Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3257

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-11-2009
Datum publicatie
13-11-2009
Zaaknummer
161230 - KG ZA 09-525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering tot afgifte van een beweerdelijke kopie van een poppenhuis afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang nu de beweerdelijke kopie reeds is afgegeven aan de raadsman van eisers.

Vordering tot vernietiging van de beweerdelijke kopie afgewezen gelet op het belang van gedaagde om in een eventuele bodemprocedure ten bewijze van haar stelling dat geen sprake is van inbreuk over haar poppenhuis te kunnen beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 161230 / KG ZA 09-525

Vonnis in kort geding van 9 november 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Lelystad,

eisers,

advocaat mr. F.A. Janse,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Spanjer.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 14 producties

- de bij faxbericht van 20 oktober 2009 door mr. Janse toegezonden productie 15

- de bij brief van 23 oktober 2009 door mr. Spanjer toegezonden producties 1 tot en met 3

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers]

- de pleitnota tevens inhoudende voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde].

1.2. De in de pleitnota van [gedaagde] vermelde voorwaardelijke eis in reconventie is door mr. Spanjer niet ingesteld.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] hebben als hobby het vervaardigen en inrichten van poppenhuizen. [eisers] hebben onder meer een poppenhuis in de vorm van een monumentaal grachtenhuis met tweeëntwintig volledig ingerichte kamers ontworpen en vervaardigd (hierna: het poppenhuis).

2.2. In 1994 is het poppenhuis gepubliceerd in het tijdschrift Poppenhuizen & Miniaturen, herfstnummer 17. In 2006 is het poppenhuis gepubliceerd in het tijdschrift Dollshouse Nederland, oktobernummer 23.

2.3. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van Amsterdam van 11 maart 2009 drijft [gedaagde] een eenmanszaak die zich blijkens de bedrijfsomschrijving richt op: De detailhandel in miniaturen, modelbouw- en hobby- en cadeau-artikelen en speelgoed. Het assembleren, ontwerpen, produceren, opslaan en postorderbedrijf en groothandel in vorengenoemde artikelen. Het verzorgen van cursussen, workshops, demonstratie, exposities en lezingen.

2.4. Op 4 juli 2008 hebben [eisers] een bezoek gebracht aan de winkel van [gedaagde] te Wormerveer. Voor het raam van de workshopruimte behorend bij de winkel van [gedaagde] stond een poppenhuis dat aan de buitenzijde overeenstemt met het uiterlijk van het poppenhuis van [eisers] [gedaagde] heeft haar poppenhuis in 2002 aangekocht van een particulier. Het poppenhuis van [gedaagde] bevat aan de binnenzijde 22 kamers die niet zijn ingericht.

2.5. Bij brief van 7 juli 2008 hebben [eisers] [gedaagde] meegedeeld dat het poppenhuis in de winkel van [gedaagde] inbreuk maakt op het poppenhuis van [eisers] en daarbij verzocht het poppenhuis van [gedaagde] direct uit de handel te nemen.

2.6. Eind februari 2009 heeft [gedaagde] haar poppenhuis uit de winkel op internet te koop gezet via een advertentie op marktplaats.nl. waarbij een vraagprijs van minimaal € 200,00 is gesteld.

2.7. Na een daartoe strekkend verzoek van [eisers] heeft markplaats.nl de advertentie ter verkoop van het poppenhuis van [gedaagde] van haar website verwijderd.

2.8. Bij brief van 19 maart 2009 heeft de raadsman van [eisers] een sommatiebrief aan [gedaagde] verzonden met daarin onder meer het verzoek de inbreuk op de auteursrechten van [eisers] te staken.

2.9. [gedaagde] heeft het in haar bezit zijnde poppenhuis op 26 maart 2009 afgegeven ten kantore van de raadsman van [eisers] Bij brief van 26 maart 2009 aan de raadsman van [eisers] heeft [gedaagde] onder meer betwist dat zij onrechtmatig handelt en de bereidheid uitgesproken haar poppenhuis voorlopig aan [eisers] ter beschikking te stellen door afgifte aan hun raadsman, met het voorbehoud dat in het geval dat de door [eisers] geclaimde rechten geen stand houden [gedaagde] haar poppenhuis terugvordert.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vordert

bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren:

1. gedaagde te veroordelen zich met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten van [eisers] op het poppenhuis

zoals voornoemd en in 1994 en 2006 gepubliceerd in respectievelijk de tijdschriften

P&M en DHN, en derhalve het openbaar maken en/of verveelvoudigen van het

poppenhuis (waaronder tevens is te verstaan het (doen) vervaardigen, het (doen)

invoeren, het (doen) verkopen, te koop (doen) aanbieden, (doen) verhuren, te huur

(doen) aanbieden, ten toon te (doen) stellen, te (doen) leveren, te (doen) gebruiken,

dan wel het in voorraad te (doen) hebben voor een van deze doeleinden of

anderszins te verhandelen van de inbreuk makende zaken te staken en gestaakt te

houden;

2. gedaagde te veroordelen om het door haar op het kantooradres van de advocaat van [eisers] afgegeven poppenhuis binnen 10 dagen na betekening van het ten deze te

wijzen vonnis op kosten van gedaagde en onder toezicht van een door gedaagde te

betalen deurwaarder te (doen laten) vernietigen en binnen twee dagen na deze

vernietiging een op kosten van gedaagde opgesteld proces-verbaal van constatering

van de vernietiging toe te zenden aan de advocaat van [eisers], mr. F.A. Janse;

3. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500,--, althans een door uw voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere overtreding van de

onder 1 en 2 verzochte bevelen, of, naar keuze van [eisers], van € 2.500,-- voor

iedere dag dat gedaagde met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in

gebreke blijft, waarbij elk aangetroffen exemplaar van de inbreuk makende zaken

geldt als een afzonderlijke overtreding;

4. gedaagde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding ten bedrage van

€ 5.751,60 overeenkomstig artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,-- zonder betekening, dan

wel € 199,-- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien

dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de

(na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de

wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor

voldoening;

5. op basis van artikel 1019i lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bepalen dat de termijn waarbinnen een bodemprocedure aanhangig moet worden gemaakt

zes maanden zal zijn, te rekenen vanaf de datum van het vonnis;

3.2. [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij auteursrechthebbenden zijn op het door hen vervaardigde poppenhuis. [gedaagde] heeft zonder hun toestemming een kopie van het poppenhuis van [eisers] openbaar gemaakt en/of verveelvoudigd, althans een zonder toestemming van [eisers] verveelvoudigd exemplaar van het poppenhuis openbaar gemaakt. [gedaagde] maakt daarmee inbreuk op de auteursrechten van [eisers] Als gevolg van het inbreukmakend handelen en de weigering om de inbreuk te erkennen en aan de overige sommaties van [eisers] te voldoen, zijn [eisers] genoodzaakt een advocaat in te schakelen en een procedure te starten. De kosten dienen derhalve voor rekening van [gedaagde] te komen, aldus [eisers]

3.3. [gedaagde] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [eisers] nu het poppenhuis van [gedaagde] inmiddels is afgegeven aan de raadsman van [eisers] en derhalve uit de handel is genomen. Voorts betwist [gedaagde] dat het poppenhuis van [eisers] voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, onder meer doordat [eisers] haar stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Verder betoogt [gedaagde] dat het poppenhuis bij haar stond opgesteld voor het raam van de workshop-ruimte grenzend aan de winkel met daarop aan de achterzijde de vermelding “niet te koop”. [gedaagde] doet een beroep op artikel 16 b van de Auteurswet op grond waarvan het is toegestaan werken voor eigen gebruik te verveelvoudigen omdat het poppenhuis niet te koop stond en zich niet in de winkel bevond. Bovendien heeft [gedaagde], na verzoek van [eisers] om het poppenhuis uit de handel te nemen, het poppenhuis te koop gezet op marktplaats.nl met de bedoeling het poppenhuis bij een particulier te doen belanden die het voor eigen gebruik zou behouden.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat toewijzing van een vordering in kort geding slechts mogelijk is wanneer het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, terwijl bovendien sprake dient te zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.2. Met betrekking tot het spoedeisend belang van [eisers] bij hun vorderingen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of het poppenhuis van [gedaagde] heeft te gelden als een inbreuk op mogelijke auteursrechten die [eisers] ten aanzien van hun poppenhuis kunnen doen gelden, valt zonder nadere onderbouwing van de zijde van [eisers] niet in te zien welk spoedeisend belang [eisers] hebben bij de gevraagde voorzieningen. Vast staat immers dat [gedaagde] het beweerdelijk inbreukmakende poppenhuis aan de raadsman van [eisers] heeft afgegeven, alwaar het poppenhuis zich tot op heden bevindt. Gelet hierop is niet aannemelijk dat op dit moment enige kans bestaat op verveelvoudiging dan wel openbaarmaking van het poppenhuis door [gedaagde]. De enkele stelling dat [gedaagde] weigert de inbreuk op de auteursrechten van [eisers] te erkennen en dat [eisers] als gevolg daarvan vrezen dat [gedaagde] met het poppenhuis aan de slag gaat is derhalve onvoldoende. Weliswaar heeft [gedaagde] bij de afgifte de voorbehouden als vermeld in de onder 2.9 genoemde brief gemaakt, maar dat is gelet op de huidige stand van zaken onvoldoende om te concluderen dat de vrees van [eisers] voor voortzetting van mogelijke inbreuk gerechtvaardigd is.

4.3. Gelet op het voorgaande zal de onder 3.1 onder 1 gevraagde voorziening tot veroordeling van [gedaagde] tot het onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten op het poppenhuis van [eisers] dan ook worden geweigerd.

4.4. Mede in het licht van het hiervoor overwogene valt voorts niet in te zien welk belang [eisers] hebben bij de onder 3.1 onder 2 gevraagde voorziening tot het (laten) vernietigen van het poppenhuis van [gedaagde]. Bovendien staat daartegenover het belang van [gedaagde] om in een eventuele bodemprocedure te kunnen beschikken over het poppenhuis teneinde haar stelling aan te kunnen tonen dat geen sprake is van inbreuk. De betreffende voorziening zal dan ook worden geweigerd.

4.5. Gelet op het voorgaande zal de gevraagde dwangsom eveneens worden geweigerd.

4.6. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] heeft op grond van artikel 1019h Rv de werkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. De raadsman van [gedaagde] heeft - zonder bezwaar van [eisers] - ter zitting de advocaatkosten gespecificeerd en gesteld op een bedrag van € 2.998,80. [eisers] heeft de hoogte van deze kosten niet betwist. Deze kosten komen voor toewijzing in aanmerking. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden derhalve begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 2.998,80

Totaal EUR 3.260,80

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 3.260,80,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2009.?