Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK3039

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
AWB 09/2215 en AWB 09/4633 en AWB 09/4665
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiseres en haar echtgenoot leven jaarlijks deels samen en als de echtgenoot in Suriname verblijft deels niet-duurzaam gescheiden. De echtgenoot heeft een WAO-uitkering waarover ook eiseres kan beschikken. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder over de periode waarin de echtgenoot in Suriname verblijft, ten onrechte het volledige inkomen van de echtgenoot in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het recht van eiseres op een WWB-uitkering alleenstaande. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met de artikelen 24 en 32 WWB. Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening, omdat eiseres inmiddels ook in Suriname verblijft, terwijl niet duidelijk is wanneer zij zal terugkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2215, 09-4633 en 09-4665 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2009

in de zaken van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen, omdat zij kan beschikken over een inkomen dat hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 april 2009, verzonden op 6 april 2009, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 april 2009 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. AWB 09-2215 WWB. Bij brief van 20 september 2009 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 09-4665 WWB.

Bij besluit van 11 september 2009 heeft verweerder de WWB-uitkering van eiseres en haar echtgenoot, [echtgenoot], met ingang van 27 juli 2009 ingetrokken, omdat de echtgenoot op die datum langer dan vier weken in het buitenland verbleef. Ook heeft verweerder bij dit besluit vastgesteld dat eiseres per 27 juli 2009 geen recht op bijstand heeft, omdat haar inkomsten hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 18 september 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 september 2009 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 09-4633 WWB.

Omdat sprake is van twee verschillende besluiten, is eveneens sprake van twee verzoeken om voorlopige voorziening.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 2 november 2009, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het nu voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.3 Eiseres is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot van eiseres). Deze verblijft jaarlijks naar eigen zeggen om gezondheidsredenen in Suriname van 15 oktober tot 1 april. Op 14 oktober 2008 is de echtgenoot van eiseres naar Suriname vertrokken. Hij beschikt over een maandelijks inkomen van € 851,-- netto per maand. Dit is een WAO-uitkering. Deze uitkering wordt maandelijks gestort op een bankrekening waar ook eiseres over kan beschikken.

2.4 Op 3 december 2008 heeft eiseres zich gemeld bij het UWVWerkbedrijf voor de aanvraag van een WWB-uitkering. Deze aanvraag is op 29 december 2008 daadwerkelijk tot stand gekomen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 6 januari 2009 afgewezen, omdat zij volgens verweerder kan beschikken over een inkomen – WAO-uitkering vermeerderd met de heffingskorting minstverdienende partner - dat hoger is dan de voor eiseres geldende bijstandsnorm alleenstaande. Deze norm bedraagt netto € 891,36 per maand. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

2.5 De echtgenoot van eiseres is op 13 april 2009 in Nederland teruggekeerd. Op 28 juni 2009 is de echtgenoot van eiseres (opnieuw) naar Suriname vertrokken. Op 27 juli 2009 was hij nog niet in Nederland teruggekeerd. Verweerder heeft bij besluit van 11 september 2009 het recht van de echtgenoot van eiseres op een WWB-uitkering ingetrokken, omdat hij langer dan de gebruikelijke duur (28 dagen) in het buitenland verbleef. De uitkering is bij hetzelfde besluit beëindigd per 12 september 2009. Voorts heeft verweerder bepaald dat eiseres per 27 juli 2009 geen recht heeft op bijstand, omdat zij over voldoende inkomsten beschikt. Verweerder merkt eiseres voorts aan als alleenstaande, omdat zij voor het kind dat bij haar verblijft, geen kinderbijslag ontvangt. Bedoeld kind, genaamd [kind], geboren op 17 maart 1995, van Surinaamse nationaliteit, verblijft sinds 11 juli 2009 permanent bij verzoekster.

2.6 Eiseres is op 12 oktober 2009 naar Suriname vertrokken. Het is vooralsnog niet duidelijk wanneer zij naar Nederland zal terugkeren.

