Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3851

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
15/840084-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8575, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; drugsonderzoek Schiphol

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840084-08

Uitspraakdatum: 10 november 2009

Verstek

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 oktober 2009 en 27 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Suriname),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. (zaaksdossier B01)

hij op of omstreeks 5 juni 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer vijf (5) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. (zaaksdossier B02)

hij op of omstreeks 10 juli 2008, althans in de periode van 10 juni 2008 tot en met 10 juli 2008, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer vijf (5) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. (zaaksdossier B03)

hij op of omstreeks 17 juli 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer zes (6) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. (zaaksdossier B04)

hij op of omstreeks 28 juli 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer tien (10) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5. (zaaksdossier B05)

hij op of omstreeks 25 augustus 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer achttien (18) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6. (zaaksdossier B07)

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 augustus 2008 tot en met 09 december 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of te 's-Gravenhage en/of te Diemen en/of De Meern, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen,

(telkens)

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) daartoe

- (meermalen) met elkaar en/of met opdrachtgevers telefonisch contact gehad en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd (op de luchthaven schiphol en/of in Amsterdam en/of in Diemen en/of elders in Nederland) om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt en/of gehad om betrokkenen te ontmoeten en/of

- (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven ten behoeve van de (invoer van) een (of meer) zending(en) of transport(en) verdovende middelen en/of

- (vlucht)gegevens doorgegeven en/of

- overleg gehad (met elkaar) over het uit één of meer vliegtuig(en) halen en/of laten halen van verdovende middelen en/of betalingen en/of de locatie van verbergplekken in vliegtuigen en/of verbergen en/of opslaan van de verdovende middelen en/of manier/methode van invoeren van verdovende middelen (onder meer via de catering) en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of ingewonnen over (mogelijke) verbergplekken in (een) vliegtuig(en) en/of

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van (informatie over/betreffende) een (of meer) zending(en) verdovende middelen en/of

- (telefonisch) dienstrooster(s) en/of werktijden doorgegeven en/of

- één of meerdere perso(o)n(en) aangebracht/geïntroduceerd en/of met elkaar in contact gebracht voor het van (een) vliegtuig(en) halen van (een of meer partijen) verdovende middelen;

7. (zaaksdossier B08)

hij op of omstreeks 27 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer vijf (5) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, alsmede dat de rechtbank de gevangenneming van de verdachte met ingang van de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken, zal bevelen.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de goederen voorkomende op de beslaglijst onder de nummers 48, 49, 50, 52, 53, 57, 58, 59, 65, 66 en 90

worden verbeurd verklaard en onder de nummers 51, 54 tot en met 56, 60 tot en met 64, 67 tot en met 69, 73 tot en met 89 worden teruggegeven aan verdachte.

4. Overwegingen

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden, algemeen

4.1.1. Startinformatie onderzoek ‘Kilimanjaro’

Op 6 april 2007 wordt een MMA-melding ontvangen waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] (fonetisch), werkzaam bij de KLM, zich bezig zou houden met drugstransporten uit Suriname. Uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat met ‘[medeverdachte 1]’ wordt bedoeld [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats]. Op 11 maart 2008 wordt van de Criminele Inlichtingen Eenheid (verder: CIE) informatie ontvangen dat [medeverdachte 1] deel uit maakt van een groep Schipholmedewerkers die zich bezig zou houden met de invoer van verdovende middelen en gebruik zou maken van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. Uit onderzoek is gebleken dat met [medeverdachte 1] wordt bedoeld [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] en wonende te [woonplaats]. Uit een op 12 maart 2008 afgedrukt rapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (Ciot) blijkt het nummer [telefoonnummer 1] op naam te zijn gesteld van [medeverdachte 1], wonende te [woonplaats]. Op 4 juli 2008 is van de CIE informatie ontvangen dat [medeverdachte 3] die bij Asito Schiphol werkt, zich vermoedelijk bezighoudt met de invoer van verdovende middelen.

4.1.2. Onderzoek afgeluisterde communicatie

In het onderzoek Kilimanjaro zijn diverse telefoonlijnen gekoppeld aan verdachte en zijn medeverdachten als gebruiker. Deze telefoonlijnen zijn met toestemming van de rechter-commissaris in strafzaken van deze rechtbank afgeluisterd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gesprekken ook daadwerkelijk door de in de processen verbaal aan het nummer gekoppelde gebruiker gevoerd.

Bij de behandeling van hun zaken heeft iedere verdachte, met uitzondering van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], verklaard dan wel niet ontkend met het aan hem gekoppelde nummer te hebben gebeld.

[verdachte] is tot op heden niet aangehouden en is dan ook in het geheel nog niet gehoord.

Het (in zaaksdossier B04 en B05 voorkomende) telefoonnummer [telefoonnummer 2] is opgenomen onder tapnummer TA903 en gekoppeld aan [medeverdachte 3].

Bij gelegenheid van pleidooi heeft de raadsvrouw van [medeverdachte 3] aangegeven dat er geen stemherkenning heeft plaatsgevonden en derhalve de onder voormeld telefoonnummer gevoerde gesprekken niet aan haar cliënt kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit het zogenoemde loopproces-verbaal, behorend bij zaaksdossier B05 blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] is opgenomen onder tapnummer TA106 en naar aanleiding van stemherkenning, observaties en de daaraan gekoppelde ontmoetingen gekoppeld is aan [medeverdachte 3]. Aanvankelijk is dit telefoonnummer door [medeverdachte 3] gebruikt. In het loopproces-verbaal is ook gerelateerd dat het nummer [telefoonnummer 2] aan [medeverdachte 3] is gekoppeld, waarbij alleen vermeld is dat dit naar aanleiding van observaties en de daaraan gekoppelde ontmoetingen is gebeurd en niet mede door stemherkenning.

De rechtbank gaat er, gelet op de vermeldingen bij de overige getapte telefoonnummers, vanuit dat de verbalisanten per abuis verzuimd hebben ook hier melding te maken van de koppeling van het telefoonnummer aan [medeverdachte 3] via stemherkenning.

Daar komt nog bij dat in het proces-verbaal van aanvraag bevel ex artikel 126m en n Sv nader wordt beschreven hoe het telefoonnummer [telefoonnummer 2] aan [medeverdachte 3] is gekoppeld. Op 25 juli 2008 vindt er een gesprek plaats gevoerd vanaf het nummer van verdachte en het nummer [telefoonnummer 2], nadat er eerst nog een sms-bericht tussen de beide nummers werd verzonden. Daarbij wordt gerelateerd dat de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] wordt herkend als de stem van [medeverdachte 3].

Tenslotte overweegt de rechtbank nog het volgende hieromtrent. In het onderzoek Kilimanjaro zijn diverse telefoonnummers onder de bijbehorende tapnummers gedurende enkele maanden met toestemming van de rechter-commissaris in strafzaken van deze rechtbank afgeluisterd. De diverse op de lijnen voorkomende stemmen zijn derhalve bij de uitluisterende verbalisanten bekend. Wanneer de telefoon in gebruik bij een persoon tijdens een telefoongesprek aan een andere persoon wordt overhandigd om het gesprek verder te voeren, wordt door de verbalisanten expliciet in het proces-verbaal dat van het uitgeluisterde gesprek is opgemaakt, aangegeven wiens stem zij vervolgens horen. Tevens wordt expliciet aangegeven wiens stemmen zij tijdens een tussen twee personen gevoerd telefoongesprek op de achtergrond horen. Daar komt bij dat er naar aanleiding van telefoongesprekken ontmoetingen hebben plaatsgevonden, waarbij ook daadwerkelijk de personen aan wie het telefoonnummer is gekoppeld, aanwezig zijn geweest (bijvoorbeeld in zaak B04, ontmoeting op 28 juli 2008 tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], na telefonische contacten tussen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]). Bovendien komt de informatie die, over de telefoon door de persoon aan wie het nummer gekoppeld is, wordt gegeven, overeen met de bevindingen bij onder meer de observaties op het vliegtuig de ‘City of Nairobi’ ten aanzien van diezelfde persoon. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam onderbouwd dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] [medeverdachte 3] is.

Het (in zaaksdossier B04 en B05 voorkomende) telefoonnummer [telefoonnummer 4] is opgenomen onder tapnummer TA 1001 en gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 2]. Bij gelegenheid van pleidooi heeft de raadsman van [medeverdachte 2] aangegeven dat er geen stemherkenning heeft plaatsgevonden en derhalve de onder voormeld telefoonnummer gevoerde gesprekken niet aan zijn cliënt kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] bij [medeverdachte 2] in gebruik is, dit naar aanleiding van stemherkenning, observaties en de daaraan gekoppelde ontmoetingen. Overigens geldt ook hier dat er door de verbalisanten gedurende enkele maanden diverse telefoonlijnen zijn afgeluisterd met toestemming van de rechter-commissaris in strafzaken van deze rechtbank. De rechtbank verwijst hiertoe naar de overwegingen hieromtrent onder het aan [medeverdachte 3] gekoppelde telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Ten aanzien van [medeverdachte 2] geldt bovendien dat de verbalisanten expliciet hebben gerelateerd dat zij zijn stem op 22 augustus 2008 hebben herkend, toen de telefoon tijdens een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 3] aan hem werd overhandigd. Ook ten aanzien van [medeverdachte 2] wordt dit verweer derhalve verworpen.

De rechtbank gaat er voorts van uit dat het aan een bepaalde verdachte gekoppelde telefoonnummer ook telkens in de door de verbalisanten afgeluisterde en in het dossier opgenomen gesprekken daadwerkelijk door die verdachte is gebruikt. Wanneer dat niet het geval is, is dat door de verbalisanten expliciet aangegeven.

Voorts is er na verkregen toestemming van de rechter-commissaris naar aanleiding van de afgeluisterde telefoongesprekken opname apparatuur in de VW Golf, met het kenteken [kenteken 1], op naam van verdachte, geplaatst, waarmee de vertrouwelijke communicatie die in de auto plaatsvond, is opgenomen (OVC-gesprekken).

4.1.3. Bijnamen

Daar waar in de tapgespreken wordt gesproken over:

“[medeverdachte 1]” wordt daarmee bedoeld: [medeverdachte 1];

“[medeverdachte 3]” wordt daarmee bedoeld [medeverdachte 3];

“[verdachte] / [verdachte] ” wordt daarmee bedoeld: [verdachte];

“[medeverdachte 2]” wordt daarmee bedoeld: [medeverdachte 2].

Aan [medeverdachte 3] wordt tijdens zijn verhoor bij de KMAR op 8 december 2008 een foto getoond van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] geeft aan de man op de getoonde foto te herkennen als de man die hij kent als [medeverdachte 2] en ook wel [medeverdachte 2] wordt genoemd.

4.2. Overwegingen met betrekking tot feit 1 (zaaksdossier B01)

4.2.1. Vrijspraak feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 5 kilogram cocaïne in Nederland op 5 juni 2008, welke cocaïne bij een controle op een vliegtuig komende vanuit Paramaribo (Suriname) werd aangetroffen in vijf pakken vruchtensap, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.2.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 1

De rechtbank is tot deze vrijspraak gekomen op grond van de navolgende overwegingen.

Niet alleen verdachte, maar ook medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden van het medeplegen van deze invoer beschuldigd. Allen ontkennen enige betrokkenheid in welke vorm dan ook bij deze invoer. Geen van hen kan rechtstreeks, bijvoorbeeld door middel van vingerafdrukken op de pakketten, worden gerelateerd aan de pakken sap met daarin de cocaïne.

Door de officier van justitie is desalniettemin gerekwireerd tot bewezenverklaring van het met betrekking tot zaaksdossier B01 ten laste gelegde feit, nu – zakelijk weergegeven – op 7 juni 2008 (om 19.33 uur) een sms van verdachte [verdachte] aan medeverdachte [medeverdachte 2] wordt gestuurd met de mededeling “het is over en uit”, waaruit zou blijken dat verdachten op de hoogte zijn van de inbeslagname op 5 juni 2008 van de cocaïne (zoals hierboven weergegeven), en er na deze sms tussen [medeverdachte 2] en verdachte een gesprek plaats vindt (om 19.40 uur) waarin de problemen zouden worden besproken in verband met de inbeslagname van deze cocaïne. Voorts wordt naar het oordeel van de officier van justitie op 8 juni 2008 door [medeverdachte 1] en de NN-man in Suriname naar aanleiding van deze in beslagname een wijziging in de modus operandi besproken, namelijk door gebruik te maken van een vliegtuig van een andere vliegtuigmaatschappij.

