Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0755

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
422192 CV EXPL 09-4313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert achterstallig loon over een periode van arbeidsongeschiktheid. Werkgever betwist de door eiser gestelde arbeidsongeschiktheid. Volgens een door eiser bij het UWV aangevraagd deskundigenoordeel was eiser in de desbetreffendfe periode volledig arbeidsongeschikt.

Eiser stelt dat het bewijs van zijn arbeidsongeschiktheid wordt gevormd door het deskundigenoordeel van het UWV. De kantonrechter is van oordeel dat het deskundigenoordeel geen bewijs vormt voor de arbeidsongeschiktheid van eiser, omdat sprake is van bijkomende feiten en omstandigheden op grond waarvan aan het deskundigenoordeel geen gewicht dient te worden toegekend. Het bewijsaanbod van eiser wordt als onvoldoende gespecificeerd gepaseerd. De vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/779
AR-Updates.nl 2009-0788

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 422192 / CV EXPL 09-4313

datum uitspraak: 14 oktober 2009

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. V.Y. Jokhan

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JABIL GLOBAL SERVICES NETHERLANDS B.V.

te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Jabil

gemachtigde mr. R.J. Snip

De procedure

[eiser] heeft Jabil gedagvaard op 14 april 2009. Jabil heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiser] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna Jabil nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

1. [eiser] is vanaf 1 december 1996 bij Jabil in dienst, laatstelijk in de functie van store operator, tegen een salaris van € 1.812,03 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst zijn de door Jabil gehanteerde regels omtrent ziekmelden van toepassing.

2. Op 27 augustus 2008 heeft [eiser] een e-mailbericht gestuurd aan [XXX] (hierna: [XXX]), HR manager bij Jabil, met onder meer de volgende inhoud:

“[...] voor ik aan het werk gaat beginnen, wil ik een gesprek over mijn toekomst bij JABIL EN MIJN SALARIS EN TEAM LIDER ... Anders geef mij maar wat anders?? [...] werk in de beurt van alkmaar of in spanje [...] (Winstuitkering per drie maanden en 5 procent loon verhoging per jaar en mijn pensioen goed geregeld. jullie kunnen ook mij 1.5 jaar vol uit betalen en mij uitkopen 225000,00 en mijn pensioen tot mijn 69 ste jaar blijven betalen.) Ik heb nog geld te goed vanaf 2000—2008 ongeveer [...] 63624,00 [...].”

3. Bij e-mailbericht van 28 augustus 2008 heeft [XXX] [eiser] uitgenodigd om zijn e-mailbericht op 1 september 2008 te komen toelichten.

4. Op 28 augustus 2008 heeft [eiser] een bezoek gebracht aan de polikliniek van het Medisch Centrum Alkmaar in verband met huiduitslag.

5. Op 1 september 2008 heeft [eiser] zijn huisarts bezocht met pijnklachten aan kies en oor.

6. [eiser] heeft zich op 1 september 2008 per e-mail ziek gemeld.

7. Bij brief van 15 september 2008 heeft [eiser] aan Jabil medegedeeld, dat hij van vakantie is teruggekeerd met insectenbeten over het hele lichaam en dat zijn gebit, oor en keel waren aangetast.

8. Bij brief van 16 september 2008 heeft M.R. Flaverey, arts assistent op de afdeling dermatologie van het Medisch Centrum Alkmaar onder meer het volgende aan de huisarts van [eiser] medegedeeld:

“Bovengenoemde patiënt bezocht [...] onze polikliniek. Anamnese: [...] huiduitslag [...] gepaard gaande met veel jeuk. [...] Diagnose: zeer waarschijnlijk een reactie op insectenbeten. [...] Bij controle op de polikliniek ging het beduidend beter met patiënt. Controle: geen.”

