Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0381

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
15/700162-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3504, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vormverzuim. Bewijsuitsluiting.

Verbalisant heeft een opsporingsconfrontatie gehouden terwijl - gelet op het feit dat verdachte reeds was aangehouden en in voorlopige hechtenis zat - een bewijsconfrontatie gehouden had moeten worden. De gehouden (opsporings)fotoconfrontatie voldoet niet aan een aantal belangrijke voorschriften van het 'Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek'. De rechtbank is van oordeel dat sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gezien de ernst van het verzuim en het belang dat met bovenvermelde voorschriften inzake een bewijsconfrontatie beoogt te worden beschermd, komt als enige passende sanctie bewijsuitsluiting in aanmerking. Hetgeen zich overigens in het dossier bevindt, levert niet voldoende wettig en overtuigend bewijs op voor de vaststelling dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte wordt daarom vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 11

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/700162-09 en 15/660429-06 (tul)

Uitspraakdatum: 7 oktober 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 juni 2009 en 23 september 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 28 februari 2009 tot en met 1 maart 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (merk Mercedes en/of kenteken [kenteken]) recht en/of met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of (verder) gas gevend/accelerend op die [slachtoffer 1] is ingereden/ toegereden en/of deze [slachtoffer 1] op zeer dichte afstand is genaderd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 28 februari 2009 tot en met 1 maart 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (merk Mercedes en/of kenteken [kenteken]) recht en/of met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of (verder) gas gevend/accelerend op die [slachtoffer 1] is ingereden/toegereden en/of deze [slachtoffer 1] op zeer dichte afstand is genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 28 februari 2009 tot en met 1 maart 2009 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (merk Mercedes en/of kenteken [kenteken]) recht en/of met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of (verder) gas gevend/accelerend op die [slachtoffer 1] ingereden/toegereden en/of deze [slachtoffer 1] op zeer dichte afstand genaderd.

Feit 2:

Primair hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 28 februari 2009 tot en met 1 maart 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met gedoofde lichten en/of met enige snelheid op die [slachtoffer 2] (en/of de motorfiets waarop die [slachtoffer 2] zat) is ingereden/afgereden en/of

- (vervolgens) met zijn, verdachtes, personenauto tegen de motorfiets van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] is aangereden en/of zijn snelheid heeft vermeerderd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 28 februari 2009 tot en met 1 maart 2009 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend

- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met gedoofde lichten) en/of met enige snelheid op die [slachtoffer 2] (en/of de motorfiets waarop die [slachtoffer 2] zat) ingereden/ afgereden en/of

- (vervolgens) met zijn, verdachtes, personenauto tegen de motorfiets van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] aangereden en/of zijn, verdachtes, snelheid vermeerderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 juni 2009 gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten - twee pogingen tot zware mishandeling - en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden, waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- onder de bijzondere voorwaarden, dat verdachte zich gedurende een periode van vier (4) maanden onder elektronisch toezicht zal stellen, overeenkomstig de inhoud van het voorlichtingsrapport van de reclassering, dat de verdachte deel zal nemen aan de leefstijltraining bij de Brijder Verslavingszorg en dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften van Reclassering Nederland;

- en een werkstraf voor de duur van negentig (90) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door vijfenveertig (45) dagen hechtenis.

Ter terechtzitting van 23 september 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank voorts in overweging gegeven, verdachte tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van twaalf (12) maanden.

Met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven grijze Mercedes heeft de officier van justitie primair de onttrekking aan het verkeer gevorderd, nu dit voertuig wegens onjuiste invoer in Nederland niet op de weg mag verkeren, en subsidiair de verbeurdverklaring, nu de strafbare feiten met behulp van dit voertuig zijn begaan.

Met betrekking tot de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd dat beide vorderingen zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- en dat daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank last zal geven tot de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 4 januari 2008 aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een (1) maand gevangenisstraf.

4. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2, in alle varianten, ten laste is gelegd. Verdachte moet daar dan ook van worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Centraal in de door de officier van justitie aangedragen bewijsvoering staat de herkenning van de verdachte door het slachtoffer [slachtoffer 2] tijdens een zogenoemde fotoconfrontatie, gehouden op 19 maart 2009 (dossierpagina 92-94).

Blijkens het van deze confrontatie opgemaakte rapport van verbalisant [verbalisant] heeft deze aan de hand van het door het slachtoffer [slachtoffer 2] opgegeven signalement - binnen het databestand van de politie (HKS) - een selectie van 33 afbeeldingen gemaakt, die hij aan het slachtoffer heeft laten zien. Voorts houdt dit rapport - zakelijk weergegeven - in:

“Bij het tonen van de verdachtenbeelden op een kleurenscherm wees de getuige het beeld aan met het nummer pl12hl:09:134 (…) waarvan hij verklaarde: “Ja dat is hem!”

