Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0365

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
15-740337-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de hals gestoken ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Betoogd is dat verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer had. De rechtbank overweegt dat - gezien de wijze waarop de steek is uitgevoerd en de plaats waar de steek is gedaan - dit zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat het slachtoffer als gevolg van die steek zal komen te overlijden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte kan het voorts niet anders zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans - op het moment van steken - willens en wetens heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Beroep op noodweer wordt door de rechtbank verworpen. Weliswaar is voldoende aannemelijk geworden, dat verdachte zich ten tijde van zijn handelen bevond in een situatie waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar verdachte had naar het oordeel van de rechtbank voor een minder zwaar verdedigingsmiddel moeten kiezen. Beroep op noodweer-exces wordt eveneens verworpen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden, dat het (disproportionele) handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding (van verdachte, door het slachtoffer) is veroorzaakt. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 272

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740337-09

Uitspraakdatum: 1 oktober 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 april 2009 te Haarlem opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in zijn lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden afgewezen, althans dat deze benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, aangezien de gevorderde schade reeds is vergoed door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het navolgende.

Melding

Dinsdagnacht 14 april 2009 omstreeks 4.00 uur wordt bij de politie Kennemerland, district Haarlem, de melding gedaan dat iemand gewond is geraakt bij een steekpartij op de Phoenixstraat te Haarlem.

Aantreffen en overlijden van slachtoffer

Omstreeks 4.05 uur wordt door een ter plaatse gegane politie-eenheid een gewonde man (hierna: het slachtoffer) aangetroffen op de Phoenixstraat. De kleding van het slachtoffer is doordrenkt van bloed en er wordt gezien dat het slachtoffer een wond heeft aan de linkerzijde van zijn hals, ter hoogte van het sleutelbeen, uit welke wond bloed spuit. Het slachtoffer wordt door een ambulance afgevoerd naar het VU ziekenhuis te Amsterdam, alwaar hij om 5.19 uur die nacht overlijdt. Op 15 april 2009 wordt bij sectie op het lichaam van het slachtoffer geconcludeerd dat het intreden van de dood wordt verklaard door bloedverlies en weefselschade, als gevolg van steekletsel in de borst met onder meer aansnijden van de ondersleutelbeenslagader. Het sectierapport houdt, naast voornoemde conclusie, onder meer in:

“Bij sectie werd een steekkanaal vastgesteld beginnend in de huid, juist boven het linker sleutelbeen, schuin voet- en middenwaarts verlopend tot in de bovenkwab van de linker long. Hierbij was o.m. de linker ondersleutelbeenslagader (…) aangesneden hetgeen leidde tot veel uit- en inwendig bloedverlies. Organen waren bleek en ook waren er geringe lijkvlekken zoals gezien wordt na veel bloedverlies.

Dit massale bloedverlies als gevolg van het steekletsel verklaart het intreden van de dood door weefselschade. Het steekkanaal had een lengte van circa 10 cm en was opgeleverd door een lang, smal, stevig, puntig en mogelijk scherprandig voorwerp zoals bijvoorbeeld een mes.”

Identiteit slachtoffer

Het slachtoffer was in het bezit van een Postbankpasje op naam van [slachtoffer]. Blijkens informatie van de Postbank was het bijbehorende rekeningnummer afgegeven aan een persoon genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum].

De moeder en de zus van deze [slachtoffer] herkennen het hun getoonde (lichaam van het) slachtoffer inderdaad als (dat van) respectievelijk haar zoon en haar broer.

Verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de bewuste nacht in de nabijheid van de Phoenixstraat te Haarlem een bovenhandse, zwaaiende beweging naar het slachtoffer heeft gemaakt, terwijl hij - verdachte - een opengeklapt zakmes in zijn hand had en dichtbij het slachtoffer stond. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij het zakmes daarna uit het lichaam van het slachtoffer heeft getrokken, ongeveer ter hoogte van diens linkerschouder. Kort daarna is hij door de politie aangehouden en is het zakmes onder hem in beslag genomen.

Er zijn monsters genomen van het bloed op het - ongeveer 8 centimeter lange - lemmet van het bij verdachte aangetroffen mes, van het bloed op de rechterhand van verdachte en van het bloed op de kruising Parklaan/Phoenixstraat te Haarlem. In deze monsters is telkens een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.

Conclusie

Uit het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 14 april 2009 te Haarlem door middel van een messteek een dodelijke verwonding heeft toegebracht aan [slachtoffer], ten gevolge waarvan deze [slachtoffer] diezelfde dag is komen te overlijden.

Opzet

De rechtbank deelt niet het door de raadsman van verdachte ter terechtzitting ingenomen standpunt dat verdachte niet het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad en dat verdachte derhalve van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. In dat verband overweegt zij als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij een bovenhandse, zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer, terwijl hij - verdachte - een opengeklapt zakmes in zijn hand had en dichtbij het slachtoffer stond. Vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer ter hoogte van de halsstreek heeft gestoken.

