Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK1644

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
awb 09-4888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat bij de technische beoor-deling van het bouwplan in de primaire fase inderdaad […] niet is opgemerkt dat een aantal gegevens ontbrak. Het gaat om voor de toetsing van het voorliggende bouwplan aan het Bouwbesluit 2003 essentiële informatie van constructieve aard, die […] samenhangt met het draagvermogen van de fundering. De […] aanvullende berekeningen waren ten tijde van de sluiting van het onderzoek […] nog bij verweerder in onderzoek. Volgens de gemachtigde dienen de [..] onduidelijkheden eerst te worden opgehelderd. Als zou blijken dat toch niet aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 kan worden voldaan en het bouwplan desondanks zou worden gerealiseerd, kan dat verzakkingen van beide woningen tot gevolg hebben. Gelet hierop is namens verweerder aangegeven dat tot schorsing van de bouwvergunning tweede fase dient te worden overgegaan, totdat duidelijk bestaat dat er geen beletselen van constructieve aard bestaan die aan het bouwen in de weg staan. De voorzieningenrechter sluit zich bij dit standpunt aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4888

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.D. van Reenen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder,

gemachtigden: M.J.J. Eijkelboom-van de Geyn en ing. B.J. Wierdsma, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlem,

derde partij:

[derde partij],

vergunninghouder,

wonende te [woonplaats].

Tegenwoordig: mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter en mr. J. Poggemeier griffier.

Zitting: 21 oktober 2009.

Verschenen: Verzoekster is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigden voornoemd. Voorts is ver-gunninghouder ter zitting verschenen.

Het geschil betreft het verzoek om een voorlopige voorziening d.d. 5 oktober 2009 hangende bezwaar gericht tegen de aan [derde partij] verleende bouwvergunning tweede fase d.d. 9 februari 2009 [bedoeld is 9 juli 2009] voor het vergroten van de eerste- en de zolder-verdieping aan de achterzijde van het pand plaatselijk bekend [adres].

Bij mondelinge uitspraak van 21 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen in dier voege dat voornoemde bouwvergunning wordt geschorst tot één week na de dag waarop verweerder het te nemen besluit over de constructie zal hebben verzonden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter verweerder veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op basis van het Besluit proceskosten, waarbij 1 punt gelijk is aan € 437,--) te betalen door verweerder aan verzoekster. Voorts heeft de voorzieningenrechter verweerder gelast dat hij het door verzoekster betaalde griffierecht van € 150,-- aan haar vergoedt.

De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningen-rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

Het bouwplan betreft een uitbouw aan de achterzijde op de eerste en tweede verdieping van de woning aan de [adres] en komt er op neer dat het balkon op de eerste etage over de gehele breedte bij het huis zal worden getrokken. Ook de zolder wordt vergroot. Verzoekster bewoont het aangrenzende pand plaatselijk bekend [adres].

De voorzieningenrechter stelt vast dat voor het bouwplan een bouwvergunning eerste en tweede fase is verleend op basis waarvan vergunninghouder gerechtigd is om te gaan bouwen.

Uit het dossier is het volgende gebleken. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van verzoekster zijn de constructieberekeningen van het bouwplan nader bekeken door een gemeentelijke constructeur. Deze concludeerde dat op basis van hetgeen in de primaire fase door de constructeur van vergunninghouder is overgelegd, onvoldoende kon worden beoordeeld of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2003 omdat ‘er geen berekeningen van de maatgevende belasting per strook bij de gegevens zijn gevoegd’. De constructeur van vergunninghouder heeft vervolgens op verzoek van verweerder aanvullende berekeningen aangeleverd.

Ing. Wierdsma heeft ter zitting aangegeven dat bij de technische beoordeling van het bouwplan in de primaire fase inderdaad abusievelijk niet is opgemerkt dat een aantal ge-gevens ontbrak. Het gaat om voor de toetsing van het voorliggende bouwplan aan het Bouwbesluit 2003 essentiële informatie van constructieve aard, die -naar de voor-zieningenrechter heeft begrepen- (onder meer) samenhangt met het draagvermogen van de fundering. De verstrekte aanvullende berekeningen waren ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting nog bij verweerder in onderzoek. Volgens Wierdsma dienen de be-staande onduidelijkheden eerst te worden opgehelderd. Als zou blijken dat toch niet aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 kan worden voldaan en het bouwplan desondanks zou worden gerealiseerd, kan dat verzakkingen van beide woningen tot gevolg hebben. Wierdsma heeft ter zitting aangegeven ernstige twijfels te hebben of de fundering wel voldoet. Gelet hierop is namens verweerder aangegeven dat tot schorsing van de bouwvergunning tweede fase dient te worden overgegaan, totdat duidelijk bestaat dat er geen beletselen van constructieve aard bestaan die aan het bouwen in de weg staan.

De voorzieningenrechter sluit zich bij dit standpunt aan. Het besluit tot het verlenen van de bouwvergunning is dus onvoldoende gemotiveerd. Het gaat immers om bezwaren die volgens Wierdsma wezenlijke aandacht verdienen en waarover ten tijde van de sluiting van het onderzoek nog geen duidelijkheid kon worden gegeven. Dat de vergunninghouder ter zitting heeft aangegeven dat de door hem gecontracteerde aannemer de werkzaamheden reeds heeft ingepland en dat zijn constructeur -van wiens deskundigheid hij uitgaat- één en ander heeft berekend en van mening is dat reeds thans met bouwen kan worden begonnen, is in dit verband onvoldoende.

De voorzieningenrechter hecht er waarde aan op te merken dat Wierdsma ter zitting heeft aangegeven dat de bestudering van de nadere informatie waarschijnlijk nog aan het einde van deze week zal zijn afgerond en dat dan zo spoedig mogelijk advies zal worden uitgebracht aan verweerder en dat dit advies ook direct aan partijen ter hand zal worden gesteld. Dezerzijds is toegezegd dat indien binnen een week na het uitreiken van de beslissing over de vraag of de constructie voldoet, opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingediend dit zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ter zitting zal worden behandeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

(griffier) (voorzieningenrechter)

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.