Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0483

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
15-710118-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 6 WvW, artikel 5 WvW, dodelijk ongeval, aanmerkelijk onvoorzichtig, gevaarzettend gedrag, vrijspraak artikel 6 WvW

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte vrijgesproken van overtreding van artikel 6 WvW, maar heeft verdachte veroordeeld na een dodelijk ongeval wegens gevaarzetting (artikel 5 WvW).

Door een noodlottige samenloop van omstandigheden heeft het ongeval plaats gevonden. Verdachte reed op een voorrangsweg op de linkerrijbaan. De rijbaan was vrij. Het kruisingsvlak van de doorsteek was niet voorzien van een belijning die de zichtbaarheid van het oversteekvlak, en daarmee de verkeerssituatie, aanmerkelijk zou hebben verbeterd. Inmiddels is de situatie gewijzigd en zal een ongeluk als het onderhavige zich niet meer voordoen. Daarnaast stonden de automobilisten op de rechterrijbaan aaneengesloten in een file, tot een automobilist op de rechterrijbaan het slachtoffer voor liet gaan, kennelijk zonder zich bewust te zijn van de aankomende auto van verdachte. Het slachtoffer was zich evenmin bewust van de auto van verdachte. Zij heeft hem in ieder geval geen voorrang verleend.

Hoewel verdachte een ernstige verkeersfout heeft gemaakt, ligt naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven gedragingen van verdachte – hoe ernstig de gevolgen ook zijn gebleken – en mede in het licht van de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaats gevonden, niet besloten dat verdachte zoals de wet aangeeft “roekeloos of zeer/aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gereden.

De rechtbank heeft verdachte dan ook vrijgesproken van het veroorzaken van de dood van de fietser door schuld.

Wel acht de rechtbank verdachte schuldig aan gevaarzetting in het verkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, doordat hij zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast, dat hij in staat was zijn bestelbus tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/106

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710118-09

Uitspraakdatum: 14 oktober 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 september 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Heemskerk,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 03 oktober 2008 te Beverwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus), daarmede rijdende over de weg, de binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom gelegen Plesmanweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

rijdend op de meest linker rijstrook (van de zuidelijke rijbaan) van die Plesmanweg met een snelheid gelegen tussen de 64 km/uur en 66 km/uur althans met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/uur in elk geval met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoord hoge snelheid,

de op de rechter rijstrook in file stilstaande/langzaam rijdende motorrijtuigen met bovengenoemde snelheid links inhalend, een in die weg gelegen door/oversteek/kruising vanaf de parallelweg van die Plesmanweg gelegen ter hoogte van het President Kennedyplein naderend/oprijdend,

terwijl voor die door/oversteek/kruising, in zijn rijrichting gekeerd, aan de rechterzijde van de (hoofdrijbaan van de) weg een bord J24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

niet zijn motorrijtuig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

(mede)waardoor een aanrijding of botsing ontstond met het door hem bestuurde motorrijtuig en de tussen de in file stilstaande motorrijtuigen door die door/oversteek/kruising met de/per fiets overstekende [slachtoffer] en/of haar fiets,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood althans dusdanig werd gewond dat zij aan/tengevolge van die verwonding(en) is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 03 oktober 2008 binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Beverwijk als bestuurder van een voertuig (bestelbus), daarmee rijdende

op de meest linker rijstrook (van de zuidelijke rijbaan) van de Plesmanweg met een snelheid gelegen tussen de 64 km/uur en 66 km/uur althans met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/uur in elk geval met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoord hoge snelheid,

terwijl daar in zijn rijrichting gekeerd, aan de rechterzijde van de (hoofdrijbaan van de) weg een bord J24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

de op de rechter rijstrook in file stilstaande/langzaam rijdende motorrijtuigen met bovengenoemde snelheid links inhalend, een in die weg gelegen door/oversteek/kruising vanaf de parallelweg van die Plesmanweg gelegen ter hoogte van het President Kennedyplein is genaderd/opgereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden (1)

De rechtbank gaat bij de vraag naar de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit uit van de navolgende – tussen partijen niet in geschil zijnde – redengevende feiten en omstandigheden .