Gezien het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier geen tapgesprekken bevinden voorafgaand aan de inbeslagname van de cocaïne op 5 juni 2008 (rond 7.00 uur), waaruit zou blijken dat verdachte en/of medeverdachte(n) bezig waren met het voorbereiden van de invoer van deze hoeveelheid cocaïne. Hoewel de door medeverdachte [medeverdachte 1] over de telefoon gevoerde gesprekken in de periode van 8 april 2008 tot en met 5 juni 2008 zijn opgenomen komt hieruit niet naar voren dat gesproken is over de invoer van (een hoeveelheid) cocaïne.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door de verdachte en/of medeverdachten vanaf 5 juni 2008 gevoerde en opgenomen gesprekken geen betrekking kunnen hebben op de invoer van de hoeveelheid cocaïne zoals deze op 5 juni 2008 in eerder genoemd vliegtuig werd aangetroffen. De rechtbank acht het niet onwaarschijnlijk dat deze gesprekken op een mogelijk toekomstig transport dan wel invoer van cocaïne betrekking hebben. De rechtbank doelt in dit verband met name op de volgende gevoerde en opgenomen gesprekken.

Op 5 juni 2008 (om 13.38 uur) wordt [medeverdachte 1] gebeld door de NN-man in Suriname (“[NN-man]”) die onder meer zegt: “Volgende week pas. Er is geen mooi/goed werk nu. Volgende week is het zeker”, “Voor deze week lukt het niet meer” en “Dus volgende week”. Op 8 juni 2008 (om 22.13 uur) belt [medeverdachte 1] naar de NN-man in Suriname (“[NN-man]”), waarin hij onder meer zegt: “Maar je moet het op de zelfde plaats van die blauwe zetten.” Tenslotte wordt door [medeverdachte 2] en verdachte regelmatig gesproken over ene ‘[medeverdachte 3]’, welke later ‘[medeverdachte 3]’ ([medeverdachte 3]) blijkt te zijn. Zo wordt op 6 juni 2008 (om 17.24 uur) door [medeverdachte 2] aan verdachte mede gedeeld dat “‘[medeverdachte 3]’ maar 5 mag nemen”. Op 6 juni 2008 (om 18.01 uur) wordt tussen [medeverdachte 2] en verdachte besproken dat ze bij ‘[medeverdachte 3]’ langs gaan en op dezelfde dag (om 18.56 uur) deelt verdachte aan [medeverdachte 1] telefonisch mede dat er een afspraak is met ‘[medeverdachte 3]’. Na dit gesprek wordt om 21.06 uur [medeverdachte 1] gebeld door de NN-man uit Suriname. In dit gesprek wordt onder meer gesproken over “dat ding is volgende week woensdag”.

De rechtbank is van oordeel dat de sms inhoudende “het is over en uit” van verdachte aan [medeverdachte 2] (7 juni 2008 te 19.33 uur) de enige (indirecte) aanwijzing zou kunnen zijn voor betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] bij de invoer van cocaïne op 5 juni 2008 en het gesprek over “problemen op de massala” tussen verdachte en NN-man in Suriname (“[NN-man]”) (8 juni 2008 te 22.13 uur) de enige (indirecte) aanwijzing zou kunnen zijn voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij deze invoer. Deze sms is echter pas ruim twee dagen verstuurd nadat de cocaïne is aangetroffen in het vliegtuig en het gevoerde telefoongesprek heeft zelfs pas ruim drie dagen na het vinden van de cocaïne plaatsgevonden. Los van de vraag of de sms en het gesprek betrekking hebben op enige invoer van cocaïne, is naar het oordeel van de rechtbank geenszins bewezen dat de sms en het gesprek betrekking hebben op de ten laste gelegde invoer van cocaïne op 5 juni 2008.

Bovendien blijkt uit de inhoud van de eerdergenoemde sms en het telefoongesprek alsmede uit de data waarop deze hebben plaatsgevonden, naar het oordeel van de rechtbank ook niet van enige paniek onder verdachte en/of medeverdachten, hetgeen in geval van enige betrokkenheid van hen bij de aangetroffen cocaïne zonder meer wel in de rede had gelegen. De rechtbank verwijst daarvoor ter vergelijking naar zaaksdossier B05 waarin gezien het frequente telefoonverkeer tussen diverse verdachten en de feitelijke ontmoetingen van verdachten op en na 25 augustus 2008 na de inbeslagname van 18 kilogram cocaïne ook daadwerkelijk paniek is uitgebroken.

Gelet ook op de inhoud van de overige in het dossier aangehaalde gesprekken die gevoerd worden nadat de cocaïne is aangetroffen, oordeelt de rechtbank dat deze aangehaalde gesprekken mogelijk een toekomstig transport van cocaïne betreffen, nu deze blijkens hun inhoud over toekomstige handelingen lijken te gaan. De rechtbank acht niet bewezen dat deze gesprekken betrekking hebben op de invoer van cocaïne op 5 juni 2008 en acht derhalve evenmin bewezen dat uit de aangehaalde door verdachte en/of medeverdachten gevoerde en opgenomen gesprekken hun betrokkenheid bij de invoer van deze vijf kilogram cocaïne volgt.

Voorts betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de modus operandi bij deze invoer van cocaïne wezenlijk anders is dan die bij de overige zich in het dossier bevindende zaaksdossiers.

Nu ook overigens enige betrokkenheid van verdachte en medeverdachten bij de onderhavige invoer niet is te destilleren uit de inhoud van het dossier, dienen verdachte en zijn medeverdachten te worden vrijgesproken van hetgeen hen met betrekking tot zaaksdossier B01 is ten laste gelegd.

4.3. Overwegingen met betrekking tot feit 2 (zaaksdossier B02)

4.3.1. Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer van 5 kilogram cocaïne in Nederland gepleegd in de periode van 10 juni 2008 tot en met 10 juli 2008, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.3.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 2

De rechtbank is tot deze vrijspraak gekomen op grond van de navolgende overwegingen.

Niet alleen verdachte, maar ook medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] worden van het medeplegen van deze invoer beschuldigd. Verdachte is tot op heden niet aangehouden kunnen worden en is dan ook in het geheel nog niet gehoord. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ontkennen enige betrokkenheid in welke vorm dan ook bij deze invoer. In deze zaak is daadwerkelijk geen cocaïne aangetroffen.

Door de officier van justitie is desalniettemin gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, nu naar het oordeel van de officier van justitie op basis van de in de periode van 10 juni 2008 tot en met 10 juli 2008 gevoerde en opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en/of zijn medeverdachten, de observatie op 10 juli 2008 op verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] en de opname van vertrouwelijke communicatie (een zogenoemd OVC gesprek) van 25 augustus 2008 in de VW Golf met kenteken [kenteken 1] in gebruik bij verdachte waarin gesproken wordt over “drie keer [is goed gegaan], 5, 6 en 10” hiertoe geconcludeerd kan worden. Dat deze invoer cocaïne zou betreffen leidt de officier van justitie af uit de twee onderschepte zendingen bevattende cocaïne, te vinden in het dossier Kilimanjaro en het feit van algemene bekendheid dat vanuit Suriname vrijwel uitsluitend cocaïne in Nederland wordt ingevoerd.

Gezien het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in de verschillende gevoerde en opgenomen (tap)gesprekken zoals weergegeven in dit dossier, versluierd taalgebruik wordt gebezigd. Hoewel deze gesprekken over een voorgenomen invoer van drugs lijken te gaan, geven deze desondanks onvoldoende aanleiding om een direct verband te leggen met een concrete invoer van 5 kilogram cocaïne in Nederland in de periode van 10 juni tot en met 10 juli 2008.

De rechtbank heeft daartoe de volgende factoren in haar oordeel betrokken. Er is feitelijk geen cocaïne aangetroffen. Bovendien wordt in het OVC-gesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] in de VW Golf, in gebruik bij verdachte, op 25 augustus 2008, waarnaar de officier van justitie ter staving van haar standpunt verwijst, weliswaar gesproken over “drie keer is goed gegaan, 5, 6 en 10”, maar dit gegeven alleen biedt gelet op het tijdsverloop onvoldoende aanknopingspunten te concluderen dat deze opmerking betrekking heeft op de invoer in Nederland van juist deze specifieke 5 kilogram cocaïne.

Voorts verwijst de officier van justitie nog naar een observatie uitgevoerd op 10 juli 2008 (gestart rond 14.40 uur). Daarbij wordt gezien dat medeverdachte [medeverdachte 3] om 15.18 uur zijn woning aan de [adres 1] uitloopt. Hij draagt op dat moment niets bij zich. Hij stapt vervolgens in de auto van verdachte en samen rijden zij naar de supermarkt “Lidl”. Na het bezoek aan de “Lidl” rijden beiden terug naar de woning van medeverdachte [medeverdachte 3]. Te 15.34 uur wordt gezien dat medeverdachte [medeverdachte 3] uit de auto stapt, met in zijn hand een tas van de “Lidl”. Hij heeft deze tas halverwege vast en de tas lijkt nagenoeg leeg. Verdachte blijft in de auto zitten terwijl medeverdachte [medeverdachte 3] de linkerdeur ter hoogte van [adres 1] binnen gaat.

Te 15.40 uur loopt medeverdachte [medeverdachte 3] deze deur weer uit; hij draagt de “Lidl” tas dan aan het handvat en deze tas is volgens de observant meer gevuld dan voorheen. Medeverdachte [medeverdachte 3] stapt weer bij verdachte in de auto en de auto rijdt weg.

De officier van justitie concludeert hieruit in combinatie met eerder opgenomen tapgesprekken (met name het gesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte op 10 juli 2008 te 13.34 uur) dat op dat moment de in dit dossier bedoelde 5 kilogram cocaïne door medeverdachte [medeverdachte 3] aan verdachte moet zijn overgedragen en dus ook daadwerkelijk is overgedragen.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar conclusie. Ook in samenhang met de eerder genoemde tapgesprekken is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat medeverdachte [medeverdachte 3] tijdens de bovenomschreven observatie cocaïne, en al in het geheel niet de tenlastegelegde 5 kilogram cocaïne, aan verdachte heeft overgedragen. Niet gezien is dat medeverdachte [medeverdachte 3] met “iets” in zijn handen van zijn werk is thuis gekomen aangezien de observatie pas nadien is aangevangen. Evenmin is een overdracht van de “Lidl” tas of de inhoud daarvan aan verdachte gezien. Dat deze tas cocaïne bevat zou hebben is uit de in het dossier weergegeven feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, niet af te leiden. Maar ook al zou dat wel het geval zijn geweest en zou medeverdachte [medeverdachte 3] deze tas met cocaïne op 10 juli 2008 hebben overgedragen aan verdachte, dan nog zou dat gegeven, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie rechtvaardigen dat die cocaïne door verdachte en zijn medeverdachten in de tenlastegelegde periode in Nederland is ingevoerd, nu daartoe geen redengevende feiten en omstandigheden in het dossier voorhanden zijn die specifiek op een dergelijke invoer betrekking hebben.

Nu ook overigens niet blijkt van enige betrokkenheid van verdachte en medeverdachten bij de onderhavige invoer dient verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot zaaksdossier B02 ten laste is gelegd.

4.4. Overwegingen met betrekking tot feit 3 (zaaksdossier B03)

4.4.1. Vrijspraak feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 6 kilogram cocaïne in Nederland op 17 juli 2008, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.4.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 3

De rechtbank is tot deze vrijspraak gekomen op grond van de navolgende overwegingen

Niet alleen verdachte, maar ook medeverdachte [medeverdachte 3] wordt van het medeplegen van deze invoer beschuldigd. Verdachte is tot op heden niet aangehouden kunnen worden en is dan ook in het geheel nog niet gehoord. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft alle betrokkenheid in welke vorm dan ook bij deze invoer ontkend. In deze zaak is niet daadwerkelijk cocaïne aangetroffen.