Een dergelijke steek levert naar het oordeel van de rechtbank, gezien de wijze waarop de steek is uitgevoerd en de plaats waar de steek is gedaan, zonder meer de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer als gevolg van die steek zal komen te overlijden. Algemeen bekend is immers dat zich in de buurt van de halsstreek vitale lichaamsaderen bevinden en dat de halsstreek om die reden als bijzonder kwetsbaar moet worden gezien.

De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans - op het moment van steken - willens en wetens heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. In dat verband wil de rechtbank niet onvermeld laten dat het steekkanaal in het lichaam van het slachtoffer een lengte had van circa 10 centimeter, terwijl het lemmet van het mes waarmee verdachte heeft gestoken, ongeveer 8 centimeter is. Verdachte moet derhalve met kracht hebben gestoken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat, minstgenomen, bij verdachte het voorwaardelijk opzet aanwezig is geweest, het slachtoffer van het leven te beroven.

4.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 14 april 2009 te Haarlem opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in zijn lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

5.1 Bespreking van het terzake gevoerde verweer

Hoewel het geheugen van verdachte hem ten aanzien van het ten laste gelegde feit op vele punten in de steek laat en hij daardoor naar eigen zeggen niet weet wat in de vroege ochtend van 14 april 2009 precies is voorgevallen, heeft verdachte tijdens zijn verhoren en ter terechtzitting steeds verklaard dat hij wel uit zelfverdediging moet hebben gestoken, omdat hem geen andere weg heeft opengestaan zich te verdedigen tegen het provocerende, dreigende en ook gewelddadige gedrag van het slachtoffer.

Hierop aansluitend heeft de raadsman van verdachte betoogd dat sprake was van noodweer en dat daarom een ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen wegens de niet-strafbaarheid van het feit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte en het slachtoffer waren in de avond en nacht van 13 op 14 april 2009 aanwezig op een feest in het perceel Phoenixstraat 13 te Haarlem. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een zogenoemde emotionele herinnering heeft aan spanningen die tijdens het feest hoog zijn opgelopen en dat hij zich aan het einde van het feest door het slachtoffer zwaar bedreigd en geïntimideerd heeft gevoeld.

Uit de in het dossier bijeengebrachte onderzoeksresultaten is genoegzaam gebleken dat het latere slachtoffer, [slachtoffer], gedurende het feest bezig was mensen te provoceren en dat hij zich, toen verdachte als enige inging op die provocaties, enkel op verdachte is gaan richten. Volgens getuige [getuige 1] ging het slachtoffer, ook buiten nadat het feest afgelopen was, door met het provoceren van verdachte. Volgens [getuige 2] – als getuige gehoord bij de rechter-commissaris – is het buiten gekomen tot een mishandeling van verdachte. Zij heeft verklaard dat toen zij samen met verdachte het pand verliet, het slachtoffer “over haar heen stoof” naar verdachte en hem tot drie maal toe hard begon te slaan op hoofd en lichaam en hem alle keren naar de grond werkte. Getuige [getuige 3] heeft gezien dat het slachtoffer een slaande beweging maakte. [Getuige 3] heeft vervolgens waargenomen dat - nadat verdachte zich verwijderde en richting de Parklaan liep - het slachtoffer achter verdachte aan liep en doorging met provoceren.

Wat zich vervolgens precies op de hoek van de Phoenixstraat en de Parklaan heeft afgespeeld tussen verdachte en het slachtoffer is gedurende het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting niet duidelijk geworden, aangezien verdachte hieraan geen scherpe herinnering zegt te hebben. Wel zegt verdachte zeker te weten dat hij op die bewuste plek wederom werd aangevallen door het slachtoffer waarbij hij meerdere harde klappen of trappen heeft gekregen, waardoor hij vervolgens op de grond terecht kwam. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, toen hij door zijn knieën zakte en op de grond terecht kwam, zijn zakmes uit zijn broekzak heeft gehaald, is opgestaan, het zakmes heeft opengeklapt en nadat hij nog een klap op zijn oog had gekregen, een bovenhandse zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer.

Door forensisch rechercheurs is waargenomen, dat verdachte een bloedende verwonding en een verkleuring had aan zijn linker oogkas, verwondingen aan zijn linker en rechter scheenbeen alsmede rode verkleuringen op de onderrug en bij de onderzijde van het linker schouderblad. De rechtbank gaat er van uit dat dit letsel is veroorzaakt door het slachtoffer.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden, dat verdachte zich ten tijde van zijn handelen bevond in een situatie waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de voortdurende provocaties door het slachtoffer, het geweld dat door het slachtoffer op verdachte moet zijn uitgeoefend en het feit dat het slachtoffer kort voor het steekincident opnieuw achter verdachte is aangelopen nadat een eerdere, door het slachtoffer geïnitieerde confrontatie was beëindigd.

Voor een slagend beroep op noodweer is echter vereist dat het handelen van verdachte was geboden door de noodzakelijke (zelf)verdediging, in welke omschrijving besloten ligt dat het handelen dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan voldoet het handelen van verdachte niet. Het volgende is daartoe redengevend.