Op 3 oktober 2008 omstreeks 15.45 uur reed verdachte in een witte Volkswagen Transporter, met kenteken [kenteken], over de linkerrijbaan van de Plesmanweg te Beverwijk, gaande in de richting van de Laan der Nederlanden. De Plesmanweg is een voorrangsweg waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. Ter hoogte van het President Kennedyplein is een doorsteek ten behoeve van het verkeer van de parallelweg van de Plesmanweg. Verkeersdeelnemers op de parallelweg die de Plesmanweg naderen worden middels borden en haaientanden kenbaar gemaakt dat zij aan het verkeer op de Plesmanweg voorrang moeten verlenen. De doorsteek wordt tevens gebruikt door fietsers en bromfietsers om de Plesmanweg over te steken. Dit wordt de verkeersdeelnemers op de Plesmanweg kenbaar gemaakt door middel van een waarschuwingsbord conform model J24 van Bijlage 1 bij het RVV 1990 (2). Ten tijde van het ongeval stond het verkeer op de zuidelijke rechterrijbaan van de Plesmanweg stil, dan wel reed het langzaam in verband met de verkeersdrukte en een verderop gelegen kruispunt met stoplichten. Het kruisingsvak van de doorsteekplaats werd door de automobilisten op de rechterrijbaan niet vrijgelaten, automobilisten sloten aan.(3) Het slachtoffer [slachtoffer] stond bij de doorsteek te wachten tot zij de weg met haar fiets kon oversteken. Op enig moment heeft een bestuurder van een auto op de rechterrijbaan haar voor laten gaan. [slachtoffer] is overgestoken en fietste vervolgens, zonder voorrang te verlenen aan het overige verkeer, de linkerrijbaan op. Op de linkerrijbaan kwam op dat moment verdachte aangereden.(4) Hij reed op dat moment met een snelheid van ongeveer 65 km/u.(5) Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat hij ongeveer 55 km/u reed, maar dat het mogelijk is dat hij 65 km/u reed.(6) Verdachte zag bij nadering van de doorsteek bij het President Kennedyplein geen overstekend verkeer. Toen verdachte plotseling het gezicht van een meisje zag, dat op een fiets tussen twee auto’s door de rijbaan op reed, kon verdachte niet meer tijdig remmen om een aanrijding te voorkomen.(7) Bij dit ongeval raakte [slachtoffer] ernstig gewond. Zij is overgebracht naar het ziekenhuis, alwaar zij op 15 oktober 2008 aan haar verwondingen is overleden. Blijkens het schouwverslag van 15 oktober 2008 was sprake van een niet natuurlijke dood, die naar het oordeel van de schouwarts rechtstreeks terug te voeren was naar het ongeval van 3 oktober 2008.(8)

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer eerst op een zeer laat moment heeft gezien, waarna hij vol heeft geremd. Verdachte weet niet waarom hij het slachtoffer niet eerder heeft gezien.

Kort na het ongeval is de verkeerssituatie ter plaatse ingrijpend gewijzigd. Thans kan bij de doorsteek van de Plesmanweg nog slechts over één rijstrook, de rechterrijstrook, worden gereden. De linkerrijstrook is middels bebakening fysiek afgesloten. (9)

4.2 Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Schuld van de verdachte

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, nu verdachte niet heeft opgelet bij het naderen van de doorsteek en hij te hard heeft gereden gelet op de situatie ter plaatse.

Namens verdachte is ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, aangezien geen sprake is geweest van gedragingen die vallen onder artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Niet gezegd kan worden dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten nu er geen sprake zou zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend rijden.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, tengevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] is overleden.

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip 'schuld' in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in, dat voor strafbaarheid minimaal sprake dient te zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Handelen dat als ‘onvoorzichtig’ kan worden gekenmerkt, is dus onvoldoende om tot een bewezenverklaring van 'schuld' te kunnen komen.

