Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ9013

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
129369-06-3581
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdeling beperkte gemeenschap + verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding/verdeling

zaak-/rekestnr.: 129369/06-3581

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 22 september 2009

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. van ‘t Hoogerhuijs, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.G. Moeijes, kantoorhoudende te Velsen.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2007 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikkingen van 26 juni 2007, 9 oktober 2007 en 11 december 2007 en de daarin vermelde stukken;

- het proces-verbaal van de zitting van 18 februari 2008;

- de beschikking van deze rechtbank van 3 juni 2008 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikkingen van deze rechtbank van 3 juli 2008, 31 juli 2008, 23 oktober 2008, 4 november 2008, 19 februari 2009 en 19 maart 2009 en de daarin vermelde stukken;

- de brief van de advocaat van de man van 21 april 2009;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 3 juni 2009;

- de brief van de advocaat van de man van 24 juni 2009;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 6 juli 2009;

- de brief van de advocaat van de man van 8 juli 2009.

1.2 De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van

4 juni 2009 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Van ‘t Hoogerhuijs en de vrouw door mr. Moeijes.

2 Verdere beoordeling

2.1 Bij beschikking van 27 februari 2007 is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, is aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegewezen, heeft de rechtbank een tijdelijke door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.000 vastgesteld en de verzoeken met betrekking tot de definitieve vaststelling van de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

Bij beschikking van 3 juni 2008 van deze rechtbank heeft de rechtbank de definitieve partneralimentatie vastgesteld. Thans ligt nog ter beslissing voor de verdeling van een beperkte gemeenschap en verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden van partijen.

2.2 De rechtbank stelt voorop dat blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden tussen de echtgenoten elke gemeenschap van goederen, ook die van winst en verlies en van vruchten en inkomsten uitdrukkelijk is uitgesloten. Dit laat onverlet dat tussen partijen tijdens hun huwelijk een gemeenschap in de zin van Boek 3 titel 7 afdeling 1 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW bestond, althans heeft bestaan, dan wel zodanig gemeenschappelijke goederen aanwezig waren. Voorts hebben partijen in hun huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding opgenomen, en is tussen hen in confesso dat zij hieraan tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven. Dit laatste brengt met zich dat de verplichting tot verrekening van de niet verrekende inkomsten en/of het niet verrekend vermogen in stand blijft, waarbij er - behoudens tegenbewijs - in beginsel vanuit moet worden gegaan dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

2.3 Om te bepalen wat het te verrekenen vermogen is aan het einde van het huwelijk zal ten eerste bepaald moeten worden wat partijen aan vermogen bezaten aan het begin van het huwelijk. De verrekenverplichting ziet immers uitsluitend op (vermeerdering van de waarde van) vermogensbestanddelen die gedurende het huwelijk zijn verworven. Ten aanzien van de echtelijke woning is de rechtbank van oordeel dat deze niet in de verrekening dient te worden betrokken. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten, die, of op vermogen dat, de echtgenoten tijdens het bestaan van deze verplichting hebben verkregen. Dit betekent dat de verrekenplicht in beginsel geen betrekking heeft op door partijen bij het huwelijk aangebrachte vermogensbestanddelen. Aangezien de woning voor huwelijkssluiting is gekocht en geleverd en niet is gesteld of gebleken dat daarin tijdens het huwelijk onverteerde inkomsten zijn belegd, blijft deze buiten de verrekening.

De man heeft aangegeven dat hij aan het begin van het huwelijk ongeveer fl. 14.000 à

fl. 15.000 aan vermogen had. De rechtbank zal bij haar berekening derhalve uitgaan van een begin vermogen van de man in euro’s van € 6.590.

De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij aan het begin van het huwelijk fl. 250.000 bezat. Dit is omgerekend in euro’s ongeveer € 113.445.

2.4 De verrekenperiode eindigt op 1 januari 2006. Aan de zijde van de man is op die datum de volgende vermogensopstelling te maken:

- een garage met een waarde van € 20.000;

- een jeep met een waarde van € 12.500;

- een golfclublidmaatschap met een waarde van € 5.500;

- een Belgische bankrekening met een saldo van € 8.000;

- bankrekeningen in Nederland met een waarde van nihil;

- verzekeringen/pensioen met een waarde van nihil;

- de inboedel met waarde van nihil.

Aan de zijde van de vrouw is op de peildatum de volgende vermogensopstelling te maken:

- een volkswagen met een waarde van € 12.500;

- bankrekeningen in Nederland met een waarde van nihil;

- verzekeringen en pensioenen met een waarde van nihil;

- de inboedel met een waarde van nihil.

Strandhuisje

Tussen partijen is in geschil of het strandhuisje eigendom is van de man of van partijen gezamenlijk. De man is in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt nader te onderbouwen.

