde aansprakelijkheid van UPS een vergoedingsplicht van € 51,- meebrengt. UPS zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

2.10. HDI-Gerling en Incoparts zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van UPS worden begroot op:

- vast recht 2.035,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.823,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt UPS om aan HDI-Gerling en Incoparts te betalen een bedrag van EUR 51,00 (éénenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 6 september 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt HDI-Gerling en Incoparts in de proceskosten, aan de zijde van UPS tot op heden begroot op EUR 3.823,00,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. S. Sicking en mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2009.?