9. Bij brief van 25 september 2008 heeft Jabil [eiser] uitgenodigd voor een gesprek met de bedrijfsarts op 1 oktober 2008. Zij heeft voorts onder meer het volgende opgemerkt:

“Op maandag 1 september 2008 [...] hebben zowel [XXX] en [YYY] je meerdere malen telefonisch geprobeerd te bereiken zonder succes.

[...] Nu communicatie niet mogelijk is en wij niet in staat zijn jouw arbeidsongeschiktheid te beoordelen moeten wij helaas concluderen dat jou ongeoorloofd afwezig bent. Als gevolg van deze situatie zijn wij helaas genoodzaakt om je salaris vanaf 1 september stop te zetten.”

10. [eiser] is zonder opgaaf van redenen op 1 oktober 2008 niet op de afspraak met de bedrijfsarts verschenen.

11. Op 16 oktober 2008 heeft [eiser] op uitnodiging van Jabil een bezoek aan de bedrijfsarts gebracht.

12. Op 22 oktober 2008 heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende gerapporteerd:

“Betrokkene gaf aan dat er sprake was van een combinatie van lichamelijke klachten en psychische klachten [...] Op 21-10-08 heeft ondergetekende telefonisch overleg gehad met zijn huisarts over zijn medische situatie. Op grond van deze bevindingen blijkt dat de huidige werksituatie spanningsklachten geeft voor betrokkene. Betrokkene is momenteel arbeidsongeschikt, doch er kan sprake zijn van werkhervatting zodra de knelpunten in de arbeidssituatie opgelost worden.”

13. [eiser] heeft eind oktober 2008 de werkzaamheden voor Jabil hervat.

14. Op 3 november 2008 heeft Jabil een bedrag van € 721,70 aan Jabil betaald onder vermelding van “salary oct 2008”.

15. Op 21 januari 2009 heeft [eiser] Jabil in kort geding gedagvaard en bij wijze van voorlopige voorziening betaling gevorderd van het salaris over de periode vanaf 1 september 2008 tot 16 oktober 2008.

16. Bij vonnis van 10 februari 2009 heeft de kantonrechter de voorlopige voorziening geweigerd wegens het ontbreken van onverwijlde spoed. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat [eiser] niet heeft voldaan aan de verplichting tot het overleggen van een deskundigenverklaring zoals bedoeld in artikel 7:629a lid 2 BW.

17. Op 4 maart 2009 heeft [eiser] bij het UWV een aanvraag ingediend voor een deskundigenoordeel over zijn arbeids(on)geschiktheid in de periode van 1 september 2008 tot 17 oktober 2008.

18. Op 9 maart 2009 heeft het UWV geconcludeerd dat [eiser] in die periode volledig arbeidsongeschikt was. In de rapportage van die datum heeft de verzekerings-geneeskundige vermeld dat geen informatie wordt opgevraagd bij de behandelend sector, “omdat de medische situatie duidelijk wordt geacht”. Voorts heeft de verzekeringsgeneeskundige onder meer nog het volgende opgemerkt:

“Belanghebbende heeft kennelijk een infectie opgelopen tijdens de vakantie in Roemenie. Er zou sprake zijn geweest van een impetigo, een forse infectie besmettelijk. [...] Medisch gezien moet worden vastgesteld dat als belanghebbende op 16-10 ziek was, hij dat zeker op 1-9 ook is geweest. In de acute fase is de aandoening besmettelijk.”

De vordering

[eiser] vordert, na zijn vordering te hebben gewijzigd, (samengevat) veroordeling van Jabil tot betaling van

primair

A. het bruto equivalent van € 2.036,42 netto ter zake van achterstallig salaris over de periode 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008, vermeerderd met 8% vakantiegeld, onder gelijktijdige verstrekking van salarisspecificaties;

B. de wettelijke verhoging over het gevorderde sub A;

C. de wettelijke rente over het gevorderde sub A en B;

subsidiair

D. € 2.718,05 bruto ter zake van achterstallig salaris over de periode 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008, vermeerderd met 8% vakantiegeld, onder gelijktijdige verstrekking van salarisspecificaties;

