Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK1637

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
148948-08-2862 en 151835-08-4091
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; waarde onderneming wordt niet in verrekening betrokken, waarde echtelijke woning wordt wel in verrekening betrokken

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/52

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding/verdeling/tegenspraak A

zaak-/rekestnr.: 148948/08-2862 en 151835/08-4091

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 6 oktober 2009

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.W.K. Bosman, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. Rozemeijer, kantoorhoudende te Velserbroek.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2008 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 9 maart 2008;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 18 maart 2009;

- de beschikking dagbepaling van 19 maart 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 26 juni 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 3 juli 2009;

- de beschikking dagbepaling van 9 juli 2009 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 27 augustus 2009.

1.2 De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van

27 augustus 2009 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. Bosman voornoemd en de man door mr. Rozemeijer voornoemd.

2 Verdere beoordeling

2.1 Bij beschikking van 2 december 2008 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de behandeling van de zaak met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 19 maart 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 Gebleken is dat partijen zijn gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden op [datum] 1991. Deze huwelijkse voorwaarden luiden - voor zover hier van belang - als volgt:

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen bestaan.

Artikel 3.

De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding

van de kinderen, zullen door de echtgenoten worden gedragen in evenredigheid van hun

inkomens en voorzover de inkomens ontoereikend zijn, in evenredigheid van hun

vermogens. (…).

Artikel 6.

Na het einde van elk kalenderjaar kan ieder der echtgenoten vorderen, dat de in dat

kalenderjaar onverteerde inkomsten tussen hen bij helfte worden verdeeld, ter voeging bij

hun respectievelijke vermogens. Onder onverteerde inkomsten worden verstaan de inkomens

zoals deze jaarlijks zoveel mogelijk in overeenstemming met de regelen, geldend voor de

Inkomstenbelasting, worden vastgesteld, verminderd met de in artikel 4 bedoelde kosten van

de huishouding en de belastingen. Hetgeen (...) Zodra en zolang de gemeenschappelijke

huishouding feitelijk ophoudt te bestaan, eindigt de verplichting tot bijeenvoeging en

verdeling, zoals in dit artikel is omschreven (...).

Finale verrekening

2.3 Nu partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden blijft conform artikel 1:141 BW de verplichting tot verrekening van de niet verrekende inkomsten in stand. Verrekend dient te worden het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede de vruchten daarvan. Als tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald, dient gelet op artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen te worden aangehouden. Vast is komen te staan dat partijen op 1 maart 2008 feitelijk uiteen zijn gegaan.

2.4 Gebleken is dat de man directeur is van [naam] Holding B.V. opgericht in augustus 1991, met als dochteronderneming [naam dochteronderneming] B.V. opgericht in 1998.

Partijen verschillen van mening of de waarde van de onderneming in de verrekening betrokken moet worden.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat, omdat de man met de onderneming is gestart gedurende het huwelijk en deze is gefinancierd met overgespaard inkomen, de waarde van de onderneming (inclusief goodwill) verrekend moet worden. Subsidiair is zij van mening dat er gekeken moet worden naar de opgepotte winsten. Zij stelt dat er, gelet op de winsten die in de onderneming zijn gebleven, dividend had kunnen worden uitgekeerd, althans dat de man, die 33% van de aandelen bezit, er voor had kunnen zorgen dat er dividend werd uitgekeerd.

De man heeft aangevoerd dat er geen reden is om de waarde van de onderneming te verrekenen. Dat zou ook niet stroken met de bedoeling van partijen om de op te starten onderneming van de man buiten de gemeenschap en/of verrekening te houden. Daarnaast zijn de ondernemingswinsten niet onder artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen, noch is de man in overwegende mate bij machte te bepalen dat de winsten van [naam] Holding B.V. hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen. Bovendien is de onderneming een aantal maanden na het huwelijk opgestart met geleend geld.

Op grond van artikel 1:141 lid 4 BW moeten de winsten van een door een echtgenoot niet op zijn naam uitgeoefende onderneming, die niet aan hem worden uitgekeerd, maar in deze onderneming worden gereserveerd, in de verrekening worden betrokken, indien deze echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten hem rechtstreeks of middellijk toekomen. Bij de beoordeling hiervan moet niet alleen rekening worden gehouden met de formele stemverhoudingen. Ook feitelijke zeggenschap van een echtgenoot over de winstbestemming kan ertoe leiden dat niet uitgekeerde winsten bij de verrekening in aanmerking genomen moeten worden.

Gebleken is dat de man een aantal aandelen had in [naam dochteronderneming] B.V. Vervolgens is deze B.V. uitgezakt in een nieuwe dochtermaatschappij, genaamd [naam] B.V. De naam van de oorspronkelijke vennootschap [naam] B.V. is gelijktijdig gewijzigd in [naam] Holding B.V. [naam] Holding B.V. is 100% aandeelhouder van [naam dochtermaatschappij] B.V. Thans is de man een van de aandeelhouders in [naam] Holding B.V. Blijkens het register van aandeelhouders bezit de man 66 van de 200 aandelen (33%) in deze vennootschap.

