Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0989

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
23-10-2009
Zaaknummer
09/1142
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat Staatsbosbeheer onder het bereik van de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Gemeentewet en artikel 2, eerste 1, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet Woz valt, omdat het zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt, niettegenstaande het feit dat eiseres naast natuurbeheer ook nog andere (zakelijke) activiteiten ontplooit, onder meer bestaande uit de verkoop van hout uit eigen bossen op de zakelijke markt. (partijen hebben voor de leesbaarheid van de uitspraak bij publicatie toestemming verleend voor naamsvemelding)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2372 met annotatie van van derBurg
FutD 2009-2324
Belastingblad 2010/21

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1142

Uitspraakdatum: 7 oktober 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Staatsbosbeheer regio West, gevestigd te Amsterdam, eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met dagtekening 30 april 2008 de waarde van de onroerende zaken Bovenweg 9902 te Aerdenhout en Zeeweg 9918 te Overveen voor het kalenderjaar 2008 vastgesteld. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2008 bekend gemaakt.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 december 2008, verzonden op 22 januari 2009, de bij beschikking vastgestelde waarden en de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 2 maart 2009, ingekomen bij de rechtbank op 4 maart 2009, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Eiseres is aldaar verschenen bij haar gemachtigde mr. C.M. Bergman, vergezeld van R. Bonke, werkzaam als senior medewerker vastgoed bij eiseres. Namens verweerder is verschenen A. Bruijn. De gemachtigde van eiseres heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De zaak is tegelijk behandeld met het door eiseres ingestelde beroep in de zaak met nummer 09/1133 waarin dezelfde rechtsvraag speelt als in de onderhavige zaak.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is eigenaar van de objecten Bovenweg 9902 (‘Bos aan Duinvlietspad’) te Aerdenhout en Zeeweg 9918 (‘Bosgrond’) te Overveen (hierna: de objecten), waaraan verweerder bij de onder 1.1. genoemde beschikking respectievelijk waarden van € 3.000 en € 2.601.000 heeft toegekend.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is en dat de genoemde objecten natuurterreinen zijn in de zin van artikel 220d, eerste lid, onderdeel e van de Gemeentewet en artikel 2, eerste lid, onderdeel c van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling).

3. Geschil

3.1. In geschil is primair of eiseres een rechtspersoon is welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt in de zin van artikel 220d, eerste lid, onderdeel e van de Gemeentewet en artikel 2, eerste 1, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling, in welk geval de waarde van de objecten buiten aanmerking moet worden gelaten. Subsidiair is de door verweerder voor de objecten vastgestelde waarde in geschil.

3.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zich (nagenoeg) uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt, verweerder is de tegenovergestelde mening toegedaan. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Mocht de rechtbank het standpunt van verweerder volgen dat eiseres zich niet (nagenoeg) uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt, dan hebben partijen de rechtbank verzocht zich nader over de vastgestelde waarden te mogen uitlaten.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Gemeentewet houdt in dat bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die beheerd worden door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling houdt in dat bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die beheerd worden door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen.

4.2. In artikel 3, eerste lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer staat de taakopdracht van eiseres omschreven. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Staatsbosbeheer is belast met het beheer van de bij deze dienst krachtens eigendom of enig ander zakelijk dan wel enig persoonlijk recht berustende objecten en het verkrijgen van objecten, met als doelstelling bestaande, onderscheidenlijk potentiële, natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, dan wel de met die waarden verband houdende bestaande of potentieel aanwezige educatieve waarden, in het algemeen belang duurzaam in stand te houden, onderscheidenlijk met het oog daarop te ontwikkelen, een en ander in overeenstemming met het ten aanzien van de instandhouding en ontwikkeling van de voornoemde waarden door Onze Minister geformuleerd beleid. Onder beheer wordt mede verstaan de bevoegdheid tot vervreemding.”

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van de taakopdracht van eiseres tot geen ander oordeel kan leiden dan dat eiseres zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt als bedoeld in de onder 4.1 genoemde bepalingen.