Door de officier van justitie is desalniettemin gerekwireerd tot bewezenverklaring van het met betrekking tot zaaksdossier B03 ten laste gelegde feit, nu naar het oordeel van de officier van justitie op basis van de in de periode van 14 juli 2008 tot en met 17 juli 2008 tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] gevoerde en opgenomen telefoongesprekken, de observaties op 15 juli 2008 en 17 juli 2008 op verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] en de opname van vertrouwelijke communicatie (een zogenoemd OVC gesprek) van 25 augustus 2008 in de VW Golf met kenteken [kenteken 1] in gebruik bij verdachte waarin gesproken wordt over “drie keer [is goed gegaan], 5, 6 en 10” hiertoe geconcludeerd kan worden. In het bijzonder wijst de officier van justitie nog op de Schipholpasgegevens, waaruit blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 3] op 17 juli 2008 tussen 7.02 uur en 7.15 uur even van de ‘airside’ is geweest.

Dat de in dit dossier bedoelde invoer cocaïne zou betreffen leidt de officier van justitie af uit de twee onderschepte zendingen van cocaïne te vinden in het dossier Kilimanjaro en het feit van algemene bekendheid dat vanuit Suriname vrijwel uitsluitend cocaïne in Nederland wordt ingevoerd.

Gezien het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt. Op 15 juli 2008 (om 15.37 uur) vindt een gesprek plaats tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] waarin wordt afgesproken elkaar te zien. Door verbalisanten wordt op 15 juli 2008 (vanaf 16.22 uur) deze ontmoeting geobserveerd. Tijdens deze observatie wordt door de verbalisanten niets relevants waargenomen. De volgende gevoerde en opgenomen gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 3] vinden plaats op 16 juli 2008 en 17 juli 2008. In het gesprek gevoerd op 16 juli 2008 (om 17.33 uur) lijkt versluierd gesproken te worden. Door [medeverdachte 3] wordt gevraagd “is nummer 1, 2 en 3, elke nummer heeft twee ticket of eh… bijvoorbeeld bij nummer 1 is 3 of bij nummer 2 is 1”. Verdachte antwoordt hierop “ik denk bij elke is 2 2 ja”. [medeverdachte 3] reageert hierop met “2 2 he”, hetgeen weer bevestigd wordt door verdachte. Tenslotte wordt afgesproken dat verdachte ‘het’ de volgende dag hoort van [medeverdachte 3]. Het volgende gevoerde en opgenomen telefoongesprek vindt plaats op 17 juli 2008 (om 14.30 uur). In dat gesprek wordt een afspraak gemaakt tussen verdachte en [medeverdachte 3] om elkaar te zien.

Uit de Schipholpasgegevens van medeverdachte [medeverdachte 3] blijkt dat deze op 17 juli 2008 vroeg aanwezig was op Schiphol (5.56 uur ingang beveiligd gebied), dat hij om 7.02 uur het beveiligd gebied verlaten heeft, dit om 7.15 uur weer betreden heeft en tenslotte om 13.34 uur is vertrokken.

Door verbalisanten wordt de afgesproken ontmoeting op 17 juli 2008 geobserveerd bij de woning van [medeverdachte 3]. Om 15.25 uur wordt gezien dat [medeverdachte 3] voor zijn woning contact heeft met twee donkere mannen die rijden in een Fiat Stilo met kenteken [kenteken 2]. Er wordt niet gezien dat er iets wordt overgedragen.

Om 16.16 uur wordt gezien dat verdachte komt aanrijden en stopt voor de deur van (de woning van) [medeverdachte 3]. Gezien wordt dat [medeverdachte 3] de berging van zijn woning in loopt en dat hij later weer naar buiten loopt met een plastic Albert Heijn boodschappentas. Verbalisanten relateren dat ‘iets van gewicht’ in deze tas zit. [medeverdachte 3] en verdachte rijden weg in de auto van verdachte.

Uit bovengenoemde observaties en/of gevoerde en opgenomen telefoongesprekken is naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer af te leiden, zoals door de officier van justitie gesteld, dat [medeverdachte 3] op 17 juli 2008 uit een vliegtuig op Schiphol cocaïne heeft gehaald, deze cocaïne naar zijn huis heeft gebracht en vervolgens aan verdachte heeft overhandigd.

Dat uit de Schipholpasgegegevens van [medeverdachte 3] blijkt dat hij op 17 juli 2008 korte tijd van de zogenoemde ‘airside’ is geweest, leidt niet noodzakelijkerwijs, ook niet in combinatie met eerdergenoemde tapgesprekken, tot de conclusie dat hij die ochtend cocaïne van een vliegtuig heeft gehaald. Evenzeer valt de stelling te verdedigen dat de hiervoor aangehaalde telefoongesprekken op toekomstige zendingen betrekking hebben gehad.

Dit klemt temeer, nu uit het dossier ook niet blijkt van de aanwezigheid op die dag van [medeverdachte 3] bij of in enig vliegtuig. Er is in deze zaak feitelijk ook geen cocaïne aangetroffen. Voorts is niet gebleken (uit bijvoorbeeld observaties en/of gevoerde en opgenomen telefoongesprekken) dat [medeverdachte 3] de tenlastegelegde cocaïne naar de berging gelegen naast zijn woning zou hebben gebracht. Bij de observatie op 17 juli 2008 is bovendien evenmin waargenomen dat [medeverdachte 3] op enig moment iets heeft overgedragen aan de twee donkergekleurde mannen dan wel aan verdachte. Tenslotte wordt in het OVC-gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 3] in de VW Golf, in gebruik bij verdachte, op 25 augustus 2008, waarnaar de officier van justitie ter staving van haar standpunt verwijst, weliswaar gesproken over “drie keer is goed gegaan, 5, 6 en 10”, maar dit gegeven alleen biedt gelet op het tijdsverloop onvoldoende aanknopingspunten te concluderen dat deze opmerking betrekking heeft op de invoer in Nederland van juist deze specifieke 6 kilogram cocaïne.

Nu ook overigens niet blijkt van enige betrokkenheid van verdachte en medeverdachte bij de onderhavige invoer dient verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot zaaksdossier B03 is ten laste gelegd.

4.5. Overwegingen met betrekking tot feit 7 (zaaksdossier B08)

4.5.1. Vrijspraak feit 7

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer van 5 kilogram cocaïne in Nederland gepleegd op of omstreeks 27 november 2008 (zaak B08), al dan niet tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.5.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 7

De rechtbank is tot deze vrijspraak gekomen op grond van de navolgende overwegingen.

Niet alleen verdachte, maar ook medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] worden van het medeplegen van deze invoer beschuldigd. Verdachte is zoals hierboven vermeld tot op heden niet gehoord. De medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] ontkennen enige betrokkenheid in welke vorm dan ook bij deze invoer.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit ten laste gelegde feit, nu – onder meer en zakelijk weergegeven – uit de door medeverdachte [medeverdachte 1], medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte onderling verzonden sms’jes in de ochtend van 27 november 2008 (dossierpagina’s 160 tot en met 162 van zaaksdossier B08) zou blijken dat de cocaïne toen van het vliegtuig is gehaald. Met name het door medeverdachte [medeverdachte 1] aan medeverdachte [medeverdachte 2] verzonden sms’je “Groetjes bingo zie je om 1130” zou hierop duiden, zo stelt de officier van justitie.

Gezien het vorenstaande overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Uit het zaaksdossier B08 blijkt dat verdachte en medeverdachten met bijzondere aandacht verschillende vliegtuigbewegingen volgen. Zo wordt op 21 november 2008 (om 12.11 uur) door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gesproken over een “hij” die “gisteren naar de landgenoten van Gandhi” is gegaan. Uit onderzoek naar de vluchtgegevens blijkt dat het KLM vliegtuig (met registratienummer PH-BFG) ‘City of Guayaquil’ op 20 november 2008 naar Delhi (India) is gevlogen. Zo worden er ook op 22, 23 en 26 november 2008 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gesprekken gevoerd waarbij de mededelingen waar hij of zij is heen gegaan, volledig aansluiten op de bevindingen uit het onderzoek van de vluchtgegevens van het vliegtuig de PH-BFG, de ‘City of Guayaquil’. Naast alle gevoerde gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de vluchtbewegingen wijst de rechtbank op de overige (vele) telefonische contacten. Uit al deze gesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, kan mede gelet op het gebruikte, versluierde taalgebruik en de in het kader van het onderzoek ‘Kilimanjaro’ bewezenverklaarde zendingen cocaïne van Suriname naar Nederland naar het oordeel van de rechtbank afgeleid worden dat men doende is geweest een zending verdovende middelen in ieder geval voor te bereiden.

Naar aanleiding van bovengenoemde bijzondere aandacht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor de vluchtbewegingen van KLM vliegtuigen is door verbalisanten op 27 november 2008 een observatie uitgevoerd op het KLM vliegtuig de ‘City of Guayaquil’. De verbalisanten relateren dat zij constant zicht hadden op het vliegtuig, maar dat het een komen en gaan was van voertuigen en personen die werkzaamheden kwamen uitvoeren bij het vliegtuig en dat het door de duisternis en de weerspiegeling van de ramen moeilijk was om overzicht te houden (en dat het daardoor moeilijk was iemand te herkennen). Derhalve is op geen enkel moment gezien dat (één van de) verdachten zich op het vliegtuig hebben begeven. Voorts is niet waargenomen dat ‘iets’ in de zin van verdovende middelen van het vliegtuig is gehaald. Op andere dagen en tijdstippen in de periode rondom 27 november 2008 is evenmin waargenomen dat er verdovende middelen van het vliegtuig zijn gehaald. Naar het oordeel van de rechtbank staat derhalve niet vast dat er door verdachten op of omstreeks 27 november 2008 verdovende middelen van het vliegtuig zijn gehaald.

De op 27 november 2008 (om 7.29 uur, 7.46 uur, 8.07 uur en 9.28 uur) tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verstuurde sms’jes maken dit oordeel van de rechtbank niet anders. Immers, de betekenis van het sms’je inhoudende “KM 4” is onbekend gebleven en het sms’je “Ben op .17” houdt – ook blijkens de verklaring van [medeverdachte 4] ter terechtzitting afgelegd – wellicht niets meer in dan een mededeling dat [medeverdachte 1] zich bevindt bij gate E17 (in de buurt van gate E18). Het sms’je inhoudende “Bingo” vindt de rechtbank moeilijk te duiden, nu omtrent de betekenis van dit sms’je in het voorbereidende onderzoek geen verklaring werd afgelegd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Echter, dit is een sms-bericht dat door [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] is gezonden. Niet gebleken is van enige betrokkenheid van verdachte bij (de inhoud van) dit bericht. De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit dit sms’je niet geconcludeerd kan worden dat cocaïne van een vliegtuig is gehaald, ook niet indien dit sms’je in samenhang wordt bezien met voorgaande opgenomen gesprekken en sms’jes.

Weliswaar heeft [medeverdachte 4] blijkens zijn pasgegevens die dag te 11.29 uur het beveiligde deel van Schiphol verlaten, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] te 11.37 uur, maar nadien is medeverdachte [medeverdachte 4] niet meer in het bijzijn van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 5] gesignaleerd. Bovendien was de dienst van [medeverdachte 4] die dag reeds te 5.00 uur aangevangen, het verlaten van het beveiligde gebied te 11.29 uur hoeft dan ook niet per definitie die betekenis te hebben die de officier van justitie eraan verbindt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] hebben beiden op hetzelfde tijdstip het beveiligde deel van Schiphol verlaten, naar hun zeggen, omdat medeverdachte [medeverdachte 1] met [medeverdachte 5] meereed. Zij zijn vervolgens ook beiden in de auto van [medeverdachte 5] op een later moment door het observatieteam gesignaleerd in de [adres 4] te Amsterdam, via welke route [medeverdachte 5] op verzoek van [medeverdachte 1] richting huis is gereden.

Overigens heeft er op die 27e november 2008 een observatie plaatsgevonden, waarbij het observatieteam heeft waargenomen dat [medeverdachte 2] met zijn auto op de [adres 4] te Amsterdam is. Tevens heeft het team waargenomen dat [medeverdachte 1] met een bolstaande tas het voertuig waarin [medeverdachte 2] zich bevindt, in stapt. Hierna wordt gezien dat [medeverdachte 1] weer uitstapt en de tas die hij bij zich had, niet meer bolstaat. Hierna stapt [medeverdachte 1] weer in de auto van [medeverdachte 5]. De observanten hebben vervolgens waargenomen dat zij wegrijden.