Het pakken van een mes en het daarmee vervolgens met kracht steken in de richting van de hals van het ongewapende slachtoffer staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding tot de wijze waarop verdachte door het slachtoffer werd aangevallen. Verdachte had voor een minder zwaar verdedigingsmiddel moeten kiezen (zoals bijvoorbeeld zijn vuisten) dan wel anders met het getrokken mes moeten handelen dan daarmee steken ter hoogte van de halsstreek.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

5.2 Kwalificatie

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Doodslag.

6. Strafbaarheid van verdachte

6.1 Bespreking van het terzake gevoerde verweer

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting bepleit dat in het geval de rechtbank het beroep op noodweer zou verwerpen, in ieder geval sprake is geweest van noodweer-exces, hetgeen eveneens zou moeten leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging, maar dan wegens de niet strafbaarheid van de dader.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt hiertoe dat uit hetgeen verdachte heeft verklaard en hetgeen overigens tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, onvoldoende aannemelijk is geworden, dat het (disproportionele) handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding (van verdachte, door het slachtoffer) is veroorzaakt. De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan enkele uitlatingen die verdachte ongeveer een half uur na het steekincident in het cellencomplex van het politiebureau heeft gedaan, namelijk onder meer: “Het was ook een foute actie. Het was uit wanhoop. Ik laat nou eenmaal niet over mij heen lopen. Principe! Hoe gaat dit nou mijn leven beïnvloeden? Ik zal hier wel wat van leren” (dossierpagina 128). Hierbij merkt de rechtbank op dat de woorden “Het was uit wanhoop” niet los kunnen worden gezien van de andere woorden. De gedane uitlatingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wijzen niet in de richting van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, zoals hiervoor bedoeld.

Voor zover verdachte ter terechtzitting heeft willen betogen dat hij ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, wijst de rechtbank op het vanwege het Nederlands Instituut voor Forensische Psychologie en Psychiatrie door H.E.W. Koornstra, psycholoog, uitgebrachte rapport van 15 augustus 2009. Nu dit rapport geen enkel aanknopingspunt bevat dat in de richting van ontoerekenbaarheid van verdachte wijst, dient dit beroep te worden verworpen.

6.2 Oordeel over de strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en (voor wat betreft de persoon van verdachte) uit de bespreking aldaar van

- voornoemd psychologisch rapport en

- het vanwege Reclassering Nederland door T. Rijbroek uitgebrachte rapport van 2 september 2009.

Bij de bepaling van de soort straf die aan verdachte moet worden opgelegd, stelt de rechtbank voorop dat verdachte op 14 april 2009 aan een nog relatief jonge man diens grootste bezit, namelijk het leven, heeft ontnomen door het slachtoffer met een mes met kracht in de halsstreek te steken ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. De rechtsorde is ernstig geschokt door het handelen van verdachte, maar bovenal heeft verdachte daarmee groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Op grond van de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur opgelegd dient te worden.

Bij de bepaling van die strafduur houdt de rechtbank rekening met het feit dat, hoewel verdachte zich zoals hiervoor uiteengezet op disproportionele en daardoor verwijtbare wijze heeft verdedigd, er als gevolg van het provocerende, dreigende en ook gewelddadige gedrag van het slachtoffer wel degelijk sprake is geweest van een situatie waarin verdachte werd aangevallen.

Gelet op het bestaan van die situatie, die door de officier van justitie niet als zodanig is aangenomen, is de rechtbank van oordeel dat moet worden afgeweken van de straffen die voor een ernstig feit als het onderhavige in het algemeen plegen te worden opgelegd.

Daarnaast komt uit bovengenoemd psychologisch rapport naar voren dat verdachte - die niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen - ten gevolge van het gebeuren op 14 april 2009 lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en dat hij tot op de dag van vandaag kampt met een moeilijk te hanteren schuldgevoel.

De straf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen valt - gelet op voornoemde omstandigheden van deze concrete zaak - lager uit dan de door de officier van justitie gevorderde, waarbij de rechtbank opmerkt dat ook de officier van justitie bij het formuleren van zijn eis al rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Voor een verdere matiging van de op te leggen straf bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond. De ernst van het feit en het verwijt dat verdachte daarvan kan worden gemaakt, zijn daarvoor te groot.

8. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.607,42 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade betreft hoofdzakelijk de kosten van lijkbezorging en, aanvullend, enkele telefoon-, porto- en reiskosten.

Ter terechtzitting is gebleken dat de zogeheten Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven bij beslissingen van 30 juni 2009 en 9 september 2009 aan de benadeelde partij uitkeringen heeft toegekend van € 263,00 en € 5.568,00, in totaal € 5.831,00. Door de advocaat van de benadeelde partij is medegedeeld dat deze uitkeringen zien op dezelfde schadeposten die thans in de onderhavige strafprocedure worden opgevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat bij die stand van zaken niet kan worden gezegd dat de benadeelde partij thans nog schade heeft als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. Dit brengt met zich dat de benadeelde partij niet (meer) in haar vordering kan worden ontvangen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het volgende wetsartikel is van toepassing:

artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk in haar vordering.

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P. de Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2009.