4.4. Aan het voorgaande doet, anders dan verweerder heeft betoogd, niet aan af dat eiseres naast natuurbeheer ook nog andere (zakelijke) activiteiten ontplooit, onder meer bestaande uit de verkoop van hout uit eigen bossen op de zakelijke markt, de verkoop van zelfgefabriceerde houtproducten direct aan consumenten en de verhuur van vakantiewoningen. Deze marktactiviteiten hangen zo sterk samen met c.q. zijn onlosmakelijk verbonden met de kerntaak van eiseres dat niet gezegd kan worden dat eiseres zich door het ontplooien van deze activiteiten niet langer het behoud van natuurschoon (nagenoeg) uitsluitend ten doel stelt (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1995 – 1996, 24 622 (Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer), nummer 3 (Memorie van Toelichting), pagina 11).

4.5. De voornaamste stellingen van verweerder komen er in de kern op neer dat eiseres niet onder het bereik van de vrijstelling valt, aangezien zij een verlengstuk van de overheid is, hetgeen blijkt uit het feit dat de doelstelling van eiseres is geënt op het landelijk natuurbeleid van de overheid, en de overheid niet is aan te merken als een rechtspersoon die – kort gezegd – natuurbehoud als primaire taak heeft. Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat niet eiseres maar de overheid als beherende rechtspersoon in de zin van de hiervoor onder 4.1 genoemde bepalingen moet worden aangemerkt, wordt miskend dat de onderhavige natuurterreinen eigendom zijn van eiseres en dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer eiseres met het beheer van de bij haar krachtens eigendom berustende objecten is belast. Voor zover verweerder dit niet heeft miskend, maar heeft bedoeld te betogen dat voor de beantwoording van de vraag of eiseres zich op de vrijstelling kan beroepen van belang is door wie haar doelstelling is bepaald, miskent verweerder dat in de tekst van de hiervoor onder 4.1 genoemde bepalingen geen steun te vinden is voor die opvatting, nu die bepalingen enkel de doelstelling zelf tot uitgangspunt nemen en daarbij niet betrekken hoe die doelstelling tot stand is gekomen.

4.6. Dat eiseres bij de parlementaire behandeling van het de Wet tot wijzing van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Kamerstukken II, 9538, nummer 37, Wet van 24 december 1970, Stb. 1970, 608, blz. 280) niet is genoemd als een specifieke organisatie die zich het behoud van natuurschoon ten doel stelt doet aan het voorgaande geen afbreuk. Nog daargelaten dat het blijkens het gebruik van het woord ‘bijvoorbeeld’ dat aan de in dat kamerstuk gegeven opsomming vooraf gaat niet de bedoeling van de wetgever was een uitputtende opsomming van dergelijke instellingen te geven, is de hiervoor onder 4.2 genoemde specifieke taakopdracht eerst per 1 januari 1998 met de inwerkingtreding van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer aan eiseres toegekend, zodat het geen bevreemding mag wekken dat zij in 1970 nog niet werd genoemd als voorbeeld van een specifieke organisatie die zich het behoud van natuurschoon ten doel stelt.

4.7. De door verweerder getrokken gelijkenis van eiseres met de voormalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gaat in dat licht niet op. Het gaat hier immers louter om de vraag of eiseres voldoet aan het criterium dat zij zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt, welke vraag door de rechtbank bevestigend is beantwoord.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat de onderhavige bij eiseres in eigendom zijnde objecten bij de bepaling van de WOZ-waarde en bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking dienen te worden gelaten. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van de hoogte van de vastgestelde waarden.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu sprake is van samenhangende zaken (de onderhavige zaak en de zaak met nummer 09/1133), zal de rechtbank in de onderhavige zaak verweerder veroordelen tot betaling van de helft van voormelde kosten. De rechtbank wijst de gemeente Bloemendaal aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

De rechtbank wijst erop dat in deze zaak geen griffierecht aan eiseres hoeft te worden vergoed, aangezien alleen in de samenhangende zaak met nummer 09/1133 griffierecht is geheven.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2008;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322, en wijst de gemeente Bloemendaal aan dit bedrag aan eiseres te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan op 7 oktober 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.H.L.C. Bijvoet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.