Nu de man daarnaast aannemelijk heeft gemaakt dat de andere aandeelhouders een belangrijke stem hebben in de wijze waarop de winst wordt bestemd, omdat zij naast aandeelhouder ook zo niet de enige, dan toch de belangrijkste opdrachtgever van de B.V. zijn, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij niet in overwegende mate bij machte was of is om te bepalen dat de winsten hem rechtstreeks of middellijk toekomen. Het verzoek van de vrouw om de waarde van de onderneming in de verrekening te betrekken zal om die reden worden afgewezen. De door de man opgeworpen stelling dat het verrekenbeding geen ondernemingswinsten omvat, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen nadere bespreking.

2.5 Partijen verschillen voorts van mening of de waarde van de echtelijke woning aan de [adres] verrekend moet worden.

Gebleken is dat de echtelijke woning staande huwelijk is gekocht en eigendom is van de man. De man heeft de koopsom van deze woning destijds geheel gefinancierd met een hypothecaire lening. De woning is thans hypotheekvrij, aangezien de aan de hypotheekhouder verpande levensverzekering bij [naam verzekeringsmaatschappij] op 1 januari 2007 tot uitkering is gekomen en daarmee de hypothecaire lening is afgelost.

De man stelt zich primair op het standpunt dat de waarde van de woning niet in de verrekening betrokken moet worden. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat slechts de waarde van voornoemde polis ex artikel 1:136 BW nominaal verrekend moet worden.

Hij voert daartoe aan dat het de bedoeling van partijen was om alles gescheiden te houden. De man betwist niet dat de hypothecaire schuld is afgelost door het vrijvallen van de polis bij [naam verzekeringsmaatschappij]. Deze polis behoort volgens de man echter niet tot het te verrekenen vermogen, omdat blijkens de huwelijkse voorwaarden betaling van de premie ten behoeve van de polis niet onder de kosten van de huishouding viel.

De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat, omdat de premie van [naam verzekeringsmaatschappij] is voldaan met overgespaard inkomen en vast is komen te staan dat met de waarde van de polis de hypothecaire geldlening is afgelost, de waarde van de echtelijke woning per peildatum, 1 maart 2008, verrekend dient te worden.

Volgens artikel 1:136 lid 1 BW moet, als een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, het goed tot het te verrekenen vermogen gerekend worden voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald. Indien voor de verwerving van een woning een hypothecaire lening is aangegaan en in verband daarmee tevens een kapitaalverzekering is gesloten die ertoe strekt om (te zijner tijd) met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire geldlening af te lossen, dient betaling van de verzekeringspremies uit overgespaarde inkomsten gelijkgesteld te worden met aflossing van die hypothecaire schuld (NJ 2009, 377). In dit geval heeft de man de woning gedurende het huwelijk gekocht en volledig gefinancierd met een hypothecaire lening. Op deze lening is tijdens het huwelijk niet direct afgelost. Wel heeft de man premies levensverzekering betaald, met de bedoeling de waarde van de polis te zijner tijd te benutten voor de aflossing van de hypotheekschuld. Dit is vervolgens ook gebeurd. Dit impliceert dat de waarde van de woning per peildatum behoort tot het te verrekenen vermogen.

Nu beide partijen zich niet hebben uitgelaten over de waarde van de woning per peildatum, zal de rechtbank de beslissing op dit punt verder aanhouden. Aan partijen wordt verzocht zich uit te laten over de vraag of zij bereid en in staat zijn in onderling overleg een makelaar te vragen om een bindende taxatie te verrichten dan wel of de rechtbank een deskundige moet benoemen om de waarde te taxeren. Indien partijen niet tot overeenstemming komen is de rechtbank voornemens dhr. J.M. Jansen van Jansen & Rutte Makelaars, Van Eedenstraat 9 te 2012 EL Haarlem hiertoe te benoemen. Aan partijen wordt verzocht aan te geven of zij hier bezwaar tegen hebben.

2.6 Ook de saldi van de bankrekeningen zijn per peildatum - 1 maart 2008 - niet bekend. Aan de man wordt verzocht inzage te geven in het saldo op zijn bankrekening met nr. 10.29.01.175 per 1 maart 2008, althans opvolgende bankafschriften van voor en na deze datum over te leggen.

Aan de vrouw wordt verzocht inzage te geven in de saldi op haar bankrekeningen bij de Rabobank met nr. [nummer], bij de ABN-Amro met nr. [nummer] en de spaarloonrekening bij ABN-Amro met nr. [nummer] per 1 maart 2008, althans opvolgende bankafschriften van voor en na deze datum over te leggen.