E. de wettelijke verhoging over het gevorderde sub D;

F. de wettelijke rente over het gevorderde sub D en E;

primair en subsidiair

G. € 50,00 ter zake van de kosten van het deskundigenoordeel;

H. € 450,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van Jabil in de kosten van de procedure.

[eiser] legt aan de (gewijzigde) vordering het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft zich op 1 september 2008 conform de voorschriften ziek gemeld. Op 15 september 2008 heeft hij nog aanvullende gegevens over zijn ziekte aan Jabil doen toekomen. Pas vier weken later heeft Jabil [eiser] laten weten dat zij hem niet kon bereiken. [eiser] heeft voordien niets van Jabil vernomen. Omdat [eiser] de brief van 25 september 2008 pas op 1 oktober 2008 ontving, kon hij die dag niet op de afspraak met de bedrijfsarts verschijnen.

Jabil heeft destijds ten onrechte de betaling van het loon opgeschort. Zij had, nadat de bedrijfsarts op 16 oktober 2008 had geconstateerd dat [eiser] arbeidsongeschikt was, direct moeten overgaan tot betaling van het opgeschorte loon.

Jabil heeft zich pas ten tijde van de behandeling van de kort geding procedure op het standpunt gesteld dat zij geen loon verschuldigd is omdat [eiser] niet ziek zou zijn geweest. Inmiddels is op grond van het deskundigenbericht komen vast te staan dat [eiser] in de periode vanaf 1 september 2008 tot en met 16 oktober 2008 door ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn werkzaamheden. [eiser] heeft derhalve recht op betaling van het salaris over die periode. Jabil dient haar betalingsverplichtingen jegens [eiser] na te komen.

Omdat Jabil in verzuim is met betaling van het aan [eiser] toekomende salaris over de periode vanaf 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008, is zij tevens de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd.

Door ondanks herhaalde sommaties met betaling in gebreke te blijven, heeft Jabil [eiser] genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven. [eiser] heeft daardoor inkomensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 450,00. Deze kosten dienen voor rekening van Jabil te komen.

Het verweer

Jabil betwist de vordering. Zij voert daartoe, kort samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil, het volgende aan.

[eiser] heeft zich na zijn ziekmelding onbereikbaar voor Jabil gehouden. Ondanks diverse pogingen van Jabil is het niet mogelijk geweest om [eiser] telefonisch te bereiken. [eiser] nam de telefoon niet op en reageerde niet op verzoeken van Jabil op zijn voicemail om contact op te nemen. Nu [eiser] zich aan controle door de bedrijfsarts heeft onttrokken, is niet komen vast te staan dat [eiser] vanaf 1 september 2008 tot 16 oktober 2008 daadwerkelijk arbeidsongeschikt was. Ook uit de rapportage van de bedrijfsarts van

22 oktober 2008 blijkt dat niet. Daarin is immers slechts vastgesteld dat [eiser] op dat moment arbeidsongeschikt was wegens spanningsklachten. Een oordeel over de daaraan voorafgaande periode heeft de bedrijfsarts niet gegeven. Aan het door [eiser] aangevraagde deskundigenoordeel kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat het onmogelijk is om zes maanden na de ziekmelding nog vast te stellen of er sprake was van ziekte. Daar komt bij dat niet is onderzocht of [eiser] wellicht geschikt was voor het verrichten van andere, passende arbeid. Daarenboven heeft de verzekeringsarts van het UWV geen onderzoek gedaan en geen contact opgenomen met de bedrijfsarts, maar is hij klaarblijkelijk alleen afgegaan op de mededelingen van [eiser].

Nu niet is komen vast te staan dat [eiser] tussen 1 september 2008 en 16 oktober 2008 daadwerkelijk door ziekte verhinderd was om werkzaamheden voor Jabil te verrichten, komt hem primair ingevolge artikel 7:627 BW geen loon toe.