De foto met het nummer pl12hl:09:134 toont de afbeelding van:

[verdachte], [geboortedatum].”

Mede naar aanleiding van hetgeen de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2009 omtrent (kort samengevat) de bewijskracht van deze fotoherkenning heeft aangevoerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 26 juni 2009 het onderzoek heropend en bepaald dat verbalisant [verbalisant] voornoemd ter terechtzitting als getuige dient te worden gehoord. Dat verhoor heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 september 2009.

[Verbalisant] heeft tijdens dit verhoor bevestigd, zoals ook in de bijlage bij het rapport is vermeld (pagina 93), dat hij een fotoconfrontatie ter opsporing heeft verricht. Daarop geconfronteerd met het feit dat de onderhavige fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009, toen verdachte al als verdachte was aangemerkt, zelfs al was aangehouden en zich in voorlopige hechtenis in verband met de onderhavige zaak bevond, heeft [verbalisant] verklaard, dat hij van dit alles op de hoogte was. Desalniettemin heeft hij voor een opsporingsconfrontatie gekozen, aangezien hij te horen had gekregen dat er enige haast was gemoeid met de confrontatie. Desgevraagd heeft [verbalisant] verklaard, dat hij hier geen navraag naar heeft gedaan en dat hij zelfstandig tot een opsporingsconfrontatie heeft besloten.

Voorts heeft [verbalisant] tijdens het verhoor ter terechtzitting van 23 september 2009 verklaard dat een zogeheten bewijsconfrontatie met meer (zorgvuldigheids-)waarborgen is omkleed dan een opsporingsconfrontatie. Geconfronteerd met de inhoud van met name de artikelen 8 en 9 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb. 2002, 46) (hierna ook: het Besluit) - welk besluit hij overigens niet als zodanig kent - heeft [verbalisant] verklaard dat juist die (zorgvuldigheids-)voorschriften worden toegepast bij een bewijsconfrontatie, echter niet bij een opsporingsconfrontatie.

Met betrekking tot de onderhavige fotoconfrontatie met [slachtoffer 2] heeft [verbalisant] - die overigens wel een aangewezen politieambtenaar als bedoeld in artikel 6 van het Besluit is - verklaard:

- dat deze confrontatie door hem alleen is uitgevoerd;

- dat hij wist dat er zich een foto van de verdachte bij de door hem samengestelde selectie bevond;

- dat hij ten tijde van het uitvoeren van de confrontatie wist dat zich bij de 33 afbeeldingen die aan het slachtoffer zijn getoond, een foto van de verdachte bevond;

- dat hij afgezien van zijn rapport van 20 maart 2009 geen verslaglegging heeft gedaan van de voorbereiding en de uitvoering van de confrontatie en wat hij tijdens de uitvoering van de fotoconfrontatie bij het slachtoffer (verbaal en non-verbaal) heeft waargenomen;

- dat hij voorafgaande aan de fotoconfrontatie de getoonde set van 33 afbeeldingen niet aan twee zogenoemde testobservanten heeft laten zien, hetgeen bij een bewijsconfrontatie wel is voorgeschreven.

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige strafzaak ten onrechte een opsporingsconfrontatie heeft plaatsgevonden, nu verdachte op 19 maart 2009 - de datum van de gehouden fotoconfrontatie - reeds als verdachte was aangemerkt, al was aangehouden en zich zelfs in voorlopige hechtenis in verband met de onderhavige zaak bevond. De resultaten van de fotoconfrontatie vormen een essentieel onderdeel van de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie. Dientengevolge had er, gelet op voormelde omstandigheden, voor een bewijsconfrontatie moeten worden gekozen in plaats van voor een opsporingsconfrontatie. Hetgeen de getuige [verbalisant] heeft verklaard over mogelijke tijdsdruk doet daaraan - wat daar verder ook van zij - niet af. De bewijsconfrontatie is immers met meer waarborgen omkleed dan een opsporingsconfrontatie. Die waarborgen zijn er in het belang van de verdachte en een goede verdediging. Voor een aantal waarborgen geldt dat zij nader zijn uitgewerkt in de artikelen 6 tot en met 10 van het Besluit, waarin voorschriften zijn opgenomen waaraan een (bewijs)confrontatie dient te voldoen. De rechtbank is nadrukkelijk van oordeel dat tegengegaan moet worden, dat deze voorschriften als het ware worden omzeild door in situaties waarin het houden van een bewijsconfrontatie zonder meer voor de hand ligt dan wel geboden is - zoals in deze zaak - een opsporingsconfrontatie in plaats van een bewijsconfrontatie wordt gehouden. De rechtbank zal de in casu gehouden opsporingsconfrontatie dan ook beoordelen als ware deze een bewijsconfrontatie.