De officier van justitie heeft naar aanleiding van deze observatie geconcludeerd dat op dat moment de overdracht van de verdovende middelen heeft plaatsgevonden. Immers, bij [medeverdachte 2] is bij zijn aanhouding te 13.30 uur een tas met onder meer pakketten met ongeveer 5 kilogram cocaïne aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het aantreffen van deze hoeveelheid cocaïne bij [medeverdachte 2] niet voor het bewijs gebezigd worden dat verdachte en zijn medeverdachten zich aan de tenlastegelegde invoer van cocaïne hebben schuldig gemaakt. De op [medeverdachte 2] uitgevoerde observatie laat ruimte voor het anders dan door overdracht door [medeverdachte 1] in het bezit komen van de pakketten cocaïne. De observanten hebben [medeverdachte 2] vanaf 12.04 uur niet continu in beeld gehad, [medeverdachte 2] is immers gedurende enige tijd op bezoek geweest bij kennissen aan de [adres 2] te Amstelveen, een onbekende persoon heeft een rode tas uit de achterbak van de auto van [medeverdachte 2] gehaald, te 13.08 uur komen [medeverdachte 2] en de onbekende man uit het pand aan de [adres 2] te Amstelveen, [medeverdachte 2] met 2 tassen in zijn hand, de onbekende man met een half gevulde vuilniszak en te 13.11 uur legt [medeverdachte 2] iets in zijn auto en rijdt weg. In het relaas van bevindingen dat van deze observatie is opgemaakt, is niet duidelijk en/of consistent weergegeven welke tassen met welke kleuren of opdrukken waargenomen worden, zodat niet duidelijk is geworden of de tas waarin de pakketten met cocaïne bij [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, de tas is die de observanten te eniger tijd na de ontmoeting met [medeverdachte 1] in het bezit van [medeverdachte 2] hebben gezien.

Daar komt bij dat een observatie over een al dan niet bol of minder bol staande tas ruimte laat voor een subjectieve interpretatie, die aan een spijkerharde vaststelling dat er iets is overgedragen in de weg staat.

Tenslotte heeft [medeverdachte 2], ter terechtzitting als getuige onder ede gehoord, verklaard dat hij die dag op verzoek van ene [betrokkene] cocaïne heeft vervoerd. Hij had die morgen van [betrokkene] een tas met cocaïne gekregen en moest die naar een kennis in Amsterdam-Osdorp brengen. Op weg naar die kennis is hij op bezoek geweest aan de [adres 2] te Amstelveen, nadat hij [medeverdachte 1] had ontmoet in verband met eventuele tickets voor een vlucht naar Japan, waar op 6 december 2008 een kickbokswedstrijd zou plaatsvinden. [medeverdachte 1] had hem een sms-bericht gezonden, dat het gelukt was tickets te bemachtigen voor de vlucht. Ook al komt de rechtbank deze verklaring niet op alle onderdelen geloofwaardig voor, dat doet aan het vorenstaande niet af. Niet uitgesloten kan worden dat [medeverdachte 2] daadwerkelijk de bij hem aangetroffen hoeveelheid cocaïne van een ander dan [medeverdachte 1] (of één van de andere medeverdachten) heeft gekregen en voor die ander de cocaïne heeft vervoerd. Bovendien is daarmee nog niets vastgesteld met betrekking tot de tenlastegelegde invoer van cocaïne in Nederland op of omstreeks 27 november 2008.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op of omstreeks 27 november 2008 ongeveer 5 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd. Verdachte dient daarvan derhalve te worden vrijgesproken.

4.6. Overwegingen met betrekking tot feit 4 (zaaksdossier B04)

4.6.1. Bewezenverklaring feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 28 juli 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.6.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 4

Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 5] is opgenomen onder tapnummer TA808 en gekoppeld aan verdachte. Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 6] is opgenomen onder tapnummer TA811 en eveneens gekoppeld aan verdachte. Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 2] is opgenomen onder tapnummer TA903 en gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 3].

Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 4] is opgenomen onder tapnummer TA 1001 en gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 2].

De rechtbank acht de navolgende telefoongesprekken en sms-berichten redengevend voor het bewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt door verdachte en zijn medeverdachten in de afgeluisterde gesprekken en sms-berichten versluierd taalgebruik gebezigd. Zo kunnen woorden als ‘de kamer, ‘de schoonvader’ en ‘bruine honden’, gelet op de context waarin ze gebruikt zijn, niet letterlijk bedoeld zijn. Voorts wordt in een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 3] ten aanzien van een misverstand over het bestellen van een ‘1 kilo pakket’ door verdachte voor [medeverdachte 3] besproken dat volgens verdachte [medeverdachte 3] gevraagd had één ticket voor hem te bestellen en dat niet tot hem is doorgedrongen wat [medeverdachte 3] bedoelde voor zichzelf. [medeverdachte 3] zegt dat hij duidelijk tegen verdachte heeft gezegd 1 ticket voor hem bestellen en dat verdachte heeft gezegd dat het goed is. Verdachte antwoordt dat hij als [medeverdachte 3] over de telefoon zegt “1 ticket bestellen”, aan contracten denkt. In reactie op het antwoord van verdachte, geeft [medeverdachte 3] aan dat “was na die contract gewoon. Ik heb in telefoon tegen jou gezegd één ticket voor mij bestellen ook”. In een volgend telefoongesprek zegt verdachte tegen [medeverdachte 3] dat hij zich schuldig voelt en stelt voor die van ons gewoon samsam te doen. Maar [medeverdachte 3] wil niet meer, hij is boos.

Door verdachte en zijn medeverdachten is geen (toereikende) verklaring gegeven voor de inhoud van voornoemde sms berichten en telefoongesprekken. Gelet op het gebruikte versluierd taalgebruik, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat voornoemde berichten en gesprekken, in onderlinge samenhang bezien en in verband met de hierna opgenomen overige redengevende feiten en omstandigheden, betrekking hebben op het invoeren van een hoeveelheid verdovende middelen vanuit Suriname, meer in het bijzonder op het vliegtuig waarin de verdovende middelen verstopt zijn, de ‘City of Nairobi’, op de locatie van de verstopplek, de vliegbewegingen van dit vliegtuig, alsmede op een controle van de KMAR op Schiphol van de ‘City of Nairobi’ komende uit Paramaribo (Suriname).

De rechtbank acht de navolgende telefoongesprekken en sms-berichten redengevend voor de bewezenverklaring in deze zaak.

Op 17 juli 2008 vindt er een tapgesprek plaats tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte waarin [medeverdachte 3] verdachte verzoekt aan hun vriend te laten weten dat de afspraak voor zaterdag is. Verdachte zal dat meteen gaan zeggen. [medeverdachte 3] vraagt of verdachte ook meteen een ticket voor hem kan zetten. Verdachte vindt dat goed en vraagt met hoeveel vrienden ze zaterdag gaan kijken. [medeverdachte 3] antwoordt met 10, 11. Verdachte zegt dat hij dat zal doen waarop [medeverdachte 3] hem nog op het hart drukt zijn ticket niet te vergeten. Verdachte zal het niet vergeten en ook voor [medeverdachte 3] eten bestellen.

Op 25 juli 2008 om 15.34 uur is er een tapgesprek opgenomen tussen verdachte en [medeverdachte 3] waarbij [medeverdachte 3] zegt dat Linda daar morgen effe moest gaan. Maar hij is zoek gegaan en daar bij de systeem is nog steeds niet duidelijk welke gaat morgen. Maar morgenochtend weet [medeverdachte 3] genoeg, hij stuurt verdachte morgenochtend bericht. Verdachte vindt het geen probleem. [medeverdachte 3] vraagt wat verdachte van overmorgen denkt. Verdachte denkt dat het kan doorgaan. Ze kunnen niet…het kan niet teruggetrokken worden nu. De contracten zijn getekend. Het ligt daar gewoon, het moet opgehaald worden. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens “dus ehh, morgen denk je, gaan we door?” Verdachte antwoordt “Ja, ja zeker, 100%, ja.”

Die dag om 16.30 uur belt verdachte naar [medeverdachte 2] en deelt mee dat hij net met [verdachte] heeft gesproken en dat deze heeft gezegd dat Linda zou gaan maar dat ze ziek is geworden. Er staat nog niet op welke SMA gaat nu. Hij kan dan ook niet weten waar ie naar toe gaat de dag daarop. [medeverdachte 2] geeft aan dat ze dan effe moeten wachten.

Verdachte belt vervolgens naar een NN-man in Suriname (25 juli 2008 te 19.24 uur) en zegt daarbij onder meer dat deze moet luisteren: “Als dat ding komt… Die man had mij gezegd dat ik naar Linda moest gaan. Maar Linda is ziek geworden en Linda is niet gekomen.” De Surinaamse man antwoordt hierop dat als die vrouw niet komt dat dit dan jammer is. “Dan komt die andere. Alleen moet die man kijken waar het gaat.” Verdachte zegt: “Ja, morgen kan die man het weten…. Het is niet jouw schuld en ook niet onze schuld.” De Surinaamse man wil weten of de man moeite gaat doen of niet. Als die man geen moeite gaat doen moet hij (de Surinaamse man ) zorgen dat het niet gaat. Verdachte stelt dat die man altijd moeite doet om dat ding snel in orde te maken. Die man is 5 dagen daar, die man is er elke dag. De Surinaamse man zegt dat hij het niet wil doen als dezelfde vrouw hier komt. Want waarschijnlijk hebben ze die waggie-auto (kist) niet schoongemaakt.

Op 26 juli 2008 meldt de onbekende Surinamer aan verdachte dat diens vriend Guno er was. Verdachte moet hem ’s morgens zeggen of zijn “zus” gaat komen. Deze antwoordt dan dat als Guno komt…Afgeblazen hè.

Uit onderzoek is gebleken dat de City of Lima (PH-BFL) gepland stond om de vlucht te maken naar Paramaribo. Maar uiteindelijk is de City of Lima op 25 juli omstreeks 13.48 uur naar New York gevlogen.

Uit de hiervoor genoemde gesprekken concludeert de rechtbank dat gelet op het versluierde taalgebruik tijdens voormelde gesprekken en gelet op de vluchtgegevens van het vliegtuig PH-BFL met “Linda”de “City of Lima” wordt bedoeld.

Op 26 juli 2008 is er tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte contact middels sms’jes. Die dag wordt om 6.48 uur door verdachte aan [medeverdachte 3] een bericht gestuurd inhoudende ‘wie gaat er mee’, welk sms’je door [medeverdachte 3] wordt beantwoord met een sms inhoudende ‘Nina’. Verdachte stuurt dan korte tijd later een sms inhoudende ‘Nico’ aan de onbekend gebleven NN-man in Suriname. Deze NN-man stuurt naar verdachte een sms terug inhoudende ‘oke’. Te 12.29 uur vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en verdachte, waarin [medeverdachte 2] aangeeft gehoord te hebben dat hij het toch gaat doen. Verdachte antwoordt dat hij hem net gestuurd heeft dat Nico het is. Uit onderzoek is gebleken dat het KLM vliegtuig met kenmerk PH-BFN, de “City of Nairobi” op 26 juli 2008 naar Suriname is gevlogen.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt, gelet op het versluierde taalgebruik, zoals hiervoor overwogen, dit vliegtuig bedoeld, wanneer in de desbetreffende sms- en telefoongesprekken gesproken wordt over ‘Nico’ en ‘Nina’. De rechtbank neemt daarbij overigens tevens in aanmerking dat er, wanneer er in telefoongesprekken gesproken wordt over schoonvader(s) die gedurende een aantal uren bij hem zijn geweest en [medeverdachte 3] daarom niet bij hem kan komen, die dag daadwerkelijk een doorzoeking van het vliegtuig de “City of Nairobi” heeft plaatsgevonden gedurende het in het telefoongesprek genoemde aantal uren, waardoor er geen anderen op de “City of Nairobi” konden komen.