Subsidiair kan [eiser] geen aanspraak maken op loon over deze periode omdat hij zijn genezing heeft belemmerd of vertraagd.

Voor toewijzing van wettelijke verhoging en wettelijke rente is geen grond, nu de gegronde twijfels over de arbeidsongeschiktheid van [eiser] de opschorting van de loonbetaling rechtvaardigden.

[eiser] dient de kosten van het deskundigenoordeel zelf te dragen, omdat hij die kosten aan zichzelf te wijten heeft door niet van meet af aan open kaart te spelen. Indien [eiser] direct alle medische gegevens had overgelegd, die hij nu pas bij conclusie van repliek in het geding heeft gebracht, dan had Jabil deze gegevens (toen) kunnen toetsen en, in geval van twijfel, zelf een deskundigenoordeel kunnen aanvragen.

De buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar, nu zij slechts zijn gemaakt ter instructie van de zaak.

De beoordeling van het geschil

1. De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] in de periode van

1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008 wegens ziekte niet in staat was om zijn werkzaamheden voor Jabil te verrichten. Partijen staan in hun standpunten daaromtrent diametraal tegenover elkaar. Op [eiser] rust de bewijslast van zijn stelling. Volgens [eiser] wordt dat bewijs gevormd door het deskundigenoordeel van 9 maart 2009.

2. Het mag zo zijn dat aan het deskundigenoordeel op zichzelf geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden, dat wil niet zeggen dat het oordeel door een der partijen zonder meer ter zijde kan worden gelegd. Dit zou het aanvragen van een deskundigenoordeel – het doel is immers het verkrijgen van een onafhankelijk en onpartijdig oordeel - in feite zinledig maken. Daarvoor is minstens noodzakelijk dat blijkt van bijkomende feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan het deskundigenoordeel geen gewicht dient te worden toegekend. Van deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval sprake.

3. Met name het feit dat het deskundigenoordeel slechts is gebaseerd op de door [eiser] aangedragen gegevens - de verzekeringsdeskundige vermeldt immers “Geen onderzoek gedaan” en “Informatie wordt niet opgevraagd, omdat de medische situatie duidelijk wordt geacht” -, is van belang. Voorts weegt mee dat, anders dan [eiser] betoogt, naar het oordeel van de kantonrechter in het door [eiser] overgelegde journaal van zijn huisarts noch in de brief van de dermatoloog steun gevonden kan worden voor het oordeel van de verzekeringsdeskundige. Waar deze stelt dat [eiser] ‘kennelijk’ een ‘forse infectie’ moet hebben opgelopen tijdens zijn vakantie in Roemenië, rept het journaal van de huisarts noch de brief van de dermatoloog immers over zo’n infectie. De dermatoloog merkt in zijn brief van 16 september 2008 op dat er sprake was van huiduitslag ‘gepaard gaande met veel jeuk’ maar dat het bij controle ‘beduidend beter’ met [eiser] ging.

Nu de verzekeringsdeskundige blijkens de rapportage van 9 maart 2009 uitgaat van de premisse van een bij [eiser] aanwezige besmettelijke aandoening, terwijl geen van de hiervoor genoemde stukken hiervoor enig aanknopingspunt biedt, vormt naar het oordeel van de kantonrechter het deskundigenoordeel geen bewijs voor de stelling van [eiser], dat hij in de periode tussen 1 september 2008 en 16 oktober 2008 door ziekte ongeschikt was voor het verrichten van werkzaamheden voor Jabil.

[eiser] heeft bij conclusie van repliek nog aangeboden om zijn stellingen door middel van verklaringen en het horen van getuigen te bewijzen. De kantonrechter passeert dit bewijsaanbod als niet voldoende gespecificeerd.

4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het primaire verweer van Jabil doel treft. Aan de vordering van [eiser] komt derhalve de grondslag te ontvallen, zodat deze zal worden afgewezen.

5. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Jabil tot en met vandaag worden begroot op € 350,00 aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.