In de voorliggende zaak dient derhalve te worden beoordeeld of - tenminste - kan worden bewezen dat verdachte 'aanmerkelijk onvoorzichtig' heeft gehandeld. Het komt daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW (HR 1 juni 2004, LJN AO5822 en HR 27 mei 2008, LJN BC7860).

Vast staat dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden. Uit technisch onderzoek is immers gebleken dat verdachte bij aanvang van het remspoor tussen de 64-66 km/u heeft gereden, hetgeen naar het oordeel van de raadsman tussen de 62-66 km/u dient te zijn. Verdachte heeft erkend dat hij mogelijk ongeveer 65 km/u heeft gereden.

De rechtbank gaat er van uit dat verdachte ongeveer 65 km/u heeft gereden.

De rechtbank is van oordeel dat deze verkeersovertreding van verdachte ernstig is te noemen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat door te hard rijden er een langere remweg ontstaat en een bestuurder minder goed kan anticiperen op onverwachte verkeerssituaties.

Te snel rijden vormt in beginsel dan ook al snel schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank dient echter bij het bepalen van de schuld van de verdachte rekening te houden met alle omstandigheden van het geval waaronder de verkeersovertreding is begaan. Deze omstandigheden zijn hiervoor onder 4.1 weergegeven.

In het bijzonder overweegt de rechtbank hieromtrent als volgt.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir aangegeven dat verdachte met een veel te hoge snelheid de kruising is genaderd. Uit een proces-verbaal van bevindingen volgt dat een verbalisant, die bekend is met de situatie ter plaatse, een snelheid van 40 km/u passend acht. Nu de ter plaatse geldende maximum snelheid 50 km/u en deze na wijziging van de situatie ter plaatse nog steeds geldt, zal de rechtbank deze maximum snelheid bij de weging van feiten en omstandigheden als uitgangspunt nemen.

Ook het feit dat de verdachte volgens het proces-verbaal van verkeersongevalanalyse theoretisch bij maximale remming op tijd had kunnen stoppen indien hij zich aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid had gehouden, is op zich zelf niet voldoende om schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan te nemen.

De rechtbank acht van belang dat er een veelheid van omstandigheden was waar de verdachte geen invloed op heeft kunnen uitoefenen en die in grote mate van invloed zijn geweest op het ontstaan en plaatsvinden van het ongeval, in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden.

Het kruisingsvlak van de doorsteek was niet voorzien van belijning die de zichtbaarheid van een oversteekvak, en daarmee van de verkeerssituatie, aanmerkelijk zou hebben verbeterd. Inmiddels is de situatie gewijzigd en zal een ongeluk als het onderhavige zich niet meer kunnen voordoen.

Daarnaast stonden de automobilisten op de rechterrijbaan aaneengesloten in een file, tot een automobilist op de rechterrijbaan het slachtoffer voor heeft laten gaan, kennelijk zonder zich bewust te zijn van de aankomende auto van verdachte. Het slachtoffer was zich op dat moment kennelijk evenmin bewust van de auto van verdachte. Zij heeft hem in ieder geval geen voorrang verleend.

Indien één van deze omstandigheden niet of op een ander tijdstip zou hebben plaatsgevonden, zou het ongeval naar alle waarschijnlijkheid niet hebben plaatsgehad.

Weliswaar dient een automobilist rekening te houden met (verkeers-) fouten van andere verkeersdeelnemers, maar onder de geschetste omstandigheden gaat het naar het oordeel van de rechtbank te ver om het gedrag van verdachte uit de keten van gebeurtenissen te lichten.

Hoewel verdachte een ernstige verkeersfout heeft gemaakt, ligt naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven gedragingen van verdachte - hoe ernstig de gevolgen ook zijn gebleken - en mede bezien in het licht van de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, niet besloten dat er sprake is geweest van de voor bewezenverklaring van het primaire feit vereiste schuld.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden. De verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.3 ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Het subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 waarin wordt strafbaar gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij niet om de abstracte gevaarzetting / hinder, maar om de gevaarzetting/ hinder in de concrete omstandigheden. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarzettend gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.