Op diezelfde dag (om 23.36 uur) wordt verdachte gebeld door de onbekend gebleven NN-man in Suriname. Dit gesprek houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als vraag van de NN-man aan verdachte of ‘je vriendin morgen daar [is]’, waarop verdachte antwoordt ‘ja dat ding is er. Ik ga die man bellen en zeggen dat alles gewoon goed is’. Kort na dit gesprek stuurt verdachte een sms bericht aan [medeverdachte 3] met de tekst ‘ja het is goed gegaan’. [medeverdachte 3] antwoordt daarop ’10 dag is goed’, waarop verdachte reageert met de tekst ‘ja’.

Op 27 juli 2008 (om 1.33 uur) belt verdachte naar de NN-man in Suriname. In dit gesprek wordt gesproken over een locatie, immers gesproken wordt over dat het ‘op dezelfde plaats gaat zijn. Maar het kon niet slapen in één van die twee kamers’ en dat ‘het verder naar achteren is gegaan’. De NN-man deelt verdachte voorts nog mede ‘Wijs die man. Het is 12000 gulden’. Later diezelfde dag (om 12.10 uur) wordt verdachte gebeld door [medeverdachte 2] met de mededeling dat verdachte een afspraak moet maken ‘tegen half 3, 3 uur’ met ‘die mannen’ wanneer [medeverdachte 2] ‘die brief’ gaat halen. Om 14.29 uur belt [medeverdachte 2] nogmaals naar verdachte. In dit gesprek zegt verdachte tegen [medeverdachte 2] dat ze ‘naar [medeverdachte 3] moeten gaan voor die papieren van je’.

Op 27 juli 2008 vindt in de ochtend een 100% controle plaats door de KMAR en de Douane van het vliegtuig met registratienummer PH-BFN, de ‘City of Nairobi’ komende uit Paramaribo (Suriname). Om 8.55 uur is door de Koninklijke Marechaussee op pier E24 gestart met een doorzoeking van dit vliegtuig. Om 10.10 uur is het vliegtuig door medewerkers van de KLM versleept naar bufferplaats P 12. Om 12.55 uur is het onderzoek gestaakt. In het vliegtuig is niets relevants aangetroffen.

Op 27 juli 2008 (om 14.52 uur) belt verdachte met [medeverdachte 3] en krijgt verdachte te horen dat [medeverdachte 3] hem wil zien omdat ‘die schoonvader was 5 uurtjes bij die vrouw eigenlijk’. Direct na dit gesprek belt verdachte met [medeverdachte 2] om door te geven dat ze naar [medeverdachte 3] moeten gaan omdat ‘er problemen zijn’ en dat verdachte verteld is dat ‘die schoonvader’ 5 uur lang bij hem was.

Ook wordt op 27 juli 2008 (om 17.53) een gesprek gevoerd tussen de NN-man uit Suriname en verdachte, in welk gesprek gesproken wordt over ‘die schoonvader’ en waarop verdachte het volgende zegt: ‘het is daar 2 uur blijven staan en ze hebben het daar boven bekeken. Ze hebben het toen verder gebracht. Ze hebben toen 3 uur lang ernaar gekeken. En ze zijn in die kamer gegaan’. De NN-man zegt daarop tegen verdachte ‘die kamers zijn groot. Misschien zijn het ook die bruine honden’. Verdachte vertelt de NN-man nog ‘dat is het probleem de schoonvader gaat morgen weer weg. Hij gaat niet ver. Hij gaat even in de kou en komt weer’.

Uit onderzoek is gebleken dat de ‘City of Nairobi’ op 28 juli 2008 naar San Francisco vliegt en op 29 juli 2009 weer retour Schiphol komt.

Op 28 juli 2008 staat het vliegtuig met registratienummer PH-BFN, de ‘City of Nairobi’ op de buffer op Schiphol. Op 28 juli 2008 komt medeverdachte [medeverdachte 3] – blijkens de uitdraai van de pasgegevens van zijn Schipholpas – om 5.58 uur aan op zijn werk op Schiphol. Korte tijd later (28 juli 2008 om 7.44 uur) stuurt [medeverdachte 3] een sms aan verdachte met de tekst ‘het is goed’.

Op diezelfde dag, iets meer dan tien minuten later dan de door hem verstuurde sms dat het goed is, wordt het gebruik van de Schipholpas van [medeverdachte 3] om 07.55 uur geregistreerd bij een van de uitgangen van Terminal 3. Die dag wordt geen ander pasgebruik door [medeverdachte 3] geregistreerd. Uit een kopie van het rooster van Asito betreffende [medeverdachte 3] van 28 juli 2008 blijkt dat hij die dag een dienst zou hebben van 8.30 uur tot 13.00 uur. In dit rooster is echter als opmerking ‘snip’ achter zijn naam opgenomen.

Bij gebreke van een geloofwaardige verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] over de reden van de vroege aankomst op en vertrek van zijn werk die dag, had de aanwezigheid van [medeverdachte 3] op 28 juli 2009 op Schiphol naar het oordeel van de rechtbank ten doel een hoeveelheid verdovende middelen, waarover in eerder genoemde tapgesprekken door verdachte en zijn medeverdachten versluierd gesproken is, van het KLM vliegtuig de ‘City of Nairobi’ te halen.

Op 28 juli 2008 (om 8.34 uur) wordt door een (in een verborgen cameraopstelling opgestelde) camera van het observatieteam vastgelegd dat medeverdachte [medeverdachte 3] thuis komt (aan de [adres 1]) en de berging van zijn woning betreedt met een witte vuilniszak.

Gelet op het korte tijdbestek (39 minuten) tussen het verlaten van Schiphol en het arriveren op de [adres 1], is de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een toereikende verklaring daaromtrent, van oordeel dat de witte vuilniszak waarmee medeverdachte [medeverdachte 3] thuis komt, die ochtend door hem van Schiphol is meegenomen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een verbalisant werkzaam op Schiphol ten aanzien van deze vuilniszak gerelateerd heeft dat het een typische vuilniszak betreft die op de luchthaven veelal door schoonmaakbedrijven wordt gebruikt.

Uit het door [medeverdachte 3] vanaf Schiphol gestuurde sms bericht aan verdachte, te weten ‘het is goed’, in samenhang bezien met al het voorgaande, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat (mede)verdachte [medeverdachte 3] op 28 juli 2008 verdovende middelen van het op 27 juli 2008 uit Suriname gearriveerde KLM vliegtuig ‘City of Nairobi’ heeft afgehaald en in een witte vuilniszak naar huis heeft gebracht. Dat de verdovende middelen cocaïne betreffen, leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte en zijn medeverdachten, zoals uit dit vonnis blijkt, zich korte tijd later, te weten op 25 augustus 2008, schuldig hebben gemaakt aan de gezamenlijke invoer van cocaïne op Schiphol. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat Suriname een bronland is van met name cocaïne.

Om 8.41 uur vindt er tussen verdachte en [medeverdachte 3] een telefoongesprek plaats waaruit blijkt dat [medeverdachte 3] thuis is en dat verdachte naar hem toe komt. Verdachte belt na dit gesprek met [medeverdachte 2] en vraagt of [medeverdachte 2] even naar [medeverdachte 3] kan gaan. [medeverdachte 2] antwoordt te zullen gaan. Verdachte belt hierop weer naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij [medeverdachte 2] (de bijnaam van [medeverdachte 2]) gaat sturen. Een klein uur later belt [medeverdachte 3] naar verdachte met de vraag of [medeverdachte 2] er nog niet is. Verdachte antwoordt bevestigend dat [medeverdachte 2] er nog niet is, maar dat [medeverdachte 2] wel onderweg is. Twee minuten later belt [medeverdachte 2] naar verdachte met de mededeling dat hij bij [medeverdachte 3] is. Na dit gesprek belt verdachte om 9.46 uur naar [medeverdachte 3] met de mededeling dat [medeverdachte 2] er is. Tijdens dit laatstgenoemde gesprek wordt door verdachte tevens een gesprek over een andere telefoonlijn gevoerd. In dit andere door verdachte gevoerde gesprek geeft [medeverdachte 2] aan bij de garage te zijn. Middels eerder genoemde verborgen camera wordt om 9.49 uur (foto 7) gezien dat [medeverdachte 3] de berging betreedt en vervolgens om 9.50 uur (foto’s 8, 9, 10 en 11) gezien dat hij de berging uit loopt met een bruinkleurige tas. Op de foto is voorts te zien dat de hengels van deze bruine tas strak staan. Op een latere foto (foto 12) is te zien dat [medeverdachte 3] (om 9.51 uur) de berging weer betreedt, ditmaal zonder de bruinkleurige tas. Als (om 9.53 uur) hij de berging daarna verlaat, heeft hij een witte vuilniszak in zijn handen (foto 13). Later die dag (om 11.40 uur) belt verdachte met [medeverdachte 3]. In dit gesprek geeft verdachte aan dat ‘[medeverdachte 2] goed is aangekomen bij hem’ en beantwoordt verdachte de vraag van [medeverdachte 3] of ‘zijn pakket toch ook goed [is]’ met ‘ja, jouw pakket was ook goed’.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat medeverdachte [medeverdachte 3] de op 28 juli 2008 van het vliegtuig gehaalde cocaïne even na 9.50 uur heeft overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 2], die vervolgens kort daarop een ontmoeting heeft met verdachte.

Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden ook in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (verlengde) invoer van een hoeveelheid kilogram cocaïne in Nederland gepleegd op 28 juli 2008 te Schiphol, tezamen en in vereniging met anderen gepleegd.

4.7. Overwegingen met betrekking tot feit 5 (zaaksdossier B05)

4.7.1. Bewezenverklaring feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij op 25 augustus 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer achttien (18) kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.7.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 5

Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 7] is opgenomen onder tapnummer TA812 en gekoppeld aan verdachte. Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 6] is opgenomen onder tapnummer TA811 en eveneens gekoppeld aan verdachte. Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 2] is opgenomen onder tapnummer TA903 en gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 3].

Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 5] is opgenomen onder tapnummer TA808 en gekoppeld aan verdachte.

Het in dit zaaksdossier voorkomende telefoonnummer [telefoonnummer 4] is opgenomen onder tapnummer TA 1001 en gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 2].

De rechtbank is tot deze bewezenverklaring gekomen op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

In het kader van een observatie op het KLM vliegtuig ‘City of Nairobi’ (PH-BFN) op 25 augustus 2008 is door twee leden van de Koninklijke Marechaussee (hierna aan te duiden als KMAR) gezien dat medeverdachte [medeverdachte 3] en medeverdachte [medeverdachte 6] te 13.38 uur van boord van de ‘City of Nairobi’ komen, terwijl beiden een grote plastic zak op hun rug dragen. Tevens wordt geobserveerd dat zij deze zakken in de laadruimte van het door hen gebruikte dienstvoertuig (voorzien van het registratieteken ASITO 15) van het bedrijf Asito Aviation leggen. Vervolgens zien de observanten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] in het voertuig ‘Asito 15’ rijden, waarna zij te 13.42 uur worden staande gehouden door leden van de KMAR binnen het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol. De leden van de KMAR zien dat [medeverdachte 3] een wit poeder op beide handen heeft en dat hij een tweetal verwondingen heeft aan zijn hand en onderarm waarop gestold bloed zichtbaar is.

[medeverdachte 3], bestuurder van de ‘Asito 15’, opent de achterdeuren van de auto en verbalisanten zien diverse doorzichtige zakken liggen met het logo van de luchtvaartmaatschappij Martinair. In één doorzichtige zak is KLM blauwe kleding zichtbaar voorzien van het KLM logo. Deze zak voelt erg zwaar aan in tegenstelling tot de zakken van Martinair. Ongevraagd vertelt [medeverdachte 3] dat zij geen zak of meerdere zakken mee hebben genomen vanaf het KLM toestel ‘City of Nairobi’ en dat de zak die door verbalisanten in beslag is genomen al in de auto stond voordat zij er gebruik van maakten. De zakken zaten in elkaar en waren gevuld met ondermeer vijf kussenslopen. Twee van de vijf kussenslopen waren gevuld met vijftien in grijs omwikkelde pakketten.