2.7 Eiseres kan zich niet met de bestreden besluiten verenigen. Zij stelt dat zij recht heeft op een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Als haar echtgenoot in Suriname verblijft, is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Voorts wijst eiseres op artikel 32, derde en vierde lid, WWB. Tevens wijst eiseres op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 september 2007 (LJN: AU2706).

Ook doet eiseres een beroep op de plicht van verweerder het familie- en gezinsleven met voormeld kind in Nederland mogelijk te maken. In dit verband wijst zij op uitspraken van het EHRM. Ten onrechte heeft verweerder het belang van voormeld kind niet meegewogen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij ten behoeve van haar echtgenoot contant geld meegeeft aan familieleden die naar Suriname gaan. Het ticket voor de reis van eiseres naar Suriname is door familie in Suriname betaald. Voorts heeft eiseres ter zitting een beschikking van 6 oktober 2009 van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres per 1 oktober 2009 voor voormeld kind kinderbijslag ontvangt.

2.8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres kan beschikken over het inkomen van haar echtgenoot en dat dit inkomen, vermeerderd met de heffingskorting minstverdienende partner, ligt boven de voor haar geldende bijstandsnorm. Deze heffingskorting bedroeg in 2008 per jaar € 1762,--. Hierdoor heeft eiseres geen recht op bijstand. Voorts beschouwt verweerder eiseres als alleenstaande, omdat zij voor het kind dat bij haar woont, tot 1 oktober 2009 geen kinderbijslag heeft ontvangen. Vanaf die datum zal eiseres waarschijnlijk kunnen worden beschouwd als alleenstaande ouder. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 32, vierde lid, WWB. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat voormeld kind, gelet op zijn minderjarigheid, geen zelfstandig recht op bijstand heeft.

2.9 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.10 In artikel 4, aanhef, en onder c, sub 1° of 2°, WWB staat, dat in deze wet onder gezin wordt verstaan de gehuwden tezamen of de gehuwden met de tot hun last komende kinderen. Uit ditzelfde artikel 4, aanhef en onder e, WWB blijkt, dat onder “ten laste komend kind” wordt verstaan: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

2.11 Uit artikel 11, eerste lid, WWB blijkt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. Uit lid 4 van dit artikel blijkt dat het recht op bijstand de echtgenoten gezamenlijk toekomt, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.

2.12 Artikel 24 WWB luidt als volgt: “Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.”

2.13 Artikel 31, eerste lid, WWB luidt als volgt: “Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.”

2.14 Artikel 32, lid 3 en 4, WWB luiden als volgt.

“3. Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.

4. In afwijking van het derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat.”

2.15 Vaststaat dat eiseres en haar echtgenoot [echtgenoot] ten tijde in geding gehuwd waren en dat zij nog steeds gehuwd zijn. Voorts staat vast dat de echtgenoot van eiseres ten tijde van de aanvraag van eiseres op 3 december 2009 in Suriname verbleef. Evenmin is betwist dat de echtgenoot van eiseres op 27 juli 2009 langer dan vier weken in Suriname verbleef. Gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, WWB kwam aan de echtgenoot van eiseres geen recht op algemene bijstand toe in de perioden waarin hij langdurig in Suriname verbleef. Dit betekent dat, ingevolge artikel 24 WWB, eiseres, als rechthebbende echtgenoot, gedurende die perioden recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande. Ten tijde in geding was er immers nog geen sprake van een ten laste komend kind, aangezien ten behoe[kind] niet eerder dan per 1 oktober 2009 kinderbijslag is toegekend.

2.16 Uit de toelichting op artikel 24 WWB blijkt onder meer het volgende. Dit artikel betreft de norm die van toepassing is als voor een van de echtgenoten een uitsluitingsgrond geldt. Voor de echtgenoot van eiseres geldt een uitsluitingsgrond. In een dergelijke situatie dient te worden voorkomen dat door de bijstandsverlening aan degene die wel recht op bijstand heeft, indirect tevens bijstand wordt verleend aan de niet-rechthebbende partner. Dit wordt voorkomen door voor de rechthebbende partner de norm te stellen op die voor een alleenstaande of, als deze een of meer tot zijn last komende kinderen onder 18 jaar heeft, die voor alleenstaande ouder. De toets op de gezamenlijke middelen is ook bij deze afwijkende vaststelling van de norm van kracht. Aangezien de bijstand als gevolg van de afwijkende normvaststelling niet voorziet in de bestaanskosten van de (niet-rechthebbende) echtgenoot, dienen diens eventuele middelen echter niet onverkort in beschouwing te worden genomen (artikel 32, derde en vierde lid, WWB).