De man heeft bij brief van 24 juni 2009 aangegeven dat het niet zeker is of de ABN AMRO de rekeningafschriften van 1995 kan verstrekken, waarmee hij zou kunnen aantonen dat hij de koopprijs van het huisje heeft betaald. De man heeft voorts gesteld dat hij aan de broer van de vrouw het geld heeft overgemaakt. De broer van de vrouw zou de betaling daarom ook kunnen aantonen. De man kan echter, gelet op de verhoudingen tussen partijen, de broer van de vrouw niet vragen om een afschrift te verstrekken, aldus de man. Wel acht de man van belang dat hij al vanaf 1984 pachter was van een strandhuis op dezelfde plek.

De vrouw heeft in reactie hierop gesteld dat de man niet heeft bewezen dat de eigendom van het huisje bij hem rust. Dat de man pacht betaalde doet hieraan niets af, aldus de vrouw. Bovendien is de correspondentie ten aanzien van de pacht aan de Familie Deen, aldus de vrouw.

Blijkens voornoemde nadere correspondentie moet onderscheid worden gemaakt tussen de eigendom van het strandhuisje en de pacht van de plek waar dit huisje op staat. De man stelt dat het strandhuisje zijn eigendom is. De rechtbank is van oordeel dat de man er niet in is geslaagd deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw voldoende te onderbouwen, zodat uitgegaan moet worden van gemeenschappelijke eigendom. De rechtbank zal daarom bij beide (eind)vermogensopstelling de helft van de waarde van het strandhuis meenemen. De waarde zal gelet op de stellingen van partijen daaromtrent worden gesteld op € 30.000.

Onderneming [naam]

De man stelt zich op het volgende standpunt. De waarde bedraagt per 1 januari 2006

€ 461.530. De totale belastingclaim van 25% van de winstreserves bedraagt € 443.379 x 25% = € 110.845. De rekeningcourant-schuld aan de onderneming bedraagt € 297.247. Dit betekent aldus de man dat het totaal te verrekenen bedrag (461.530 -/- 110.845 -/- 297.246 =) € 53.438 bedraagt.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan moet worden van een belastingclaim van 15% zoals dat in 2008 gold. Voorts heeft de vrouw gesteld dat de rekeningcourant-schuld in 2003 en 2004 aanzienlijk is gestegen en dat onduidelijk is hoe deze schuld is ontstaan. Indien rekening wordt gehouden met de berekening van de man, zou de vrouw bijdragen aan het fiscaal afwikkelen van deze schuld, hetgeen volgens de vrouw niet redelijk zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank volgt de man in zijn door zijn accountant gemaakte berekening. Aan de zijde van de man zal dan ook rekening worden gehouden met een bedrag van € 53.438 met betrekking tot de onderneming [naam]

Het bovenstaande overziende heeft de man op de waardepeildatum een vermogenstijging van (€ 20.000 + € 12.500 + € 5.500 + € 8.000 + € 53.438 + € 15.000 (eindvermogen van € 114.438) minus -/- € 6.590 (beginvermogen) is € 107.848

.

De vrouw heeft op de waardepeildatum een vermogen van (€ 12.500 + € 15.000) = € 27.500, terwijl haar beginvermogen € 113.445 bedroeg. Het vermogen van de vrouw is derhalve afgenomen,waardoor er geen verrekening hoeft plaats te vinden.

De man dient derhalve aan de vrouw uit hoofde van de verrekening te betalen de helft van

€ 107.848 te weten € 53.924.

Beperkte gemeenschap

2.5 De beperkte gemeenschap van partijen bestaat uit de echtelijke woning en het strandhuis.

2.6 Zoals ter zitting van 18 februari 2008 is besproken zal de verdeling ten aanzien van de echtelijke woning als volgt plaatsvinden. De woning zal aan de vrouw worden toegescheiden onder de voorwaarde dat zij dit kan financieren.

De verrekening wegens overbedeling zal plaatsvinden over € 485.000 -/- € 120.000 =

€ 365.000. De vrouw dient de man wegens overbedeling daarvan de helft ad € 182.500 te betalen. De man dient de hypothecaire schulden waarvoor hij aansprakelijk is te voldoen, dat wil zeggen de eerste hypotheek van € 45.000 + de helft van de tweede hypotheek ad

€ 120.000 (= € 60.000) = € 105.000.

De vrouw blijft aansprakelijk voor de helft van de tweede hypotheek van € 60.000.

2.7 De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat het strandhuis aan partijen in gezamenlijke eigendom toekomt. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wil dat het strandhuis aan haar wordt toegescheiden. Weliswaar heeft zij eerder ingestemd met toescheiding aan de man, maar dit was met de gedachte dat de kinderen er dan nog gebruik van konden maken, aldus de vrouw. De vrouw stelt dat de man er nu regelmatig verblijft met zijn vriendin. Daarbij geeft zij aan dat haar familie de omliggende strandhuizen bezit, hetgeen ook mee moet wegen in de beslissing om het strandhuis aan haar toe te scheiden.