Bij onderzoek in het vliegtuig ‘City of Nairobi’ op 25 augustus 2008 te omstreeks 17.00 uur blijken er op het benedendeck van de businessclass op 5 zittingen van de stoelen geen kussentjes te liggen. In een geopend overheadcompartiment ligt een geopende zak met kussenslopen die ook in de in beslaggenomen vuilniszak zijn gevonden. Tevens zien de verbalisanten op de zitting van stoel C van rij 1 een paar latexhandschoentjes liggen waarvan er één is gescheurd en zichtbaar rood is gekleurd.

Overigens dient volgens de verklaring van [getuige 1], planner bij Asito Aviation, op 8 juli 2009 afgelegd tegenover de KMAR, volgens vaste procedure de auto door de chauffeur voordat zij gaan rijden, gecheckt te worden. De auto dient aan het einde van de dienst schoon en leeg achter gelaten te worden voor de volgende gebruiker.

De pakketten worden nader onderzocht. Om de pakketten is een laag zilvergrijs ducktape gewikkeld, aan de buitenkant voorzien van twee a drie strookjes rood en geel dubbelzijdig tape, op twee van de vijftien pakketten is groen dubbelzijdig tape aangetroffen. Na verwijdering van de laatste verpakkingslaag blijkt het nettogewicht van de aangetroffen stof 17943,0 gram te zijn. Hiervan worden 15 representatieve monsters, onder nummer 2398 A/O, ter analyse overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk (NFI).

Uit het door het NFI opgestelde rapport blijkt het onderzoeksmateriaal met de nummers 2398A tot en met 2398O cocaïne te bevatten zoals vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Vervolgens is door personeel van Bureau Forensische Opsporing (BFO) een dactyloscopisch onderzoek ingesteld naar de in beslag genomen 15 pakketten. Hierbij zijn 16 vingerafdrukken aangetroffen. Uit onderzoek aan de vingerafdrukken blijkt dat één van de vingerafdrukken, aangetroffen op de plastic zak, van [medeverdachte 3] is.

Tevens blijkt dat er twee van de vingerafdrukken, aangetroffen op de plastic zak en de verpakking van een pakket van [medeverdachte 6] zijn.

[medeverdachte 6] heeft op 17 juni 2009 tegenover de KMAR verklaard dat hij op 25 augustus 2008 samen met [medeverdachte 3] aan het werk was met het uitlopen van kussens en dekens. Toen ze daarmee klaar waren, moesten ze alle rotzooi opruimen. In de business-class zag hij de pakketten liggen die hij in een vuilniszak deed. Volgens hem heeft [medeverdachte 3] de pakketten ook aangeraakt, zij hebben samen het vuil weggehaald.

Vanaf 2 augustus 2008 is er intensief telefonisch contact tussen verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] heeft direct contact met zijn collega bij Asito, [medeverdachte 6].

Naar het oordeel van de rechtbank wordt, wanneer in de desbetreffende telefoongesprekken gesproken wordt over de ‘Nico’, ‘Nina’ of ‘Nita’, het vliegtuig met het kenmerk PH-BFN, ‘City of Nairobi’, bedoeld. Uit de inhoud van de diverse telefoongesprekken, bezien in onderling verband en samenhang met de naar aanleiding van die telefoongesprekken uitgevoerde observaties op de ‘City of Nairobi’ alsmede de vluchtgegevens van de ‘City of Nairobi’, kan het niet anders zijn dan dat in die gesprekken de ‘City of Nairobi’ met ‘Nico’, ‘Nita’ of ‘Nina’ wordt aangeduid.

De rechtbank heeft voor deze conclusie met name de navolgende telefoongesprekken redengevend geacht.

Op 6 augustus 2008 vindt er een gesprek plaats tussen verdachte en een onbekende man met een Surinaams nummer, waarbij verdachte aangeeft dat de man op clean staat. Met clean wordt vermoedelijk bedoeld dat het vliegtuig op de buffer staat. Uit de vluchtgegevens is gebleken dat de ‘City of Nairobi’ die dag inderdaad op buffer staat.

Op 9 augustus 2008 belt [medeverdachte 3] met verdachte en geeft door dat die ene vandaag naar de vriend van verdachte is gegaan. Hij heeft het 3, 4 keer geprobeerd. Hij is echt boos. Uit de vluchtgegevens van de ‘City of Nairobi’ blijkt dat het vliegtuig op 9 augustus 2008 is vertrokken naar Suriname en de volgende dag naar hangar 11 zal gaan.

Op 11 augustus 2008 telefoneren verdachte en een onbekende met een Surinaams nummer met elkaar, waarbij verdachte aangeeft dat [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij weer naar dollar gaat. [medeverdachte 2] en hij, verdachte, gaan [medeverdachte 3] morgen ontmoeten. De onbekende vraagt of verdachte denkt dat hij daar morgenochtend is. Verdachte antwoordt dat hij daar in de ochtend is. Uit de vluchtgegevens van de ‘City of Nairobi’ blijkt inderdaad dat deze op 11 augustus 2008 naar New York is gevlogen en de volgende dag zal terugkomen.

Op 25 augustus 2008, de dag waarop te ongeveer 13.45 uur 18 kilogram cocaïne in de door [medeverdachte 3] bestuurde Asito 15 wordt gevonden, vindt er later in de middag in de auto van verdachte een gesprek plaats tussen verdachte en [medeverdachte 1], waarbij verdachte aan [medeverdachte 1] vraagt of hij die ‘Nico’ al gevonden heeft. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij er niet op kan komen. Verdachte vindt dat hij even moet voelen of het er nog is. Later in het gesprek zegt verdachte dat ze deze man al drie keren op de ‘Nico’ hebben gezien, vandaag is de 3e keer. Uit de op 25 augustus 2008 op de ‘City of Nairobi’ uitgevoerde observatie blijkt dat [medeverdachte 3] inderdaad op de ‘City of Nairobi’ is geweest.

Op 3 augustus 2008 heeft verdachte een gesprek met een NN man in Suriname waarin ze spreken over “de bouwtekening” (een plattegrond van het vliegtuig waarop de locatie van de vermoedelijk verdovende middelen is aangegeven volgens de verbalisanten) en over “15.000 en 18.000 gulden”.

Vervolgens wordt er gebeld over het toestel (de Nico, daarmee wordt het toestel ‘City of Nairobi’ aangeduid), de personen die het eraf moeten halen en de verstopplekken.

Het observatieteam ziet [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] bij de City of Nairobi op 7, 12, 13 en 25 augustus 2008, waarbij vaststaat dat zij in ieder geval op de 13e augustus 2008 niets te zoeken hadden in de ‘City of Nairobi’.

Over de taps valt te horen dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] iets van boord moeten halen maar dat dit telkens niet lukt.

Omdat het kennelijk te lang duurt voor het van boord gehaald is en er een aantal mensen ongeduldig begint te worden willen verdachte en [medeverdachte 2] nu ook weer [medeverdachte 1] erbij hebben en ze bespreken dat, maar die blijkt nog op vakantie te zijn. Als [medeverdachte 1] terug is van vakantie wordt er meteen contact met hem opgenomen. Op 16 augustus 2008 om 21.14 uur belt verdachte naar [medeverdachte 3], waarin [medeverdachte 3] aan verdachte vraagt of ‘[medeverdachte 1]’ al terug is en of ze morgen bij ‘[medeverdachte 1]’ even praten voor een ander plan.

Ook wordt meteen besproken hoe dat dan moet met de beloning omdat [medeverdachte 1] nu ook meedoet. Verdachte en [medeverdachte 2] bespreken dat in de auto van verdachte op 18 augustus 2008. Wanneer [medeverdachte 1] ook in de auto is, wordt er intensief gesproken over de controle op de ‘Nico’ en dat de man wil dat [medverdachte 1] erin gaat. Volgens verdachte hebben ze het niet weggehaald, hij en [medeverdachte 2] praten erover hoe het anders kan, waarbij [medeverdachte 1] achter hen staat.

Op 20 augustus 2008 vindt er in de morgen een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en verdachte, waarbij [medeverdachte 1] vraagt of die man nog steeds niets kan doen. Verdachte heeft nog niets van die man gehoord. Overwogen wordt of die man een spelletje met hen speelt. Verdachte moet vervolgens van [medeverdachte 1] tegen die man zeggen dat hij zijn best moet doen, want dit doet hem stressen. Later, laat in de avond op diezelfde dag, vindt er opnieuw een gesprek tussen beiden plaats, waarbij er druk overlegd wordt of die man al dan niet naar de ‘City of Nairobi’ kan gaan en zo ja, wanneer. [medeverdachte 1] wil ook weten hoe het pakketje van die mannen is uitgelopen.

Op 21 augustus 2008 vindt er in de auto van verdachte een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en verdachte, dat door middel van opnameapparatuur is opgenomen. [medeverdachte 1] heeft de ‘Nico’ niet gecheckt. Hij maakt zich zorgen, aangezien ze nu al de 4e week voor [medeverdachte 3]. ingaan, en is bang dat er iets achter zit. Verdachte antwoordt daarop dat de man altijd wacht totdat de kist schoon is, dat de man niet wil gaan wanneer die nog bij de gate staat. Die man heeft beloofd dat hij het in de businessclass in de stoel zou doen.

Na de inbeslagname van de cocaïne op 25 augustus 2008 volgt er intensief overleg tussen [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], verdachte en [medeverdachte 2], zowel over de telefoon als in persoon.

Op 25 augustus 2008 om 14.26 uur wordt van het nummer van [medeverdachte 3] een sms naar verdachte gestuurd met de tekst: “Het is een probleem. Voorlopig kom je niet naar mij toe.” Daarop volgen er nog meer sms-berichten tussen deze beide nummers waarbij verzocht wordt te bellen en dat verdachte om 7.00 uur bij [medeverdachte 3] is. Tevens is er een sms-bericht verzonden, waarin is vermeld ‘mijn man is niet thuis’. Hierover heeft de echtgenote van [medeverdachte 3] verklaard dat zij deze gestuurd heeft, omdat verdachte maar steeds naar het nummer van haar man bleef bellen.

Op 25 augustus 2008 om 16.54 uur geeft [medeverdachte 3] aan verdachte door dat hij door ‘de schoonvader is aangehouden’, ‘ze het meisje hebben weggenomen’ en ‘ze hem papieren hebben gegeven’.

Aan het einde van de middag vindt er een gesprek plaats in de auto van verdachte tussen verdachte en [medeverdachte 1]. Besproken wordt dat [medeverdachte 3]. geld nodig heeft en wel moest gaan. Deze man, zo zegt verdachte, hebben ze drie keren op de ‘Nico’ gezien, vandaag voor de 3e keer. Hij moest zeggen dat hij opdracht heeft gekregen erop te gaan. Vervolgens zegt [medeverdachte 1] dat de man moet zeggen dat hij niets weet. Vervolgens wordt op 25 augustus 2008 om 18.44 uur tijdens een observatie gezien dat verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] elkaar ontmoeten nabij de woning van [medeverdachte 3]. In de auto praten verdachte en [medeverdachte 3] verder over wat er gebeurd is en wat [medeverdachte 3] moet vertellen als hij wordt aangehouden. ,

Tijdens het gesprek op 25 augustus 2008 geeft [medeverdachte 3] aan verdachte zijn volledige personalia door met geboortedatum. [medeverdachte 3] vertelt verder aan verdachte dat “hij wel handschoenen droeg en die jongen niet”.

Op 25 augustus 2008 om 19.27 wordt tijdens een observatie gezien dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte aan de [adres 3] te Amsterdam in de directe omgeving van hun auto’s staan te praten en omstreeks 19.37 uur in de VW Golf, kenteken [kenteken 1] in gebruik bij verdachte, stappen.

In de auto legt [medeverdachte 3] uit dat er rood en geel / rode plakband op de pakketten zat. Die kleuren plakband zijn, zoals hiervoor overwogen, later ook daadwerkelijk aangetroffen op de in beslag genomen pakketten cocaïne. Vervolgens legt hij uit hoe hij te werk is gegaan en hoe en waar de zending later door de Koninklijke Marechaussee in beslag is genomen.