2.17 Uit het standpunt van verweerder blijkt dat hij, in weerwil van hetgeen hiervoor onder 2.16 is overwogen, uitsluitend de toets op de gezamenlijke middelen heeft toegepast, waarbij hij de middelen (inkomsten) van de echtgenoot van eiseres onverkort in aanmerking heeft genomen. Hierdoor heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 32, derde en vierde lid, WWB bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 24 WWB.

2.18 Het beroep, geregistreerd onder AWB 09-2215 WWB, is gegrond. Het bestreden besluit van 2 april 2009 dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 24 en 32 WWB. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van eiseres van 9 januari 2009 met inachtneming van deze uitspraak. Gelet hierop behoeft hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, gen bespreking.

2.19 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nr. AWB 09-4665 WWB af, omdat vaststaat dat eiseres op 12 oktober 2009 naar Suriname is vertrokken, terwijl niet duidelijk is wanneer zij in Nederland zal terugkeren. Op grond hiervan kan niet worden gezegd dat sprake is van een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. Voorts kan er thans geen voorlopige voorziening worden getroffen ten behoe[kind], reeds omdat hij ten tijde van de beslissing op bezwaar nog niet bij eiseres verbleef.

2.20 Wat betreft het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nr. AWB 09-4633 WWB overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.21 Uit het bestreden besluit van 11 september 2009 blijkt onder meer, dat verweerder het recht van eiseres op een WWB-uitkering met ingang van 27 juli 2009 heeft ingetrokken, omdat de inkomsten van eiseres hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Zoals blijkt uit het hiervoor overwogene onder 2.16 tot en met 2.18, heeft verweerder hiermee gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 24 en 32 WWB. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 11 september 2009 heeft, gelet hierop, een redelijke kans van slagen. Dit brengt echter niet met zich, dat het aan dit bezwaar gekoppelde verzoek om voorlopige voorziening moet worden toegewezen.

2.22 Voor toewijzing van dit verzoek bestaat geen aanleiding, reeds omdat eiseres op 12 oktober 2009 naar Suriname is vertrokken, terwijl niet duidelijk is wanneer zij naar Nederland zal terugkeren. Ook de omstandighe[kind] inmiddels bij eiseres verblijft, vormt geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit omdat eiseres ten tijde van het bestreden besluit ten behoe[kind] geen kinderbijslag ontving, zodat verweerder hem toen terecht niet heeft aangemerkt als een ten laste komend kind in de zin van artikel 4, aanhef en onder e, WWB. Inmiddels is gebleken dat eiseres met ingang van het vierde kwartaal van 2009 ten behoe[kind] kinderbijslag ontvangt. Dit is een omstandigheid waarmee verweerder in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar rekening zal moeten houden.

2.23 De uitspraken van het EHRM waarnaar eiseres heeft verwezen, kunnen niet zonder meer leiden tot een ander oordeel. Het verzoek met reg. nr. AWB 09-4633 WWB zal dan ook worden afgewezen. In deze zaak bestaat voorts geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

2.24 Verweerder dient te worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten in de zaken met reg. nr. AWB 09-2215 en 09-4665 WWB. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter een punt toe voor het indienen van het beroep, een punt voor het indienen van het verzoekschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. Omdat ten behoeve van eiseres een toevoeging is afgegeven krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep geregistreerd onder nr. AWB 09-2215 WWB gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 2 april 2009;

3.3 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.4 gelast dat de gemeente Haarlem het door eiseres betaalde griffierecht van € 82,-- aan haar vergoedt;

3.5 wijst de verzoeken om voorlopige voorziening, geregistreerd onder AWB 09-4633 en 09-4665 WWB, af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, voorzieningenrechter, en op 9 november 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.