De man heeft aangegeven dat de pachtovereenkomst terzake de plek waar het huisje op staat op zijn naam staat en dat hij deze plek ook al voor het huwelijk pachtte. De plek is van doorslaggevend belang en komt aan de man toe. Toescheiding van het huisje doet daar niet aan af. Hij gaat binnen korte termijn met pensioen en wil dan gebruik maken van het strandhuisje. De man heeft thans geen woonruimte.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen de man heeft aangedragen, waaronder de pachtovereenkomst op zijn naam en zijn naderende pensioen alsmede het gegeven dat partijen op de eerdere zitting waren overeengekomen het huisje aan de man toe te scheiden, het strandhuis aan de man moet worden toegescheiden. De man zal aan de vrouw

€ 15.000 dienen te betalen.

Verrekenposten

2.8 De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw aan hem een bedrag van € 15.000 dient te vergoeden in verband met de studiekosten van de oudste zoon [naam]. Tussen partijen was immers de afspraak dat de garage zou worden verkocht om zo de studiekosten van de zoon te voldoen, maar deze afspraak is nooit geëffectueerd, aldus de man.

De vrouw betwist het standpunt van de man. Zij geeft aan dat [naam zoon] inmiddels van studie is veranderd en eigen inkomsten heeft. Ter zitting heeft zij aangegeven de kosten van studieboeken en schoolgeld te willen delen.

De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw de helft van deze kosten voldoet. De overige kosten die door de man zijn aangevoerd kunnen worden geacht door de zoon, mede gelet op zijn leeftijd en het feit dat hij eigen inkomen kan verwerven, te worden gedragen.

Dit betekent dat de vrouw aan de man de helft van (€ 7.100 + € 1.000) = € 4.050 dient te betalen.

2.9 In het proces-verbaal van de zitting van 18 februari 2008 is opgenomen dat voorzover de heffingskortingen over 2003 tot en met 2005 op de salaris rekening van de man zijn gestort, de man deze zal terugbetalen aan de vrouw.

Vaststaat dat de heffingskorting voor 2005 op de rekening van de man is terechtgekomen. De man dient derhalve een bedrag van € 2.030 aan de vrouw te vergoeden.

Ten aanzien van de heffingskortingen van 2003 en 2004 stelt de man dat deze niet zijn terug te vinden op zijn rekeningafschriften. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het bedrag van 2005 wel is gestort op deze rekening en de eerdere bedragen niet. De man zal daarom de belastingrestituties over 2003 en 2004 aan de vrouw dienen te vergoeden.

2.10 De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 4, eerste lid, huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding naar rato van ieders arbeidsinkomen dienen te worden gedragen. De vrouw is van mening dat, nu zij een deel van haar nalatenschap voor een bedrag van € 150.000 voor de kosten van huishouding heeft aangewend, de man dit bedrag dient aan te zuiveren op grond van artikel 4, derde lid, van de huwelijkse voorwaarden. Nu de man de stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, lag het op de weg van de vrouw om inzichtelijk te maken dat en hoe zij gelden uit een nalatenschap voor de kosten van de huishouding heeft aangewend. Aangezien de vrouw dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank haar vordering afwijzen.

2.11 De vrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er een verrekeningsclaim wegens betaalde hypotheekrente is. De man heeft de hypotheekrente terzake de eerste hypothecaire lening ten laste van het gezinsinkomen gebracht, aldus de vrouw. Aangezien dit een eigen schuld betreft van de man ter financiering van zijn helft van de echtelijke woning, is de vrouw van mening dat zij het recht heeft om 50% van deze betaalde hypotheekrente te verrekenen.

De man heeft dit standpunt betwist en gesteld dat deze last de gewone kosten van de huishouding betreft. De rechtbank is met de man van oordeel dat de hypotheeklasten voor de echtelijke woning vallen onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, huwelijkse voorwaarden worden de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door partijen gedragen in evenredigheid van ieders arbeidsinkomen. De stelling van de vrouw dat er sprake is van een verrekeningsclaim met betrekking tot de hypotheekrente faalt derhalve.

2.12 De vrouw heeft tenslotte nog een beroep op artikel 9, derde lid, van de huwelijkse voorwaarden gedaan. Zij heeft daarbij aangegeven dat ten aanzien van een groot aantal betalingen met betrekking tot de rekening-courant niet duidelijk is waar dit betrekking op heeft. Nu dit inkomsten betreft waarvan de vertering niet aan de vrouw ten goede is gekomen, dienen deze bedragen te worden verrekend, aldus de vrouw.

De rechtbank is van oordeel dat nu de man deze stelling gemotiveerd betwist heeft, de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een situatie in de zin van artikel 9, derde lid van de huwelijkse voorwaarden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 stelt de wijze van verrekening cq verdeling vast zoals onder rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.12 is weergegeven.

3.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.R. de Geus, als voorzitter, tevens, en mrs. M.T. Hoogland en W. Veldhuijzen van Zanten, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 22 september 2009 in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.