De rechtbank is gelet op het hiervoor onder 4.1 overwogene van oordeel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Verdachte reed met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid ter plaatse over de zo goed als vrij zijnde linkerrijbaan van de Plesmanweg. Op de rechterrijbaan was sprake van filevorming. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bekend was met de situatie ter plaatse. Kort voor de doorsteek van de Plesmanweg worden verkeersdeelnemers middels een waarschuwingsbord conform model J24 van de Bijlage 1 van het RVV 1990 gewaarschuwd dat ook fietsers en bromfietsers van deze doorsteek gebruik maken. Verdachte heeft door met een snelheid van ongeveer 65 km/u langs de stilstaande file de oversteek op te rijden gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg gehinderd. Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt, doordat hij zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast, dat hij in staat was zijn bestelbus tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hierbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de linkerrijbaan niet meer vrij was vanaf het moment waarop het slachtoffer deze rijbaan opreed. Hierdoor heeft een ongeval plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer aan de gevolgen van haar verwondingen is komen te overlijden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

subsidiair

hij op 3 oktober 2008 binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Beverwijk als bestuurder van een voertuig (bestelbus), daarmee rijdende

op de meest linker rijstrook van de zuidelijke rijbaan van de Plesmanweg met een snelheid gelegen tussen de 64 km/uur en 66 km/uur,

terwijl daar in zijn rijrichting gekeerd, aan de rechterzijde van de hoofdrijbaan van de weg een bord J24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

de op de rechter rijstrook in file stilstaande/langzaam rijdende motorrijtuigen met bovengenoemde snelheid links inhalend, een in die weg gelegen oversteek/kruising vanaf de parallelweg van die Plesmanweg gelegen ter hoogte van het President Kennedyplein is genaderd,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een bestelbus schuldig gemaakt aan gevaarzetting in het verkeer. Verdachte is met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid een doorsteek genaderd. Verdachte heeft zijn snelheid niet geminderd, ondanks het feit dat hij langs een file reed en bekend was met situatie ter plaatse. Door een noodlottige samenloop van omstandigheden heeft mede door de verkeersfouten van de verdachte een ongeval plaatsgevonden tussen de bestelauto van de verdachte en de fiets van het slachtoffer. Bij dit ongeval is een 15-jarig meisje zwaar gewond geraakt en later aan haar verwondingen overleden.

De verdachte is, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 augustus 2009, niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen.

De verdachte heeft ter terechtzitting ten overstaan van de nabestaanden nogmaals zijn spijt en medeleven betuigd en aangegeven dat ook hij de rest van zijn leven met het gebeurde zal moeten leven. Tegenover de belangen van de verdachte staat het verdriet voor de nabestaanden door het overlijden van hun dierbare, dat zoals onder meer is gebleken uit de voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen amper in woorden valt uit te drukken. Strafoplegging, welke dan ook, zal het verlies van een dierbare naaste niet kunnen goedmaken.

Nu de eis van de officier van justitie gebaseerd is op een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, en de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, ziet zij aanleiding een straf op te leggen die afwijkt van de eis.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde hoogte in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van navermelde duur, een passende en geboden reactie vormt.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d;

Wegenverkeerswet 1994 artikelen 5, 175, 179.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van TACHTIG (80) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door VEERTIG (40) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf (12) maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M.A. van den Boogaard, voorzitter,

mrs. A.J. Medze en J. Snitker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Valk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2009.

Voetnoten:

1. De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2. Proces-verbaal van verkeersongevalanalyse door verbalisanten [verbalisanten] d.d. 7 december 2008.

3. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], dossierpagina 16-17.

4. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], dossierpagina 13-14 en het pro justitia proces-verbaal, dossierpagina 6-7.

5. Proces-verbaal van verkeersongevalanalyse door verbalisanten [verbalisanten] d.d. 7 december 2008.

6. Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 9 maart 2009.

7. Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 18-19.

8. Het verslag betreffende een niet natuurlijke dood en het schouwverslag, opgenomen als bijlage bij dossiernummer PL1274/08-546364.

9. Proces-verbaal van bevindingen door verbalisanten [verbalisanten] d.d. 18 maart 2009.