De rechtbank stelt vast dat de met het slachtoffer [slachtoffer 2] op 19 maart 2009 gehouden fotoconfrontatie niet voldoet aan een aantal belangrijke voorschriften die het Besluit aan een bewijsconfrontatie stelt. Dit geldt met name voor het bepaalde in de artikelen 8 en 9, die als volgt luiden:

“Artikel 8

1. De leider van de confrontatie beschrijft de voorbereiding, gevolgde werkwijze en de procedure. De beschrijving wordt vastgelegd in een proces-verbaal of een rapport en gevoegd bij het in het derde lid bedoelde proces-verbaal.

2. Het feitelijk tonen van de te observeren selectie geschiedt door een opsporingsambtenaar die niet weet wie van de getoonde personen de verdachte is.

3. De in het tweede lid bedoelde opsporingsambtenaar maakt een proces-verbaal op waarin in elk geval melding wordt gemaakt van:

a. de tijdsduur tot het moment van wel of niet herkenning;

b. de verbale en non-verbale reacties van de getuige;

c. de woordelijke verklaring van de getuige omtrent het wel of niet herkennen van een persoon als betrokkene bij het strafbare feit;

d. het antwoord van de getuige op de vraag of hij iemand uit de getoonde selectie heeft herkend vanuit een andere situatie.

Artikel 9

De officier van justitie en de raadsman van de verdachte worden zo mogelijk in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, zonder dat de confrontatie daardoor mag worden opgehouden. De gemaakte opmerkingen worden opgenomen in het in artikel 8, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of rapport.”

Voorts is ter terechtzitting gebleken dat de getoonde fotoset van 33 afbeeldingen in strijd met de - in het kader van het Besluit opgestelde en/of geldende - richtlijnen niet aan testobservanten is getoond.

Deze gebreken die aan de confrontatie kleven, worden naar het oordeel van de rechtbank, anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2005 (LJN AU2027), niet geheeld dan wel gecompenseerd door de inhoud van het reeds meergenoemde rapport van [verbalisant] van 20 maart 2009 en hetgeen overigens omtrent de fotoconfrontatie uit het dossier en het onderzoek ter terechtzittingen is gebleken. Met name het rapport van verbalisant [verbalisant] dient in dat opzicht als zeer summier te worden betiteld. Aan het criterium van de toetsbaarheid van een gehouden confrontatie is dan ook niet, althans onvoldoende, voldaan.

Derhalve is, ook in materiële zin, sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van het verzuim en het belang dat met bovenvermelde voorschriften inzake een bewijsconfrontatie beoogt te worden beschermd, als enige passende sanctie bewijsuitsluiting in aanmerking komt.

Hetgeen zich overigens in het dossier bevindt, levert naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende wettig en overtuigend bewijs op voor de vaststelling dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In deze strafzaak is van de in voormelde uitspraak van de Hoge Raad genoemde samenhang met mogelijk andere bewijsmiddelen dan ook geen sprake.

Dat verdachte tijdens zijn politieverhoren en ook tijdens het onderzoek ter terechtzittingen slechts zeer summier heeft verklaard over hetgeen hij in de avond/nacht van 28 februari 2009 op 1 maart 2009 heeft gedaan, en dat hetgeen verdachte heeft verklaard over het, naar zijn zeggen, stallen van zijn Mercedes in een loods in IJmuiden de rechtbank ongeloofwaardig voorkomt, maakt dit niet anders. Die omstandigheden kunnen immers slechts een rol spelen, indien er een redengevend begin van bewijs is, hetgeen in deze zaak niet het geval is.

5. Beslag

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggeven grijze Mercedes - waarmee op de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingereden - dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2009 (dossierpagina 105-106) kan het niet anders dan dat dit voertuig - dat bij de Rijksdienst voor het wegverkeer niet bekend is en waarvan het chassisnummer op 16 oktober 2008 in Duitsland buiten gebruik is gesteld - niet volgens de daarvoor geldende voorschriften Nederland is ingevoerd, zodat er met dit voertuig in Nederland niet op de openbare weg mag worden gereden.

Op grond van het bovenstaande en gezien het bepaalde in de artikelen 36b, eerste lid, aanhef en onder 3°, en 36c van het Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank genoemd voertuig onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

6. Vorderingen van de benadeelde partijen

6.1. Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte wordt vrijgesproken van dit feit, de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

6.2. Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte wordt vrijgesproken van dit feit, de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 4 januari 2008 in de zaak met parketnummer 15/660429-06 heeft de politierechter te Haarlem de verdachte ter zake van, kort gezegd, overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie alsmede een gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een (1) maand. Ten aanzien van die straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat deze voorwaardelijke straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzittingen bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering behoort te worden afgewezen, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Onttrekt aan het verkeer:

1 1.00 STK Personenauto [kenteken]

MERCEDES-BENZ 500 sel Kl:grijs.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 15/660429-06 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mrs. Ph. Burgers en R. van der Heijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. de Jong,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2009.