Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3403

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
15-780053-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer minderjarige verdachte.

Voor aanvang van het eerste verhoor dient de minderjarige verdachte te worden gewezen op het recht om een advocaat te raadplegen alsmede op het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. Van dit recht kan een minderjarige in beginsel zelfstandig afstand doen. De bescherming die het recht op raadpleging en aanwezigheid van een advocaat biedt, is echter alleen effectief wanneer de minderjarige verdachte heeft begrepen welke rechten hij heeft en wat de consequenties zijn van het doen van afstand. Verbalisanten moeten zich hiervan vergewissen. In deze zaak betreft het een verdachte veertien jaar die functioneert op zwak begaafd niveau. De beperkte verstandelijke vermogens van verdachte in combinatie met zijn jeugdige leeftijd brengen naar het oordeel van de kinderrechter mee dat verbalisanten er in dit specifieke geval niet zonder meer vanuit hadden mogen gaan dat verdachte de reikwijdte van zijn beslissing om afstand te doen kon overzien. Daarom had voorafgaand aan het verhoor contact opgenomen moeten worden met een wettelijke vertegenwoordiger over het recht op het raadplegen van en/of de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Kinderrechter

Parketnummer: 15/780053-09 en 15/760883-08 (tul)

Uitspraakdatum: 10 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2009 tot en met 29 augustus 2009 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Tomos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2009 tot en met 1 september 2009 te Krommenie, gemeente Zaanstad, opzettelijk een bromfiets (merk Tomos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als degenen door wie voornoemde bromfiets werd gevonden, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2. Voorvragen

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Onder verwijzing naar de beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de Salduz-zaak heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat een minderjarige verdachte recht heeft op bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat een verdachte van veertien jaar van dit recht geen afstand kan doen. Slechts zijn wettelijk vertegenwoordigers kunnen dat. Nu verdachte in de onderhavige zaak is gehoord zonder bijstand van een advocaat, terwijl niet door een van zijn wettelijk vertegenwoordigers, maar door verdachte zelf afstand is gedaan van het recht op bijstand, is een essentieel recht geschonden dat tot gevolg dient te hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, aldus de raadsman.

Vooropgesteld dient te worden dat uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN BH3079) volgt, dat een minderjarige verdachte niet alleen recht heeft om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen, maar tevens recht heeft op bijstand van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. Voor aanvang van het eerste verhoor dient de minderjarige verdachte daarop te worden gewezen. Van dit recht kan een minderjarige in beginsel zelfstandig afstand doen. De kinderrechter overweegt daarbij dat de bescherming die het recht op raadpleging en aanwezigheid van een advocaat de minderjarige verdachte biedt, alleen effectief is wanneer de minderjarige verdachte heeft begrepen welke rechten hij heeft en wat de consequenties zijn van het doen van afstand. Vorenstaande brengt mee dat van de verbalisanten verwacht mag worden dat zij zich hiervan vergewissen.

In de onderhavige zaak is verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie gewezen op zijn recht om met een raadsman te overleggen. Van dit recht heeft hij zelfstandig en zonder overleg met zijn wettelijk vertegenwoordiger afstand gedaan. De kinderrechter overweegt hierbij dat blijkens het rapport van Bureau Jeugdzorg in dit geval sprake is van een verdachte van veertien jaar die functioneert op zwak begaafd niveau. Dit laatste had voor verbalisanten naar aanleiding van het sociale verhoor – dat vooraf is gegaan aan het feitelijke verhoor en waarin verdachte heeft verklaard dat hij op een praktijkschool zit – ook duidelijk moeten zijn. De beperkte verstandelijke vermogens van verdachte in combinatie met zijn jeugdige leeftijd brengen naar het oordeel van de kinderrechter mee dat verbalisanten er in dit specifieke geval niet zonder meer vanuit hadden mogen gaan dat verdachte de reikwijdte van zijn beslissing om afstand te doen kon overzien. Daarom had voorafgaand aan het verhoor contact opgenomen moeten worden met een wettelijke vertegenwoordiger over het recht op het raadplegen van en/of de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Weliswaar zijn blijkens het proces-verbaal van relaas de moeder en de voogd van verdachte telefonisch in kennis gesteld en geïnformeerd over de feiten en omstandigheden omtrent de aanhouding van verdachte, maar niet gebleken is dat daarbij tevens het recht op raadpleging en aanwezigheid van een advocaat is besproken.

Vorenstaande brengt mee dat in dit geval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Anders dan de raadsman heeft betoogd, volgt uit voornoemd arrest van de Hoge Raad echter niet de niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie, maar leidt dit verzuim in beginsel tot bewijsuitsluiting van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring. De kinderrechter zal onder punt 4. ingaan op de consequenties van het uitsluiten van het bewijs van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een leerstraf in de vorm van een SOVA-training voor de duur van 20 uur. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uur heeft de officier van justitie gevorderd de proeftijd te verlengen met één jaar.

4. Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman is de kinderrechter van oordeel dat niet is bewezen hetgeen verdachte onder primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit overweegt de kinderrechter het volgende. Onder punt 2. is naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer reeds overwogen dat sprake is van een vormverzuim dat naar het oordeel van de kinderrechter in beginsel moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring. Omdat verdachte echter ter terechtzitting in het bijzijn van zijn advocaat, een verklaring heeft afgelegd die van gelijke strekking is als de verklaring afgelegd bij de politie, heeft verdachte geen belang bij bewijsuitsluiting, zodat in zoverre het verweer van verdachte terzijde zal worden geschoven. Naar het oordeel van de kinderrechter is er echter ook met gebruikmaking van de door verdachte afgelegde verklaringen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om bewezen te verklaren dat verdachte zich de bromfiets opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Niet uitgesloten kan namelijk worden dat verdachte – zoals hij ter zitting heeft verklaard en hetgeen de kinderrechter gelet op de ter terechtzitting met de Jeugdreclassering besproken adviesrapportage niet ongeloofwaardig voorkomt – slechts een paar rondjes op de bromfiets wilde rijden en van plan was hem daarna terug te brengen. Verdachte moet daarom ook van het subsidiair tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

5. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 320,45 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder primair dan wel subsidiair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De kinderrechter is van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet zal kunnen worden ontvangen, nu verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

6. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 september 2008 in de zaak met parketnummer 15/760883-08 heeft de kinderrechter in deze rechtbank verdachte ter zake van opzetheling, mishandeling en handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie – onder meer – veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie heeft op 18 september 2009 gevorderd dat de kinderrechter zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De kinderrechter heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De kinderrechter is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, nu verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

7. Beslissing

De kinderrechter:

Spreekt verdachte vrij van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 15/760883-08 opgelegde voorwaardelijke straf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Stefels, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier M.C.C. Kaal,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2009.