Aan partijen wordt voorts verzocht om inzage te geven in de saldi op de en/of rekening bij Rabobank met nr. [nummer] en ABN0Amro bank [nummer] per 1 maart 2008, althans bankafschriften van voor en na deze datum over te leggen

De rechtbank zal de stelling van de vrouw dat de man gehouden is tot terugbetaling van de helft van het saldo dat hij zonder haar toestemming heeft opgenomen van de en/of rekening bij de Rabobank passeren, nu dit na de peildatum is gebeurd.

2.7 De rechtbank deelt de stelling van de man dat de lijfrente bij Aegon met nr. [nummer] niet tot het te verrekenen vermogen behoort niet. Immers ook indien de premies hiervoor, zoals door de man wordt gesteld, door de onderneming zijn betaald behoort deze polis tot het te verrekenen vermogen, omdat de betalingen door de onderneming ten gunste van de man dienen te worden beschouwd als loon en de betaling van premies daarmee als overgespaard inkomen. De vrouw heeft derhalve recht op de helft van de waarde van de lijfrenteverzekering. Aan de man wordt verzocht opgave te doen van de waarde van deze lijfrente per 1 maart 2008.

2.8 Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de camper GMC in gezamenlijke opdracht zal worden verkocht en dat aan ieder van hen de helft van de waarde toekomt.

2.9 Voorts zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de op naam van de man staande stacaravan en de inboedelgoederen tegen een waarde van € 15.000 in de verrekening betrokken zullen worden, in die zin dat de man aan de vrouw terzake een bedrag van € 7.500 dient te voldoen.

2.10 Ook met betrekking tot de auto, merk [naam], hebben partijen overeenstemming bereikt. Deze auto is eigendom van de vrouw en zal tegen een waarde van € 5.730 in de verrekening worden betrokken. De vrouw dient terzake € 2.865 aan de man te voldoen.

kosten van de huishouding en overige verzoeken

2.11 De man heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding dienen te worden gedragen naar evenredigheid van het inkomen van ieder der partijen. De man stelt dat hij deze kosten heeft gedragen, terwijl de vrouw hiertoe niet of nauwelijks heeft bijgedragen. Uitgaande van een inkomen van de vrouw van ca. € 650 netto per maand, begroot de man dat de vrouw over de periode van juli 2002 tot 1 maart 2008 € 22.100 aan hem dient te betalen.

De vrouw heeft het standpunt van de man betwist en gesteld dat partijen naar rato van hun inkomen hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding. Zij heeft ter onderbouwing hiervan verschillende bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat van haar rekening onder meer de wekelijkse boodschappen werden voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, op de weg van de man had gelegen om zijn standpunt te onderbouwen. Nu de man dit heeft nagelaten, zal de rechtbank zijn verzoek op dit punt afwijzen.

2.12 Niet in geschil tussen partijen is dat de belastingteruggave over 2007 nog tussen partijen moet worden verrekend. Aan de man wordt opgedragen hiervan opgave te doen, onderbouwd door middel van bescheiden.

2.13 De vrouw heeft verzocht in de beschikking vast te leggen dat de opgebouwde ouderdomspensioenen dienen te worden verevend en te bepalen dat de man opgave doet van de door hem opgebouwde pensioenen al dan niet in eigen beheer. Indien er sprake is van pensioen in eigen beheer is de vrouw van mening dat haar aandeel afgezonderd en afgestort moet worden. Nu de man heeft betwist dat er sprake is van pensioen in eigen beheer, de vrouw het tegendeel niet nader heeft onderbouwd en dat de enige “pensioenopbouw” van de man bestaat uit de eerdergenoemde lijfrenteverzekering van de man bij Aegon die reeds in het kader van de finale verrekening is meegenomen, heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek en zal dit worden afgewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

Bepaalt de voortzetting van de behandeling ter terechtzitting op 26 november 2009 PRO FORMA.

Verzoekt partijen de rechtbank uiterlijk 12 november 2009 schriftelijk te berichten omtrent de vraag of zij bereid en in staat zijn in onderling overleg een makelaar te vragen om een bindende taxatie te verrichten dan wel of de rechtbank terzake een deskundige moet benoemen. Indien de rechtbank een deskundige moet benoemen, worden zij verzocht zich voorts uit te laten over het voornemen om dhr. J.M. Jansen van Jansen & Rutte Makelaars, Van Eedenstraat 9 te 2012 EL Haarlem te benoemen.

Verzoekt de man uiterlijk op 12 november 2009 de in overweging 2.6, 2.7 en 2.12 genoemde stukken over te leggen.

Verzoekt de vrouw uiterlijk op 12 november 2009 de in overweging 2.6 genoemde stukken over te leggen.

Stelt partijen in de gelegenheid om op uiterlijk 19 november 2009 schriftelijk te reageren op de over en weer overgelegde stukken.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, als voorzitter en mrs. W. Veldhuijzen van Zanten en P.R. de Geus, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van

6 oktober 2009 in tegenwoordigheid van E. Dijkstra als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.