Op 25 augustus 2008 om 19.52 uur zitten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte in de auto, wanneer er een auto achter hen aan rijdt. Op een gegeven moment wordt gehoord dat [medeverdachte 3] buiten de auto zegt “[voornaam medeverdachte 6], wil je achter ons rijden. je bent alleen toch. Achter ons rijden, we gaan ergens anders staan. Oké.” [voornaam medeverdachte 6] is de voornaam van [medeverdachte 6]. [medeverdachte 2] en verdachte bespreken ook of ze al dan niet zijn beet genomen. Vervolgens geeft [medeverdachte 2] aan dat de Pakistaanse jongen de locatie niet wist, maar volgens verdachte beeft hij wel. Het is de rechtbank bekend dat medeverdachte [medeverdachte 6] in Pakistan is geboren. De mannen zijn ook ondervraagd, hij is met [medeverdachte 1] eerder bij die man geweest. Ze hebben beiden hetzelfde gezegd.

In de auto spreken vervolgens [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte over de man die achter hen rijdt en vraagt verdachte aan [medeverdachte 3] of ze zijn naam genomen hebben. [medeverdachte 3] zegt dat dit zo is maar dat hij de papieren kreeg omdat hij de chauffeur was. Verder meldt [medeverdachte 3] hier nog eens dat hij zelf wel handschoenen had maar hij (de rechtbank verstaat: een ander dan [medeverdachte 3]) niet. Verdachte zegt dan “Hij moet ons gezicht vergeten he”.

Blijkens het dossier was [medeverdachte 6] samen met [medeverdachte 3] toen ze door de KMAR werden staande gehouden, van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] is toen de naam genoteerd.

Op 27 augustus 2008 vindt er in de auto van verdachte een gesprek tussen [medeverdachte 3] en verdachte plaats. Verdachte raadt [medeverdachte 3] aan vol te houden dat hij niet weet wat er in dat ding zat. [medeverdachte 3] geeft te kennen dat hij dat blijft zeggen. Verdachte vindt dat hij moet blijven ontkennen. Vervolgens gaat het gesprek erover hoe lang [medeverdachte 3] aan gevangenisstraf zal krijgen.

Op 2 september 2008 vindt er wederom een gesprek tussen hen beiden in de auto van verdachte plaats. [medeverdachte 3] geeft te kennen dat die andere jongen morgen moet komen, waarop verdachte zegt dat hij hetzelfde moet antwoorden en dat het verhaal van [medeverdachte 3] moet overeenkomen met dat van die man. [medeverdachte 3] zegt vervolgens dat hij die man kan bellen. Vervolgens gaat het gesprek erover hoe lang hij vastgehouden zou kunnen worden en dat hij als ze zijn telefoongesprekken hebben, gevangenisstraf zal krijgen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 augustus 2008 tezamen en in vereniging met anderen 18 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

4.8. Overwegingen met betrekking tot feit 6 (zaaksdossier B07)

4.8.1. Bewezenverklaring feit 6

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezend dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

hij in de periode van 19 augustus 2008 tot en met 09 december 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam en/of te 's-Gravenhage en/of te Diemen en/of De Meern, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen, en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en

- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe

- (meermalen) met elkaar telefonisch contact gehad en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en gearrangeerd om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven ten behoeve van de (invoer van) een (of meer) zending(en) of transport(en) verdovende middelen en

- overleg gehad over het uit één of meer vliegtuig(en) halen en/of laten halen van verdovende middelen en/of betalingen en/of de locatie van verbergplekken in vliegtuigen en/of verbergen en/of opslaan van de verdovende middelen en/of manier/methode van invoeren van verdovende middelen (onder meer via de catering) en

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van een of meer zendingen verdovende middelen en

- één of meerdere perso(o)n(en) met elkaar in contact gebracht voor het van (een) vliegtuig(en) halen van (een of meer partijen) verdovende middelen.

4.8.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 6

In het zaaksdossier betrekking hebbend op deze tenlastelegging (B07) zijn de navolgende afgeluisterde telefoonnummers van belang: [telefoonnummer 1] (TA 101, gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 1]), [telefoonnummer 8] (TA 110, gekoppeld aan voormelde [medeverdachte 1]), [telefoonnummer 7] (TA 812, gekoppeld aan verdachte [verdachte]), [telefoonnummer 9] (TA 1201, gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 7]) en [telefoonnummer 10] (TA 1301, gekoppeld aan medeverdachte [medeverdachte 8]).

De rechtbank is tot deze bewezenverklaring gekomen op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

Op 19 augustus 2008 belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 8]. Ze begroeten elkaar. In dat gesprek vraagt [medeverdachte 8] verder of hij [medverdachte 1] kan ontmoeten omdat hij een “meisje” heeft.

Bovendien geeft [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 1] aan dat hij hem snel wil ontmoeten en dat het misschien de laatste klus is.

Op 21 augustus 2008 om 21.29 uur vindt er een gesprek plaats in de VW Golf in gebruik bij verdachte voorzien van kenteken [kenteken 1], waarbij medeverdachten [medeverdachte 1] en verdachte elkaar spreken over “[medeverdachte 7]” (uit het voorhouden van dit gesprek aan medeverdachte [medverdachte 7] bij gelegenheid van zijn 2e verhoor door de KMAR op 4 maart 2009 begrijpt de rechtbank dat met [medeverdachte 7] [medverdachte 7] wordt bedoeld). [medeverdachte 1] vertelt aan verdachte dat hij met [medeverdachte 7] heeft gesproken en dat [medeverdachte 7] heeft gevraagd hoe het met het project stond. [medeverdachte 1] vroeg hem hoe het was en of hij er nog was. [medeverdachte 7] zei dat zijn “kind” er is. Hij vroeg naar verdachte en toen zei [medverdachte 1] dat hij verdachte vandaag zou ontmoeten. [medeverdachte 1] moest hem uitleggen hoe het werkt omdat hij het neemt en wegbrengt. Hierop antwoordt verdachte “ergens naartoe brengen en niet meer rijden enzo. En dit ook hè bet. We verkopen alles en hoeven dan niet meer te huilen om ons geld. We moeten alle onkosten van hier betalen en dat is 6 maal 7 is ? 42 toch.” [medeverdachte 1] herhaalt het getal 42, waarna verdachte antwoordt dat het oké is en dat hij die man 2 ofzo geeft. Vervolgens zegt hij hier direct achteraan dat zij 4 verkopen en van de rest van die 2 haalt die man alles af en dan geeft hij hen hun geld.

Op 4 september 2008 belt [medeverdachte 1] naar [medverdachte 7] die aan het werk is bij Echo 20. [medverdachte 7] wil iets met [medeverdachte 1] bespreken maar deze komt maar niet bij hem. [medeverdachte 1] zegt dat [medverdachte 7] dan naar beneden naar hem moet kijken. [medverdachte 7] ziet [medverdachte 1] zo.

Op 5 september 2008 vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medverdachte 7] waarin [medeverdachte 1] vraagt hoe de eerste vriendin van de twee vriendinnen van [medverdachte 7] heet, waarover zij gisteren spraken. [medverdachte 7] noemt eerst de naam “Harold”, dat blijkt niet de goede te zijn. Vervolgens noemt hij de naam “Jim”, wat door [medverdachte 1] wordt verstaan als “Kim”. Nee, zo zegt [medverdachte 7], het is “Jim”, waarna in het gesprek verder wordt gesproken over “de andere naam” al dan niet “achternaam” en een ontmoeting morgen waarop [medverdachte 7] zegt dat het toch “Thakoer” is.

Op 6 september 2008 belt [medverdachte 7] [medeverdachte 1] op en maken ze een afspraak. [medverdachte 7] vertelt dat hij in Almere is en [medeverdachte 1] vraagt hem of hij dat ding thuis heeft, waarop [medverdachte 7] bevestigend antwoordt.

Op 10 september 2008 belt [medeverdachte 1] medeverdachte [medverdachte 7] op en meldt [medeverdachte 1] dat hij vandaag die mannen heeft gebeld en dat [verdachte] en zijn andere vriend vandaag met [medverdachte 7] contact zullen opnemen en dat [medverdachte 7] eventjes aan hen moet uitleggen. Alles zal dan goed komen. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] hem gaat bellen en [medverdachte 7] zal van hem zal horen. [medeverdachte 1] vertelt verder dat hij door de goeie vriend van [medverdachte 7] genaamd “ticket” gebeld is. [medverdachte 7] reageert dat hij daar gisteren langs is gelopen en dat hij daar zet. Aan het einde van het gesprek zegt [medverdachte 7] dat [medeverdachte 1] aan [betrokkene 3] moet vragen of hij bij de meting iets voor hem heeft. [medeverdachte 1] zou bij de meting kunnen, omdat hij de security al gedaan heeft. De meting is een paradijs zegt [medverdachte 7]. Bij de meting heb je je eigen vrijheid.

Op 22 september 2008 hebben medeverdachte [medeverdachte 8] en verdachte om 15.08 uur een afspraak met elkaar en even later is in de auto van verdachte een gesprek opgenomen tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9]. Laatstgenoemden zijn door middel van stemherkenning geïdentificeerd. In het gesprek krijgt [medeverdachte 8] eerst van verdachte te horen dat hij voortaan niet in KLM-kleding moet verschijnen. Verder wordt gesproken over het aanbrengen van mensen door [medeverdachte 8] bij verdachte. Uit het gesprek blijkt dat [medeverdachte 8] wel vaker mensen heeft aangebracht. Hij heeft nu medeverdachte [medeverdachte 9] meegebracht. Voorts gaat het gesprek over hoe “100.000 te verdienen”, “plaatsen in het vliegtuig”, “het er makkelijk uit halen als die mannen het niet vinden” en “je kan het ook met een trolley doen”. Verder geeft [medeverdachte 9] tijdens dit gesprek aan dat hij het gewoon weghaalt, maakt niet uit waar. Als het achter de catering is, haalt hij het er uit. Volgens [medeverdachte 8] is dat zijn stempel, waarna verdachte aangeeft dat dit niet zijn ([verdachte]s) stempel was, hij was niet sterk op de catering. Zijn specialiteit was meer van in dat ding zelf verstoppen. [medeverdachte 9] geeft aan dat de trolley los gemaakt wordt, mee naar huis wordt genomen en geprepareerd wordt. Men kan maximaal 8 in de trolley zetten, zodat hij ook nog in de gleuf van de keuken past. Als het te veel is, dan is de trolley bol en dan gaat het er niet in. Dan trappen ze het er in en als de stewardess het wil weghalen dan is het zwaar. Verdachte geeft te kennen dat hij al tevreden is met 6 of 8.

Tijdens het 2e verhoor van medeverdachte [medeverdachte 8] ten overstaan van de KMAR op 4 maart 2009 verklaart [medeverdachte 8] dat hij, [medeverdachte 9] en verdachte in de auto zaten, en dat verdachte hem vroeg of hij dingen, waarmee verdovende middelen werden bedoeld, eruit kon halen. Hij had [medeverdachte 9] meegenomen naar verdachte. [medeverdachte 9] is door hem bij verdachte gebracht, omdat hij meende er zelf beter van te kunnen worden. [medeverdachte 9] kon met verdachte over die shit praten, dat [medeverdachte 9] dingen eraf kon halen. [medeverdachte 9] had een optie, en die heeft hij met verdachte besproken. In zijn 3e verhoor op 5 maart 2009 (de rechtbank leest op pagina 335 van B07 “2e verhoor” als “3e verhoor”, aangezien er op pagina 324 al een “2e verhoor” is gerelateerd welk verhoor op 4 maart 2009 heeft plaatsgevonden) tenslotte verklaart [medeverdachte 8] dat hij wist dat hij, [medeverdachte 9], de verdovende middelen uit de catering kon halen. [medeverdachte 9] had hem dat verteld. Met stempel bedoelt hij de methode die door verdachte dan wel [medeverdachte 9] wordt gebruikt. Tijdens ditzelfde verhoor verklaart [medeverdachte 8] bovendien dat verdachte iemand zocht voor de belly voor die shit en dat met shit verdovende middelen, cocaïne, werd bedoeld. Daarna hebben verdachte en [medeverdachte 9] nog contact met elkaar gehouden en heeft verdachte ook een telefoon aan [medeverdachte 9] gegeven. Voorts verklaart [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 9] had verteld dat hij een plan had om drugs te smokkelen en dat hij, [medeverdachte 8], hem daarom meenam naar verdachte.

[medeverdachte 9] heeft tijdens zijn verhoor bij de KMAR op 4 maart 2009 verklaard dat hij wel door had dat het in voormeld gesprek om verdovende middelen ging. Met “zetten” wordt bedoeld dat het gaat om iemand die een trolley moet klaarzetten met iets erin. Er zijn twee manieren om verdovende middelen te verstoppen. De 2e manier is om deze in de onderkant van de trolley te stoppen. In zijn 4e verhoor ten overstaan van de KMAR op 5 maart 2009 verklaart hij dat met verdovende middelen wit spul te bedoelen, wat ze snuiven, hard drugs.

Op 25 september 2008 belt verdachte met [medeverdachte 1], waarin verdachte vraagt of [medeverdachte 1] zijn sms heeft gelezen. [medeverdachte 1] geeft na wat heen en weer gepraat aan dat “die mannen van ons” aan het project van boven niet mee gaan doen.

Op 25 september 2008 belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 1] en meldt dat verdachte hem niet gebeld heeft hoe laat ze morgen naar de film zouden gaan.

Tijdens het 2e verhoor van [medeverdachte 8] ten overstaan van de KMAR op 4 maart 2009 legt [medeverdachte 8] uit dat met “film” een ontmoeting wordt bedoeld.

Op 27 september 2008 heeft verdachte telefonisch contact met een NN man in Suriname die meldt dat er stagnatie is in de vindplaats, dat het goed komt en dat het komende week al komt.

Op 27 september 2008 om 15.09 uur vindt er in Amsterdam een gesprek plaats tussen verdachte en [medverdachte 7] in de auto van verdachte. Verdachte geeft door aan [medverdachte 7] dat die man het eruit gaat halen en voorts “En dan gaat die man tegen jou zeggen hoe laat je op Schiphol moet zijn, en dan geeft die man het daar aan jou dat ding. En op alles wat er gaat komen ga jij 10 houden. Op 6 of 8 dan ehh, 3 keer per week. Dan is het 8 en 8 is 16. Zeg maar dat je 30 kunt houden” en “of je kan het ook bij je houden, kan je het goed verstoppen” en “Ben je bereid om het te doen?” waarop [medverdachte 7] antwoordt: “Ja, ja, maak je niet druk”. Verdachte vraagt het [medverdachte 7] nog eens, want straks, zo zegt hij, wil hij het niet doen. [medverdachte 7] antwoordt wederom met “ja”, want hij heeft nu een probleem met incasso, waarbij hij voor de 15e ongeveer 3000 a 3600 euro moet betalen.

Tijdens het 2e verhoor van [medverdachte 7] ten overstaan van de KMAR op 4 maart 2009 verklaart [medverdachte 7] dat het gesprek in de auto over drugs ging en dat hij niet wist wat hij eraan zou overhouden, maar dat hij dacht € 1.000,- per kilo.

Vervolgens vindt er een gesprek plaats om 16.00 uur die dag in de auto van verdachte tussen verdachte, [medverdachte 7] en [medeverdachte 9], waarbij wordt gesproken over pascontroles in het bemanningscentrum, roosters, verstopplekken, de kwalificatie van een kist als een lastige kist en de vraag hoe het zit met andere locaties.

[medeverdachte 9] verklaart in het 4e verhoor bij de KMAR op 5 maart 2009 dat hij inderdaad met verdachte en [medeverdachte 8] in de auto heeft gezeten. Hij heeft met “lastige kist” de KLM kist afkomstig uit Paramaribo bedoeld. Het doel was om dat witte spul binnen te krijgen. Op de vraag van de verbalisant of hij daarmee doelt op dat spul waarover hij eerder zei dat je het in je neus stopt, antwoordt [medeverdachte 9] bevestigend.

Op 1 oktober 2008 vindt er in de auto van verdachte een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en verdachte, waarbij verdachte aangeeft dat er achterin waar de crew zit, een groot gat zit, waar de trolley in kan. Als je de trolley eruit haalt, kan je naar binnen. Om de bocht zet je het dan in tassen. In het verdere gesprek wordt ook gesproken over een verdeling fifty fifty en dat zij het door drie moeten delen. Verdachte heeft een andere man uitgelegd dat er nog drie mannen zijn.

Op 16 oktober 2008 om 13.29 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 8]. [medeverdachte 1] geeft aan dat een andere man [medeverdachte 8] wil spreken, waarna er een gesprek tussen die man en [medeverdachte 8] volgt. De andere man zegt dat [medeverdachte 8] moet luisteren, hij heeft er “twee gezet”. De man wil ook het nummer van [medeverdachte 8] hebben, waarna [medeverdachte 8] zegt dat deze het aan de man moet vragen. Vervolgens vindt het gesprek weer tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] plaats. [medeverdachte 1] zegt dat hij het niet weet en ook niets hoort, waarop [medeverdachte 8] zegt: “het meisje zou komen, maar het meisje is niet gekomen, wat is er”. [medeverdachte 1] zal hem later nog bellen, hij zal ook het nummer van [medeverdachte 8] aan de man geven.

[medeverdachte 1] heeft in deze zaak bij de KMAR geen verklaring af willen leggen.

Gelet op de uitleg die [medeverdachte 8] met betrekking tot de hiervoor aangehaalde telefoongesprekken en OVC-gesprekken tussen [medverdachte 7], verdachte, [medeverdachte 9], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] heeft gegeven, gelet op de verklaringen die [medeverdachte 9] en [medverdachte 7] zelf ten overstaan van de KMAR hebben afgelegd, in onderling verband en samenhang bezien, ging het in de gevoerde gesprekken, naar het oordeel van de rechtbank, over drugs en over de wijze waarop deze drugs, cocaïne, in vliegtuigen vervoerd kon worden. Deze gesprekken, maar ook de onderlinge ontmoetingen waren erop gericht mensen te werven die verstopplaatsen in vliegtuigen voor cocaïne wisten om zo die cocaïne in Nederland in te voeren en ook bereid waren die cocaïne na aankomst in Nederland uit de verstopplaats in het vliegtuig te halen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten lastegelegde periode tezamen met de hiervoor vermelde personen zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in Nederland.

Met betrekking tot de feiten 4, 5 en 6

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze door de rechtbank verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 4. (zaaksdossier B04), 5. (zaaksdossier B05) en 6. (zaaksdossier B07) meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

4. (zaaksdossier B04):

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. (zaaksdossier B05):

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. (zaaksdossier B07):

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door

- een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen

- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan het via Schiphol invoeren van cocaïne vanuit Suriname. Het betreft de invoer van 18 kilogram cocaïne, alsmede een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen om een cocaïne transport te organiseren.

Verdachte onderhield contacten zowel met de (onbekend gebleven) personen in Suriname als ook met de medeverdachten in Nederland en vormde aldus een onmisbare schakel bij deze feiten. Hieruit leidt de rechtbank ook af dat verdachte binnen de organisatie een hogere positie bekleedde.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een stof die gevaarlijk is voor de gezondheid van gebruikers, met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien. Drugshandel gaat vaak gepaard met geweldscriminaliteit en leidt tot vele vormen van vermogenscriminaliteit bij de verslaafden. Met de handel in deze stoffen wordt veel geld verdiend. Kennelijk heeft verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Hoewel verdachte, anders dan nagenoeg alle medeverdachten, ten tijde van de onderhavige feiten niet zelf op Schiphol werkzaam was en daardoor niet over bevoegdheden beschikte om het terrein te betreden, wist hij door zijn hogere positie binnen de organisatie daarvoor wel op Schiphol werkzame personen in te schakelen om de invoer van de verdovende middelen te realiseren. Verdachte heeft daarnaast ook gebruikt gemaakt van de kennis en ervaring die hij in het verleden als medewerker van Schiphol heeft opgedaan. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan en weegt dit in strafverzwarende zin mee bij de op te leggen straf.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst voorkomende voorwerpen onder de nummers 48, 49, 50, 52, 53, 57, 58, 59, 65, 66 en 90, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1. (zaaksdossier B01), 2. (zaaksdossier B02), 3. (zaaksdossier B03) en 7. (zaaksdossier B08) tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 4. (zaaksdossier B04), 5. (zaaksdossier B05) en 6. (zaaksdossier B07) tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) JAREN.

Gelast de gevangenneming van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Verklaart verbeurd:

48 4.00 STK SIM-kaart, VODAFONE [nummers]

49 3.00 STK SIM-kaart, ORTEL [nummers]

50 1.00 STK SIM-kaart, TELE G, [nummer]

52 1.00 STK GSM-toestel Kl:zwart, NOKIA N95, imei: [imeinummer]

53 1.00 STK GSM-toestel Kl:blauw, HAIER P5, imei: [imeinummer 2]

57 1.00 STK GSM-toestel Kl:zwart, NOKIA RM-265/650, imei: [imeinummer 3]

58 1.00 STK GSM-toestel Kl:rood, F838, imei: [imeinummer 4]

59 1.00 STK SIM-kaart, LYCA, aangetroffen in rode gsm; imei: [imeinummer 5]

65 1.00 STK Papier Kl:wit VOORRAADLIJST voorraadlijst softdrugs

66 Geld Euro 1 x 500 euro

90 1.00 STK SIM-kaart TIM [nummer] aangetroffen in vw golf

Gelast de teruggave aan verdachte van:

51 1.00 STK Computer DELL PALMTOP AXIM X51

54 1.00 STK Diverse, MEMORECORDER OLYMPUS

55 1.00 STK Adresboek Kl:zwart,

56 10.00 STK Bescheiden,

60 1.00 STK Fototoestel Kl:zwart SONY DSC T200

61 53.00 STK Bescheiden, incl. visitekaartjes, bestellijsten, telnrs,

62 1.00 STK Kaart Kl:zilver, FLYING BLUE nr:[nummer], tnv [verdachte]

63 1.00 STK Rijbewijs SURINAME intern. [rijbewijsnummer]

64 1.00 STK Rijbewijs NEDERLAND intern. [rijbewijsnummer 2]

67 1.00 STK Computer Kl:grijs, HP DESKTOP [nummer]

68 2.00 STK Bescheiden, aangetroffen in kast

69 1.00 STK Sleutel, AUTOSLEUTEL VW GOLF [kenteken 1]

73 1.00 STK Diverse Kl:zilver, HARDE SCHIJF MAXTOR [nummer] aangetroffen in vw golf

74 1.00 STK Diverse Kl:zilver, HARDE SCHIJF seagate [nummer] aangetroffen in vw golf

75 1.00 STK Agenda Kl:zwart, AGENDA 2007, aangetroffen in vw golf

76 1.00 STK Notitieboekje, AMSTEBIER om boekje heen kenteken [kenteken 3]

77 1.00 STK Notitieboekje Kl:zwart, BONNENBOEK bonnenboek met carbond in vw golf aangetroff

78 14.00 STK Bescheiden, schriftelijke bescheiden met telnrs en namen

79 1.00 STK Papier, PROCES-VERBAAL, pv aangifte verlies identiteitspapieren nl-r

80 1.00 STK Bescheiden Kl:crème, ADM. BESCHEID, western uniion meney transferstorting 512 eu

81 1.00 STK Bescheiden, OPEN ENVELOP, open envelop tnv [betrokkene 2], tevens kaartje

82 10.00 STK Beeld- en geluidsdragers, CD, aangetrf. in tas in vw golf

83 1.00 STK Sleutel Kl:zilver, aangetroffen in vw golf

84 1.00 STK Tas Kl:zwart, HEUPTAS, aangetroffen in vw golf

85 1.00 STK Oplaadapparaat Kl:zwart, aangetroffen in vw golf

86 1.00 STK Fototoestel Kl:zilver, SONY DSC-V1 in zwart lerenhoes, aangetroffen in vw golf

87 1.00 STK Diverse Kl:grijs, FAX MODEM BROTHER [nummer] aangetroffen in vw golf

88 1.00 STK Rugzak, bob marley rugtas incl. cd's

89 1.00 STK Computer Kl:crème, PLEXWRITER [nummer] desktop aangetroffen in vw golf

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mrs. P. Burgers en E.B. de Vries-van den Heuvel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers C.A. de Koning en mr. J. Hobo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2009.